Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BN9414

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
05-10-2010
Zaaknummer
AWB 08/4811
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de gebreken in de kasadministratie is de rechtbank van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk maakt dat het belastbare inkomen uit werk en woning niet te hoog wordt berekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/4811

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 21 juli 2009

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Zwolle, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser, met dagtekening 25 juli 2008, voor het jaar 2006 een voorlopige aanslag (aanslagnummer [000].H.60) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.847.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 september 2008 de voorlopige aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 20 oktober 2008, ontvangen bij de rechtbank op 22 oktober 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2009 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen drs. [gemachtigde] en [A].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser dreef in 2006 een onderneming onder de naam [B]. Het inkomen dat eiser hieruit verkreeg is aangemerkt als winst.

[C] b.v. heeft op 21 februari 2007 de jaarrekening 2006 van [B] opgesteld. Volgens deze jaarrekening bedraagt de nettowinst over 2006 € 26.013.

Eiser heeft geen aangifte IB/PVV gedaan over het jaar 2006.

Verweerder heeft in september 2007 een boekenonderzoek bij eiser ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV 2005 en de aangiften omzetbelasting over de periode 2005 tot en met 2007. De resultaten van dat boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport dat op 19 maart 2008 aan eiser is verzonden. In het rapport is onder meer het volgende opgenomen.

“Naar aanleiding van het ingestelde boekonderzoek zijn de volgende op- en aanmerkingen te plaatsen over de gevoerde kasadministratie:

- Door de heer [X] werden de ontvangsten per week in de kasadministratie geboekt;

- De bankstortingen zijn niet in de kasadministratie opgenomen;

- Diverse ontvangsten en uitgaven zijn niet of op een onjuiste datum geboekt;

- Een deugdelijke kascontrole ontbreekt. Er wordt geen saldocontrole uitgevoerd.

Gezien de vele tekortkomingen in de kasadministratie kan deze o.i. niet dienen als betrouwbare basis voor de winstberekening.“

Naar aanleiding van de resultaten van het boekenonderzoek heeft verweerder, met dagtekening 25 juli 2008, een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2006 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.847. Verweerder is daarbij uitgegaan van een brutowinstpercentage van de inkopen van 70%.

Met dagtekening 1 augustus 2008 heeft verweerder een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2006 (aanslagnummer [000].H.61) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.144. Tegen deze voorlopige aanslag heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

3. Geschil

In geschil is de hoogte van de voorlopige aanslag IB/PVV 2006 met aanslagnummer [000].H.60.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de voorlopige aanslag IB/PVV 2006. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij vanwege zijn financiële situatie de aanslagen niet kan betalen.

Verweerder heeft ter zitting geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de voorlopige aanslag IB/PVV 2006 tot een nader te berekenen belastbaar inkomen uit werk en woning. Verweerder neemt het standpunt in dat dit inkomen moet worden berekend door - in afwijking van het controlerapport - uit te gaan van een brutowinstpercentage van de inkopen volgens de eisers jaarrekening van 42,5%.

4. Beoordeling van het geschil

In zijn beroepschrift heeft eiser slechts aangevoerd dat hij wekelijks € 200 tot € 300 voor privé gebruik uit de kas opnam. Eiser heeft ter zitting geen nieuwe argumenten aangevoerd tegen het vaststellen van de belastingaanslag conform het nadere standpunt van verweerder. Eiser heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat hij de belastingaanslag niet kan betalen.

Anders dan verweerder in zijn verweerschrift bepleit, kan geen sprake zijn van omkering van de bewijslast omdat eiser niet aan de in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgenomen administratieve verplichtingen zou hebben voldaan. Artikel 27e van de AWR, dat de omkering van de bewijslast in de beroepsfase regelt, moet in samenhang met artikel 25, derde lid, van die wet, waarin de omkering van de bewijslast in de bezwaarfase is opgenomen, worden bezien. De omkering van de bewijslast in de bezwaarfase geldt niet met betrekking tot voorlopige aanslagen. Deze worden immers niet in dat artikel genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit ook voor de beroepsfase te gelden. Nu verweerder het inkomen van eiser wil verhogen, rust derhalve op hem de last aannemelijk te maken dat hij de voorlopige aanslag niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

Mede gelet op de gebreken in de kasadministratie is de rechtbank van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk maakt dat het belastbare inkomen uit werk en woning – met inachtneming van de door verweerder ter zitting aangegeven aanpassing – niet te hoog wordt berekend. Verweerder heeft het door hem ter zitting verdedigde brutowinstpercentage (42,5%) vastgesteld op het gemiddelde van hetgeen eiser hem tijdens een bespreking op

18 januari 2008 heeft opgegeven. Tijdens die bespreking heeft eiser aangegeven dat volgens landelijke cijfers het brutowinstpercentage van vergelijkbare bedrijven ligt tussen 35% en 50%. Eiser heeft desgevraagd ter zitting dit door verweerder verdedigde brutowinstpercentage niet bestreden. Eisers opmerkingen over zijn wekelijkse privé opnamen leggen onvoldoende gewicht in de schaal om aan de berekening van verweerder te twijfelen.

De rechtbank berekent het belastbaar inkomen uit werk en woning over 2006 als volgt:

Winst volgens jaarrekening 26.441

Bij: Meer bruto winst op basis van 42,5% winst op inkoopwaarde +26.393

Af: Zelfstandigen- en startersaftrek conform controlerapport -6.297

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 46.537

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beroep tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2006 gegrond verklaren.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat eiser zich voor een betalingsregeling met betrekking tot de opgelegde belastingaanslag dient te wenden tot de Ontvanger.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de voorlopige aanslag IB/PVV 2006 (aanslagnummer [000].H.60) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.537 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Amsterdam, rechter, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 21 juli 2009

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.