Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BL2291

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
08/5319
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO1867, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning met vrijstelling 19, lid 1 WRO voor het realiseren van een bedrijfswoning ten behoeve van een (biologische) champignonkwekerij. Belangenafweging; beperking uitbreidingsmogelijkheden vanwege geurhinder. Niet concrete uitbreidingsplannen. Eiser wordt niet in onevenredige mate geschaad, nu hij voldoende uitbreidingsmogelijkheden heeft.

Faillissement vergunninghouder hangende bezwaar, curator en beoogd gebruik. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/5319

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 24 december 2009.

inzake

[eisers],

wonende te [plaats], vertegenwoordigd door mr. T. Segers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel, verweerder,

alsmede

mr. C.W. Houtman, kantoorhoudende te Nijmegen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Nieuwaal Champignons B.V. te Zaltbommel,

partij ex artikel 8:26 van de Awb.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 oktober 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2005 heeft verweerder met toepassing van een op 19 januari 2005 verleende vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan Nieuwaal Champignons B.V. (hierna: vergunninghouder) bouwvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfswoning ten behoeve van een (biologische) champignonkwekerij op het perceel [locatie].

Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Bij besluiten op bezwaar van 23 juni 2005 zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2006 (reg.nrs. AWB 05/2572 en 05/2790) heeft de rechtbank het daartegen ingediende beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juni 2005 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 16 februari 2005 met een nadere motivering gehandhaafd.

Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 16 januari 2009 heeft de curator in het faillissement van vergunninghouder zich gesteld als partij in het geding. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 20 november 2009. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T. Segers, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.L.F. Bassa, werkzaam bij verweerders gemeente. De partij ex artikel 8:26 van de Awb is vertegenwoordigd door mrs. A.H.E. van de Klift en E.A.S. Jansen, advocaten te Nijmegen.

3. Overwegingen

3.1 Voorop staat dat de bij besluit van 7 februari 2005 met vrijstelling verleende bouwvergunning voor de oprichting van een biologische champignonkwekerij, na uitspraken van de rechtbank Arnhem van 21 september 2005 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 2 augustus 2006 (nrs. 200509717/1 en 200509724/1), formele rechtskracht heeft gekregen.

Het onderhavige bouwplan ziet op het realiseren van een bij de champignonkwekerij horende bedrijfswoning.

3.2 Niet is in geding dat het bouwplan in strijd is met de ter plaatse vigerende bestemmingsplannen “Buitengebied, integrale herziening”en “Buitengebied, integrale herziening, partiële herziening 2002 (wijzigingsbevoegdheid art. 11 WRO)”. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder vrijstelling verleend van het bestemmingsplan ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO.

3.3 De rechtbank stelt vast dat ingevolge de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening het oude recht van toepassing is, zoals dat gold tot 1 juli 2008.

3.4 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier relevant, kan ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling van het geldende bestemmingsplan worden verleend, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

3.5 De rechtbank is niet gebleken dat niet aan de toepassingsvoorwaarden voor het verlenen van een vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan.

3.6 Eisers hebben aangevoerd dat eiser [naam] (hierna: [naam]) door de vrijstelling in onevenredige mate wordt geschaad. Volgens eisers heeft verweerder het verlies aan uitbreidingsmogelijkheden aan de kant van [naam] op het perceel [locatie 2] vanwege de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen geurnormen onvoldoende meegenomen in de belangenafweging.

3.6.1 Het betoog van eisers ziet op de vraag of verweerder in het kader van de beoordeling van het verzoek om vrijstelling alle bij het bouwplan betrokken belangen heeft afgewogen.

De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder bij de belangenafweging beoordelingsvrijheid toekomt en dat de rechtbank een dergelijke beoordeling slechts marginaal kan toetsen. De rechtbank dient zich hierbij dus te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot de verlening van de gevraagde vrijstelling heeft kunnen komen.

