Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL1883

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
09/1714
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB, omdat eiser heeft verzuimd schriftelijke bewijsstukken met betrekking tot sollicitaties aan verweerder te verstrekken. In dit geval is er sprake van niet-nakoming van de verplichting neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB die uitsluitend betrekking heeft op het verstrekken van inlichtingen betreffende de naleving van de arbeids- en reïntegratieverplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Deze verplichtingen zijn niet van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Daarom kan niet-nakoming van deze verplichtingen niet leiden tot intrekking van de bijstand. In dat geval kan slechts een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB worden opgelegd. Beroep wordt gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/1714

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 26 januari 2010.

inzake

[eiser],

wonende te Arnhem, vertegenwoordigd door mr. P.G.W. van Wees,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 maart 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2008 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser met ingang van die datum opgeschort.

Bij besluit van 5 december 2008 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser met ingang van 25 november 2008 beëindigd (lees: ingetrokken).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

30 september 2009. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. P.G.W. van Wees. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W.A.A. van Wees, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontving van 8 januari 2008 tot 25 november 2008 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). In het kader van een reïntegratietraject is eiser van eind februari 2008 tot 1 september 2008 bij het Arbeidstrainingscentrum werkzaam geweest, welk traject is beëindigd wegens onvoldoende functioneren van eiser. Bij brief van 17 november 2008 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 25 november 2008 in verband met zijn arbeidstoeleiding, waarbij eiser is verzocht onder meer schriftelijke bewijsstukken met betrekking tot sollicitaties mee te nemen. Eiser is zonder bericht niet verschenen op dat gesprek. Vervolgens is bij besluit van 25 november 2008 het recht op bijstand van eiser met ingang van die datum opgeschort, waarbij eiser opnieuw is uitgenodigd voor een gesprek op 4 december 2008. Wederom is eiser daarbij verzocht voornoemde gegevens mee te nemen. Ook aan deze uitnodiging heeft eiser zonder nadere kennisgeving geen gehoor gegeven. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien het recht op bijstand van eiser met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in te trekken.

3.2. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiser de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden door geen gevolg te geven aan twee oproepen om te verschijnen voor een gesprek met verweerder. Gelet hierop heeft verweerder het recht op bijstand van eiser ingetrokken.

3.3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

3.4. In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB -voor zover hier van belang- is bepaald dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding, verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

3.5. In artikel 17, eerste lid, van de WWB -voor zover hier van belang- is bepaald dat de belangenhebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

3.6. In artikel 18, tweede lid, van de WWB -voor zover hier van belang- is bepaald dat het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b, de bijstand verlaagt indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de verplichtingen die verbonden zijn dan wel voortvloeien uit de WWB niet of niet voldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

3.7. In artikel 54, eerste lid, van de WWB -voor zover hier van belang- is bepaald dat het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

3.8. De rechtbank stelt vast dat eiser uitsluitend bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 5 december 2008 waarbij de bijstand is ingetrokken. Ter beoordeling van de rechtbank staat dan ook enkel of het besluit waarbij die intrekking is gehandhaafd de rechterlijke toets kan doorstaan. Hierbij staat ter beoordeling of eiser heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn te voldoen aan hetgeen door verweerder in het opschortingsbesluit is verzocht. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of eiser daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Niet in geschil is dat eiser niet is verschenen op het gesprek van 4 december 2008 en dat hij daarmee tevens heeft verzuimd schriftelijke bewijsstukken met betrekking tot sollicitaties aan verweerder te verstrekken.

3.9. De rechtbank overweegt allereerst dat hij eiser niet kan volgen in zijn standpunt dat het niet verschijnen op het gesprek van 4 december niet verwijtbaar zou zijn. Eiser heeft niet bestreden dat hij de uitnodigingsbrief voor dit gesprek tijdig heeft ontvangen, doch stelt dat hij deze brief als gevolg van zijn toenmalige depressieve toestand niet op tijd heeft gelezen. De rechtbank acht voor dit standpunt onvoldoende aanknopingspunten aanwezig. Zo heeft eiser op geen enkele manier met concrete (medische) gegevens onderbouwd dat hij als gevolg van de gestelde depressiviteit niet in staat zou zijn de post bij te houden.

