Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BM1634

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-12-2009
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/4914
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.54 lid 1, 3, 4 en 5, Wet IB 2001. Herinvesteringsreserve. Zelfde economische functie. Ten tijde van verkoop van het voor eigen gebruik van de fiscale eenheid bestemde bedrijfspand bestond het voornemen om van de opbrengst daarvan een nieuw bedrijfspand te bouwen dat bestemd zou zijn voor eigen gebruik. Door de liquidatie van de werkmaatschappij staat inmiddels evenwel vast dat het niet te bouwen bedrijfspand niet meer voor eigen gebruik zal dienen, maar als beleggingspand. Daarmee is de economische functie van het bedrijfspand wezenlijk veranderd, zoals volgt uit onder meer Hoge Raad 16 april 1997, nr. 31.745, BNB 1997/189, en is het herinvesteringsvoornemen niet langer gericht op een bedrijfsmiddel met eenzelfde economische functie. De herinvesteringsreserver is derhalve terecht aan de winst toegevoegd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/23.1.2
FutD 2010-1062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/4914

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 3 december 2009

inzake

[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Nijmegen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [00]V[00]) vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.773.474.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 oktober 2008 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 24 oktober 2008, ontvangen bij de rechtbank op 27 oktober 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009 te Arnhem. Namens eiseres zijn daar verschenen [A] en [B], bijgestaan door [gemachtigde], gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde], [C] en [D].

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en verweerder. De rechtbank rekent de pleitnota tot de gedingstukken.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Eiseres is 100% aandeelhoudster van [E] B.V.. [E] B.V. is 100% aandeelhoudster geweest van [F] B.V.. De drie vennootschappen vormden samen met [G] B.V. van 1 januari 1993 tot 1 mei 2006 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De werkmaatschappij [F] B.V. was gespecialiseerd in de verkoop, ontwikkeling en productie van opleggers en aanhangwagens voor de Europese markt met vestigingen in [Q] en [Z]. [E] B.V. beheerde de bedrijfspanden in [Q] en [Z] en verhuurde die aan [F] B.V..

2.2 In 2002 is het pand van de vestiging in [Z] verkocht, waarbij voor de behaalde boekwinst van € 3.801.168 een herinvesteringsreserve is gevormd, bestemd om een nieuw bedrijfspand te realiseren op het terrein tegenover het bedrijfspand in [Q], welk terrein reeds geruime tijd in bezit is van eiseres.

2.3 Op 27 december 2005 heeft eiseres verweerder verzocht om verlenging van de termijn voor de aanschaf van het nieuwe bedrijfsmiddel omdat de aanschaffing wegens bijzondere omstandigheden is vertraagd vanwege een procedure in verband met de wijziging van het bestemmingsplan. Bij brief van 4 januari 2006 heeft verweerder te kennen gegeven de termijn te verlengen tot 31 december 2006.

2.4 Op 6 januari 2006 zijn de activa en passiva van [F] B.V. verkocht en overgedragen aan [H] B.V., een vennootschap die onderdeel uitmaakt van de niet-geliëerde Nooteboom Groep. [E] B.V. heeft het bedrijfspand in [Q] vervolgens verhuurd aan [H] B.V.. Op 1 mei 2006 zijn [F] B.V. en [G] B.V. geliquideerd.

2.5 In 2007 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden bij eiseres, waarin de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2005 en 2006 is onderzocht voor wat betreft de herinvesteringsreserve. In het rapport van het boekenonderzoek van november 2007 (hierna: het rapport) staat onder meer vermeld dat nog steeds het voornemen bij eiseres bestaat om de vestiging in [Q] uit te breiden, maar dat daarmee niet kan worden begonnen voordat de procedures inzake het bestemmingsplan zijn afgerond. Voorts zal de te realiseren nieuwbouw vanwege de verkoop van de activa en passiva van [F] B.V. in de toekomst zeer waarschijnlijk aan [H] B.V. worden verhuurd. In het rapport wordt geconcludeerd dat het nieuwe bedrijfsmiddel aldus niet meer eenzelfde economische functie zal hebben als het vervreemde bedrijfsmiddel, omdat in 2002 het bedrijfspand in [Z] in eigen gebruik was bij de fiscale eenheid, terwijl het nieuwe bedrijfspand zal worden verhuurd aan een derde en derhalve als beleggingspand moet worden aangemerkt.

