Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BL3059

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-12-2009
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/5044
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP2098, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verzocht om een overeenkomst ex artikel 13, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de rechtsbijstand met de raad van rechtbijstand aan te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de Wrb en de memorie van toelichting, het standpunt van verweerder dat slechts in het geval op een bepaald rechtsterrein een leemte in de rechtsbijstandverlening dreigt te ontstaan een overeenkomst wordt overgegaan, in redelijkheid niet als onjuist of onredelijk kan worden aangemerkt. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid kon weigeren om een overeenkomst aan te gaan met eiseres, zoals door haar gewenst.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een uitoefening van verweerders taken van openbaar gezag, te weten de organisatie van de verlening van rechtsbijstand in het ressort en het toezicht op de uitvoering daarvan (artikel 7, eerste lid, van de Wrb) behelst. Gelet hierop heeft de hier bedoelde activiteit (het niet aangaan van de overeenkomst) geen economisch karakter dat de toepassing van (Europese) mededingingsregels zou kunnen rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/5044

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 29 december 2009

inzake

[Rechtspraktijk b.v.], eiseres,

gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door mr. S.W. Knoop,

tegen

de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 3 oktober 2008.

2. Procesverloop

Bij brief van 4 april 2006 hebben eiseres en Destinatum B.V. verweerder verzocht om met eiseres en Destinatum B.V. en/of met de heer [Y] en zijn kantoorgenoten een overeenkomst aan te gaan, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), tot het verlenen van rechtsbijstand op een aantal rechtsgebieden.

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 4 december 2006 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2008 van deze rechtbank (registratienummer AWB 07/92) is het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen.

Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 20 november 2009. Namens eiseres zijn aldaar verschenen [Y] en bovengenoemde gemachtigde mr. Knoops. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Schooten.

3. Overwegingen

Ontvankelijkheid van het beroep

De rechtbank stelt vast dat beroep is ingesteld door mr. Knoops namens de heer [Y].

De rechtbank stelt voorts vast dat de aanvraag (mede) is gedaan namens eiseres. Het primaire besluit is gericht aan eiseres. Het tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift is tevens ingediend door eiseres. Het bestreden besluit is eveneens gericht aan eiseres. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres belanghebbende is bij het thans bestreden besluit. Het primaire standpunt van de gemachtigde van eiseres dat als belanghebbende bij het bestreden besluit moet worden aangemerkt de heer [Y] in persoon volgt de rechtbank dan ook niet.

De rechtbank ziet in de in beroep overgelegde stukken en het onderzoek ter zitting wel aanleiding om – zoals door de gemachtigde van eiseres ter zitting subsidiair naar voren is gebracht – het door de heer [Y] ingediende beroep toe te rekenen aan eiseres. Immers, er is sprake van een eenmans-bv en de heer [Y] is (uiteindelijk) directeur/enig aandeelhouder, zodat eiseres en de heer [Y] met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. Tevens acht de rechtbank niet gebleken dat er in het rechtsverkeer dan wel tussen partijen enige onduidelijkheid bestaat dat sprake is van een identiek belang. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 mei 2004, LJN: AO9213.

Het beroep is dan ook ontvankelijk.

Bevoegdheid verweerder

De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit is genomen door de directeur van verweerder namens verweerder. Ook het bestreden besluit is genomen door de directeur van verweerder namens verweerder, maar is ondertekend door de manager beschikken.

Bij brief van 18 november 2009 is kenbaar gemaakt dat de Raad voor Rechtsbijstand heeft besloten het bestreden besluit te bekrachtigen en voor zijn rekening te nemen. Gelet op de inhoud van deze brief acht de rechtbank het bestreden besluit bevoegd genomen.

Inhoudelijk

Verweerder heeft aan het bestreden besluit, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder hanteert het uitgangspunt dat uitsluitend in het geval op een bepaald rechtsgebied een leemte in de rechtsbijstandsverlening dreigt te ontstaan een overeenkomst met “anderen” kan worden aangegaan. Volgens verweerder zijn nu en in de nabije toekomst op de door eiseres aangegeven rechtsgebieden geen kwalitatieve of kwantitatieve tekorten te verwachten. Voorts stelt verweerder dat nu eiseres geen advocaat is en hij derhalve niet aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet en niet is onderworpen aan het tuchtrechtelijk regime, geen overeenkomst, zoals door hem gewenst, met hem kan worden aangegaan. Verweerder stelt tevens dat, nu eiseres geen procedures bij de rechtbank als zijnde advocaat kan voeren, de effectiviteit van de rechtsbijstandsverlening in het gedrang kan komen, nu een toevoeging voor alle werkzaamheden, die dienen ter behartiging van het op grond van de toevoeging aangewezen rechtsbelang, geldt. Volgens verweerder zijn na afweging van de betrokken belangen geen redenen om toch een overeenkomst aan te gaan met eiseres.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Op hetgeen namens haar is aangevoerd zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wrb wordt rechtsbijstand verleend door:

a. door de raad ingeschreven advocaten;

b. medewerkers van de stichtingen;

c. notarissen, onverminderd het bepaalde in artikel 56 van de Wet op het notarisambt, gerechtsdeurwaarders en anderen met wie de raad een overeenkomst is aangegaan tot het verlenen van rechtsbijstand op bepaalde gebieden.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat in het jaarplan nadere regels gesteld worden voor het aangaan van de in het eerste lid onder c bedoelde overeenkomsten.

