Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BO9394

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
30-12-2010
Zaaknummer
AWB 07/5463
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Naheffing loonheffing terecht ter zake van speelrecht golfclub

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 07/5463

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 8 april 2009

inzake

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Enschede, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].A.01.550.0) loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) opgelegd van € 20.794, alsmede bij beschikking een boete van € 4.407.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 oktober 2007 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 november 2007, ontvangen bij het gerechtshof Arnhem op 28 november 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2009 te Arnhem.

Eiseres is daar vertegenwoordigd door mr. [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde], [A] en [B].

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres drijft een onderneming die managementactiviteiten uitvoert. De enig aandeelhouder en tevens directeur van eiseres is mr. [C]. Eiseres is aandeelhouder in [D] NV (hierna: [D]) en stelt de heer [C] ter beschikking aan deze vennootschap.

Eiseres heeft een bedrijfslidmaatschap bij Golf- en Countryclub [E] (hierna: [E]) te [Z]. Dit bedrijfslidmaatschap geeft recht aan twee personen om gebruik te maken van de golfbaan. In het onderhavige geval betreft dit de heer [C] en zijn partner.

De heer [C] en zijn partner hebben naast dit speelrecht op basis van het bedrijfslidmaatschap van eiseres, een speelrecht bij Golfcenter [F] te [Q]. Dit op basis van de overeenkomst die [D] is aangegaan met dit golfcenter.

Verweerder heeft bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005. Het boekenonderzoek heeft zich beperkt tot de wijze waarop eiseres de kosten van het bedrijfslidmaatschap [E], alsmede de hiermee verband houdende kosten in de administratie heeft verwerkt. Een afschrift van het rapport boekenonderzoek behoort tot de gedingstukken.

In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen.

“(…)

3 Loonbelasting

3.1.1 Loon in natura

Ten aanzien van de werknemer die uit hoofde van de sponsorovereenkomst speelrecht heeft op de baan is sprake van loon in natura. De waarde hiervan dient gesteld te worden op de waarde in het economisch verkeer. In casu is dit de vergoeding die een gewoon lid voor het individueel lidmaatschap moet betalen, inclusief de NGF bijdrage en het lidmaatschap van [E].

Het speelrecht inclusief NGF bijdrage en consumptieplicht bedroeg over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 achtereenvolgens:

(…).”

De naheffingsaanslag LB/PVV is opgelegd tot een bedrag van € 20.794. De hoogte van de boete bedraagt € 4.407.

3. Geschil

In geschil is of de waarde van het speelrecht (inclusief de NGF bijdrage en de consumptieplicht) terecht is aangemerkt als een voordeel genoten uit dienstbetrekking door de heer [C].

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) is loon al hetgeen wordt genoten uit een dienstbetrekking.

Ingevolge artikel 13 van de Wet wordt dit loon in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voorzover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing.

In artikel 11 van de Wet is, voorzover hier van belang, bepaald dat niet tot het loon behoren (a) vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren (de vrije vergoedingen) en (b) verstrekkingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren (de vrije verstrekkingen).

Vrije vergoedingen zijn in artikel 15 van de Wet omschreven als (a) vergoedingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking en (b) andere vergoedingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als een beloningsvoordeel worden ervaren. Vrije verstrekkingen zijn volgens artikel 17 van de Wet (a) verstrekkingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking en (b) andere vergoedingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als een beloningsvoordeel worden ervaren.

De rechtbank is van oordeel dat de beoefening van de golfsport in het algemeen behoort tot de privé-sfeer. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit hier anders is. Vaststaat dat de heer [C] en zijn partner de golfsport beoefenen en dat zij in de periode in geding gebruik hebben kunnen maken van hun speelrecht bij [E]. Tevens is gesteld noch gebleken dat eiseres de heer [C] en zijn partner hebben verplicht om een speelrecht op naam te krijgen en daar vervolgens ook daadwerkelijk gebruik van te maken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres haar stelling, dat in casu het persoonlijke element niet overheerst omdat het lidmaatschap voornamelijk is aangegaan in het kader van de klantenbinding, met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit geldt te meer nu eiseres (slechts) managementactiviteiten uitoefent. Van vergoedingen of verstrekkingen ter bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is dan ook geen sprake.

Voor zover eiseres nog heeft willen stellen dat sprake is van vrije vergoedingen en verstrekkingen omdat deze naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren, heeft zij deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft daartoe immers niets aangevoerd.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres inhoudingsplichtige is. Ook is de waarde in het economische verkeer van de in de heffing LB/PVV betrokken vergoeding voor het beoefenen van de golfsport niet in geschil. De naheffingsaanslag is dan ook terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres opgelegd.

Gelet hierop hoeft de vraag of sprake is van een uitdeling/dividend geen beantwoording meer.

Ten aanzien van de opgelegde boete heeft verweerder ter zitting desgevraagd verklaard dat het standpunt van eiseres – gelet op de datum van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam alsmede het aanvankelijk ingestelde cassatieberoep hiertegen – ook voor de jaren 2004 en 2005 als pleitbaar dient te worden aangemerkt zodat de boete dienaangaande ten onrechte is opgelegd. De grondslag voor de boete voor de speelrechten is € 1.000 per persoon maal 108,3% (eindheffing) is € 1.083. Hierover is een boete opgelegd van 10% ofwel € 108 per jaar. De aan eiseres opgelegde boete van € 4.407 dient dan ook verminderd te worden met vier maal € 108 is € 432. Als boete resteert een bedrag van € 3.975. Eiseres heeft ter zitting verklaard hiermee te kunnen instemmen. Het beroep is in zoverre gegrond.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boete;

- vermindert de boete tot € 3.975 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van

€ 285 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. L.B.M. Klein Tank en mr. M.C.G.J. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.