3.10. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval echter nog niet

mee dat verweerder bevoegd was tot intrekking van de bijstand over te gaan.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

3.11. Onder de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) zag de inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 65 van de Abw op de vaststelling van het recht op bijstand. Wanneer de belanghebbende ondanks een geboden hersteltermijn nalatig bleef de voor de vaststelling van het recht op bijstand van belang zijnde informatie te verstrekken, rustte op het college van burgemeester en wethouders op grond van het aan artikel 54, vierde lid, van de WWB nagenoeg gelijkluidende artikel 69, vierde lid, van de Abw, de verplichting de bijstand in te trekken. Dit was enkel bedoeld voor het geval waarin het verzuim van de belanghebbende om informatie te verstrekken, er toe leidde dat het recht op bijstand niet (langer) kon worden vastgesteld.

3.12. Omdat het evenwel ook van belang kan zijn dat het college van burgemeester en wethouders kennis draagt van feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling van de individuele belanghebbende, is in artikel 17, eerste lid, van de WWB opgenomen dat de belanghebbende ook informatie dient te verstrekken die betrekking heeft op zijn arbeidsinschakeling (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 47). Dit heeft tot doel om te controleren of de belanghebbende voldoet aan zijn arbeids- en/of reïntegratieverplichtingen en om te bezien of er door het college ondersteuning moet worden geboden bij de arbeidsinschakeling en de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 10 van de WWB). Niet in geschil is dat in het voorliggende geval het verzuim om inlichtingen te verstrekken betrekking heeft op de arbeidsinschakeling en niet op het vaststellen van het recht op bijstand.

3.13. Naar aanleiding van het in de rechtsoverwegingen 3.11. en 3.12. vermelde onderscheid, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of voor wat betreft de bevoegdheid van het college om tot intrekking van de bijstand over te gaan onderscheid dient te worden gemaakt tussen die gevallen waarin als gevolg van niet nakoming van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en die gevallen waarin, zoals ten aanzien van eiser, de niet nakoming van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichting uitsluitend betrekking heeft op het verstrekken van inlichtingen betreffende de naleving van de arbeids- en reïntegratieverplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

De verplichtingen vermeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn niet van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Dit brengt mee dat niet nakoming van deze verplichtingen niet kan leiden tot intrekking of beëindiging van de bijstand. Gelet hierop acht de rechtbank het in strijd met de systematiek van de wet wanneer niet verschijnen op een gesprek dat enkel tot doel heeft de controle van de naleving van die verplichtingen, wel reden zou kunnen zijn voor intrekking of beëindiging van de bijstand. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar de tekst van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB waarin tot uitdrukking is gebracht dat nalatigheid bij het verstrekken van inlichtingen uitsluitend tot opschorting en intrekking van de bijstand kunnen leiden wanneer die inlichtingen van belang zijn voor de vaststelling van het recht en bedoelde nalatigheid er toe leidt dat dat recht niet kan worden vastgesteld. Daarmee komt in strijd wanneer niet verschijnen op een gesprek dat enkel tot doel heeft de controle van de naleving van die verplichtingen, reden zou kunnen zijn voor intrekking of beëindiging van de bijstand. De rechtbank ziet voorts steun voor dit standpunt in de navolgende passage in de toelichting op artikel 17 van de WWB:

“Verstrekt de belanghebbende niet of niet alle gevraagde gegevens en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de beoordeling door burgemeester en wethouders van het recht op bijstand of ondersteuning in de arbeidsinschakeling”.

Daarenboven overweegt de rechtbank dat uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 54, eerste, tweede en vierde lid, van de WWB volgt dat de wetgever niet heeft beoogd te breken met de doelstelling van het in rechtsoverweging 3.11. genoemd artikel uit de Abw. Ook op die grond moet het er voor worden gehouden dat de bevoegdheid tot intrekking uitsluitend aanwezig is wanneer inlichtingenverzuim er toe leidt dat het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.

Het voorgaande brengt mee dat verweerder niet bevoegd was om naar aanleiding van eisers nalatigheid om op 4 december 2008 ten kantore van verweerder te verschijnen, diens recht op bijstand in te trekken. Verweerder heeft wel de bevoegdheid over te gaan tot een verlaging van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB.

3.14. Hetgeen meer en overigens door eiser is gesteld behoeft gelet op het bovenoverwogene geen bespreking meer.

3.15. Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 7:12 van de Awb zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

3.16. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

3.17. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, mrs. E. Klein Egelink en W.R.H. Lutjes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 26 januari 2010.