Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BM2367

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/5910
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MRB. De rechtbank heeft de boete gematigd, omdat eiser te goeder trouw was, eiser de laadruimte direct na de constatering, door het verplaatsen van de achterbank en het tussenschot, in overeenstemming heeft gebracht met de eisen die de Wet daaraan stelt en er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een licht verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/5910

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 23 juni 2009

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, Autoheffingen Apeldoorn, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 11 september 2008 over het tijdvak 2 april 2007 tot en met 1 april 2008 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].Y.7.90001) motorrijtuigenbelasting opgelegd, ten bedrage van € 488, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 488.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 december 2008 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 18 december 2008, ontvangen bij de rechtbank op 19 december 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2009 te Arnhem.

Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser is blijkens de kentekenregistratie van de Rijksdienst voor het wegverkeer sinds 4 maart 2003 houder van een motorrijtuig met kenteken [AA-BB-00], merk Hyundai, type H200.

Bij een controle op 17 maart 2008 van het motorrijtuig is geconstateerd dat niet is voldaan aan de inrichtingseisen zoals die ingevolge artikel 3 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) zijn gesteld aan een dergelijke bestelauto.

Bij nacontrole op 21 maart 2008 is gebleken dat de laadruimte van het motorrijtuig met dubbele cabine een lengte heeft van 136 cm.

Direct na de constatering dat zijn bestelauto niet aan de eisen die de Wet daaraan stelt voldeed, heeft eiser door verplaatsing van de achterbank en het tussenschot ervoor gezorgd dat de bestelauto wel voldeed aan de eisen van de Wet. Verweerder heeft vervolgens de bijbetaling over de periode 2 april 2008 tot en met 1 oktober 2008 laten vervallen.

3. Geschil

In geschil is of:

a. verweerder voor de periode in geding terecht motorrijtuigenbelasting heeft nageheven tot het tarief voor een personenauto;

b. de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

De naheffingsaanslag

Artikel 2 van de Wet, voor zover hier van belang, luidt:

‘ In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder:

(...)

b. personenauto: een motorrijtuig op drie of meer wielen, ingericht voor personenvervoer en wel voor het vervoer van niet meer dan acht personen (...)

c. bestelauto: een motorrijtuig op drie of meer wielen niet zijnde een personenauto of een autobus (...).’

In artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel d, onder 1°, van de Wet is, voor zover hier van belang, bepaald:

“In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt onder personenauto mede verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen met een toegestane maximum massa van 3500 kg of minder met een laadruimte, zulks met uitzondering van een motorrijtuig met een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer die:

(…)

d. ingeval het motorrijtuig een dubbele cabine heeft met een zitruimte achter de bestuurder voor één rij naast elkaar in de rijrichting zittende personen:

1°. over ten minste 150 cm van de lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten minste 130 cm(…)”.

Nu niet in geschil is dat de laadruimte van de bestelauto op 21 maart 2008 een lengte had van 136 cm in plaats van 150 cm is de naheffingsaanslag terecht en over de juiste periode opgelegd naar het verschil tussen het personenautotarief en het bestelautotarief (zie artikel 33 van de Wet). Het al dan niet te goeder trouw zijn van eiser is daarbij niet relevant. Hetzelfde geldt voor het feit dat naheffing op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 achterwege is gebleven.

De verzuimboete

Ten aanzien van de opgelegde verzuimboete overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 37 van de Wet een constatering als bedoeld in artikel 33, van de Wet wordt gezien als een verzuim in de zin van artikel 67c van de AWR. In paragraaf 34, onderdeel 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB) is, voor zover hier van belang, bepaald dat deze verzuimboete maximaal 100 procent bedraagt van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk is betaald.

De rechtbank stelt vast dat de onderhavige motorrijtuigenbelasting niet tijdig is betaald zodat sprake is van een verzuim op grond van voornoemde artikelen. Verweerder heeft terecht een verzuimboete opgelegd.

Aan vorenstaand oordeel doet niet af dat eiser te goeder trouw was. Slechts indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) of een pleitbaar standpunt (zie paragraaf 4 van het BBBB) blijft het opleggen van een verzuimboete achterwege. Hiervan is geen sprake. De laadruimte was 14 cm te kort en eiser heeft de laadruimte niet opgemeten maar is (blijkbaar) te goeder trouw afgegaan op de mededelingen die de garage in 2003 bij de aankoop door eiser heeft gedaan. Alhoewel eiser naar het oordeel van de rechtbank slechts een licht verzuim heeft begaan, kan niet gezegd worden dat eiser geen enkel verwijt treft (avas). Ook is geen sprake van een pleitbaar standpunt nu het niet gaat om toepassing van het recht maar om de vaststelling van een feit.

Met betrekking tot de vraag of er in dit geval sprake is van omstandigheden die dienen te leiden tot een matiging van de boete van 100 procent overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het feit dat eiser te goeder trouw was, eiser de laadruimte direct na de constatering, door het verplaatsen van de achterbank en het tussenschot, in overeenstemming heeft gebracht met de eisen die de Wet daaraan stelt en naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een licht verzuim, zal de rechtbank de boete matigen tot 25 procent ofwel € 122.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep (in bezwaar geen proceskosten gevraagd) redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644

(1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Voor vergoeding van de door eiser op het formulier proceskosten genoemde kosten bestaat geen aanleiding nu eiser zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en de kosten van de gemachtigde reeds zijn begrepen in voormeld bedrag.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze de boete betreft;

- vermindert de boete tot € 122 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.C.G.J. van Well, rechter, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.