2.6 Naar aanleiding van het rapport is verweerder bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting 2006, met dagtekening 26 juli 2008, afgeweken van de aangifte door de herinvesteringsreserve te laten vrijvallen en aan de winst toe te voegen.

2.7 Het daartegen gerichte bezwaar van eiseres heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 16 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Geschil

3.1 In geschil is of de in 2002 gevormde herinvesteringsreserve in 2006 moet vrijvallen omdat het nieuwe bedrijfsmiddel – het nog te realiseren bedrijfscomplex in [Q] – niet (langer) dezelfde economische functie heeft als het vervreemde bedrijfsmiddel. Eiseres is van mening dat dit niet het geval is. Verweerder is de tegengestelde mening toegedaan.

3.2 Subsidiair is in geschil of door verstrijken van de termijn de herinvesteringsreserve moet vrijvallen, nu nog geen uitvoering is gegeven aan het voornemen een nieuw bedrijfspand in [Q] te realiseren.

3.3 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastbare winst tot € 735.431 en een belastbaar bedrag van nihil in verband met nog te verrekenen verliezen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, voor zover thans van belang, wordt de winst opgevat en bepaald op de voet van de artikelen 3.31 tot en met 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

4.2 Uit artikel 3.54, eerste en derde tot en met vijfde lid, Wet IB 2001 volgt, dat een herinvesteringsreserve mag worden gevormd ter zake van een vervreemdingswinst van een bedrijfsmiddel, indien de ondernemer een voornemen tot herinvestering heeft en deze binnen een termijn van drie jaar plaatsvindt, tenzij sprake is van vertraging wegens bijzondere omstandigheden. Is de boekwinst behaald door vervreemding van een bedrijfsmiddel waarop in meer dan tien jaar pleegt te worden afgeschreven (hierna ook: langetermijnbedrijfsmiddel) en wordt de herinvesteringsreserve afgeboekt op een langetermijnbedrijfsmiddel, dan dient dat bedrijfsmiddel eenzelfde economische functie te hebben als het bedrijfsmiddel ter zake waarvan de boekwinst is behaald.

4.3 Niet in geschil is dat in het jaar waarin de onderhavige herinvesteringsreserve is gevormd, bij eiseres het voornemen bestond om te investeren in een nieuw bedrijfspand in [Q] dat was bestemd voor gebruik binnen de fiscale eenheid. Ten tijde van de verkoop in 2002 was het bedrijfspand in [Z] eveneens in eigen gebruik. Door de liquidatie van [F] B.V. in 2006, staat thans eveneens vast dat het nieuw te bouwen pand in [Q] niet meer binnen de fiscale eenheid zal worden gebruikt, maar dat het zal worden verhuurd aan een derde. Uit vaste jurisprudentie (vergelijk onder meer Hoge Raad 16 april 1997, nr. 31.745, BNB 1997/189) volgt, dat het door eiseres vervreemde bedrijfspand en het door haar nieuw te ontwikkelen beleggingspand niet eenzelfde economische functie hebben. De functie van een bedrijfspand in eigen gebruik verschilt immers wezenlijk van een aan een derde te verhuren pand.

Weliswaar heeft de Hoge Raad overwogen dat uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot het begrip vervanging een ruim standpunt dient te worden ingenomen, echter in het onderhavige geval gaat deze stelling reeds niet op omdat geen sprake van eenzelfde economische functie van de vervreemde activa en de verkregen activa (vergelijk Hoge Raad 23 oktober 2009, nr. 43.924, VN 2009/53.15).

De stelling van eiseres dat de levensduur van het bedrijfspand en het beleggingspand even lang is doet hieraan niet af. Een zodanige ruime uitleg van het begrip eenzelfde economische functie kan naar het oordeel van de rechtbank niet uit de totstandkomingsgeschiedenis van de onderhavige wettelijke bepaling worden opgemaakt dan wel afgeleid.

Het beroep van eiseres op het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2004 (nr. 39.647, BNB 2004/439) gaat eveneens niet op, aangezien dat arrest ziet op een andere situatie, te weten de vraag waar de herinvesteringsreserve thuishoort in het geval van een ontvoeging uit een fiscale eenheid. Dit arrest is voor het onderhavige geval dan ook niet relevant.

4.4 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De overige geschilpunten behoeven dan ook geen bespreking.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well, en mr. A.M.F. Geerling, rechters, in tegenwoordigheid van P.J.G. Tiemessen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 3 december 2009

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.