Uit de memorie van toelichting betreffende artikel 13 Wrb (tweede kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22609, nr. 3) blijkt, zakelijk weergegeven, als volgt. Er wordt vanuit gegaan dat van overheidswege gefinancierde rechtsbijstand in hoofdzaak verleend wordt door twee groepen: ingeschreven advocaten en medewerkers van de stichtingen rechtsbijstand. De wet biedt de mogelijkheid dat in beperkte mate rechtsbijstand verleend wordt door anderen dan advocaten en medewerkers van de stichtingen. Bij “anderen” kan bijvoorbeeld gedacht worden aan fiscalisten. De hier bedoelde rechtsbijstandverleners zullen, als daar behoefte aan bestaat, ingeschakeld kunnen worden bij het houden van spreekuren, of zij zullen op bepaalde rechtsgebieden toevoegingen kunnen behandelen.

De rechtbank overweegt dat het sluiten van overeenkomsten met “anderen”, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder c, Wrb, een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft, zodat de rechtbank de gebruikmaking daarvan terughoudend dient te toetsen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de Wrb en de memorie van toelichting, het standpunt van verweerder dat slechts in het geval op een bepaald rechtsterrein een leemte in de rechtsbijstandverlening dreigt te ontstaan een overeenkomst wordt overgegaan, in redelijkheid niet als onjuist of onredelijk kan worden aangemerkt. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid kon weigeren om een overeenkomst aan te gaan met eiseres, zoals door haar gewenst. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft in het bestreden besluit (cijfermatig) uiteengezet dat op het rechtsgebied waar eiseres op basis van toevoegingen werkzaam wil zijn (letselschade), geen sprake is van een kwantitatieve leemte. Eiseres heeft deze cijfers niet betwist. Evenmin heeft eiseres op andere wijze aannemelijk gemaakt dat er wel sprake is van een kwantitatieve leemte op het betreffende rechtsgebied. Dat er meerdere (dan wel vele) kantoren, niet zijnde advocatenkantoren, werkzaam zijn op het door eiseres bedoelde rechtsgebied, maakt nog niet dat sprake is van een leemte van toe te voegen advocaten op dat rechtsgebied, zoals eiseres kennelijk voorstaat. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten verweerders standpunt, dat geen sprake is van een kwantitatieve leemte, niet te volgen.

Voorts heeft verweerder aangegeven dat tevens geen kwalitatieve leemte is in de behandeling van door eiseres bedoelde zaken. Verweerder heeft daartoe gewezen op de voorwaarden waaraan (ingeschreven) advocaten moeten voldoen en aan het toepasselijke tuchtrechtelijke toezicht. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat verweerder geen signalen zijn bereikt dat de advocaten, die op het door eiseres bedoelde rechtsgebied op basis van een toevoeging werkzaam zijn, niet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen voldoen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om verweerder hierin niet te volgen. Dat eiseres zich, op eigen initiatief, heeft aangesloten bij meerdere instanties en uit dien hoofde ook onder tuchtrechtelijke toezicht staat en dat zij dientengevolge voldoende kwaliteit kan leveren, zoals zij stelt, maakt niet dat bij de ingeschreven advocaten sprake is van een kwalitatieve leemte bij de behandeling van de bedoelde zaken.

Eiseres heeft betoogd dat verweerder in strijd handelt met het (Europese) mededingingsrecht door gesubsidieerde rechtsbijstand alleen aan advocaten te verlenen en niet aan “anderen”, zoals zijzelf. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank behelst het bestreden besluit een uitoefening van verweerders taken van openbaar gezag, te weten de organisatie van de verlening van rechtsbijstand in het ressort en het toezicht op de uitvoering daarvan (artikel 7, eerste lid, van de Wrb). Gelet hierop heeft de hier bedoelde activiteit (het niet aangaan van de overeenkomst) geen economisch karakter dat de toepassing van mededingingsregels zou kunnen rechtvaardigen. De rechtbank verwijst hiervoor, onder meer, naar de uitspraken van de van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 januari 1994, LJN: AD2022 en van 1 juli 2008, LJN: BE9765.

Voor zover het voornoemde betoog van eiseres moet worden opgevat als een beroep op het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank haar daarin evenmin, nu eiseres dan wel de heer [Y], dan wel andere medewerkers van eiseres, niet gelijk zijn aan bij de raad ingeschreven advocaten. Immers, aan het zijn van advocaat stelt de wet bepaalde voorwaarden. Voorts geldt ten aanzien van hen een bepaald tuchtrechtelijk regime. Tevens is voor het voeren van een aantal procedures de hoedanigheid van advocaat vereist. Dat eiseres zich ook aan bepaalde kwaliteitseisen heeft verbonden, kan hieraan niet afdoen.

De rechtbank ziet ook overigens geen reden om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 29 december 2009