3.6.2 Niet in geding is dat [naam] niet wordt geschaad in zijn huidige bedrijfsvoering.

3.6.3 Verweerder is bij de belangenafweging en de plannen voor uitbreiding uitgegaan van de door [naam] ingediende concept-aanvraag milieuvergunning van 7 juli 2005 voor het houden van 690 schapen en 20 runderen en heeft aangegeven dat de mogelijkheden om deze dieren te stallen binnen het agrarisch bouwperceel enigszins beperkt worden door de bedrijfswoning. Volgens verweerder kan het door eiser in zijn concept-aanvraag genoemde aantal dieren niet in de bestaande stal worden gehuisvest vanwege de alsdan optredende geurbelasting op de bedrijfswoning. Ook kan [naam] om dezelfde reden een deel van zijn agrarisch bouwperceel, zijnde een strook van 12 meter breed gelegen tussen de bestaande stal en de woning op [locatie], niet gebruiken om extra stalruimte te bouwen en schapen en runderen daarin te huisvesten.

Verweerder stelt zich vervolgens op het standpunt dat er geen sprake is van een onevenredige belemmering van de groeimogelijkheden omdat [naam] op andere plaatsen binnen zijn agrarisch bouwperceel extra stalruimte kan bouwen. Tevens heeft verweerder aangegeven dat er een wijziging van het bestemmingsplan in voorbereiding is die ertoe strekt dat het bouwblok deels wordt verplaatst, dit ter compensatie van het deel van het bouwblok dat [naam] niet meer kan gebruiken om dieren met een zogeheten omrekeningsfactor, zoals schapen en runderen, te huisvesten. Dat extra stalruimte nodig is hangt volgens verweerder samen met het feit dat de aangevraagde hoeveelheid dieren feitelijk niet in de bestaande stal kan worden gehuisvest, nu deze stal daarvoor te klein is. In het verweerschrift heeft verweerder dit uitvoerig toegelicht en gewezen op de uit het Handboek voor de rundveehouderij van het Informatie en Kennis Centrum Veehouderij en het Handboek Schapenhouderij van de Wageningen Universiteit voortvloeiende norm van 1,3 m² per schaap.

3.6.4 De rechtbank houdt het ervoor dat, mede gelet op het verhandelde ter zitting, [naam] geen aanvraag milieuvergunning heeft ingediend, maar louter een concept-aanvraag en dat deze concept-aanvraag dient te worden geduid als een verzoek om vooroverleg. De rechtbank ziet geen reden om hier anders over te oordelen nu ook eisers zelf dit verzoek hebben aangeduid als een concept-aanvraag.

Volgens verweerder – hetgeen door eisers niet is betwist – is aan [naam] in het kader van het vooroverleg reeds bij brief van 21 november 2006 medegedeeld dat de aangevraagde hoeveelheid dieren niet vergunbaar is en dat hij een gewijzigde aanvraag moet indienen. Eisers betwisten niet dat [naam] tot op heden de concept-aanvraag milieuvergunning niet heeft gewijzigd dan wel daadwerkelijk een aanvraag voor een milieuvergunning heeft ingediend. Ook is niet gebleken dat hij een bouwaanvraag heeft gedaan voor het bouwen van extra stalruimte. Ten slotte acht de rechtbank aannemelijk dat de aangevraagde hoeveelheid dieren feitelijk niet in de bestaande stal kan worden gehuisvest. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van concrete uitbreidingsplannen waar verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling rekening mee dient te houden (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2006, zaaknummer 200507049/1), zodat niet staande gehouden kan worden dat verweerder aan de eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden op dat gedeelte van de percelen doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

3.6.5 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder gevolgd kan worden in zijn standpunt dat [naam] niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Het betoog van eisers faalt derhalve.

Ter zitting is gebleken dat [naam] slechts een klein deel van zijn agrarisch bouwperceel op [locatie 2] heeft bebouwd en, gelet op hetgeen in artikel 6 van het bestemmingplan ”Buitengebied, integrale herziening” betreffende de mogelijkheid om te bouwen op het agrarisch bouwperceel is opgenomen, voldoende mogelijkheden heeft om op zijn bestaande agrarisch bouwperceel extra stalruimte te bouwen. De bouwvoorschriften van het bestemmingsplan staan aan uitbreiding niet of nauwelijks in de weg.

In dit verband is ter zitting gebleken dat [naam] achter de stal of tussen de woning aan [locatie 2] en de stal - deze afstand bedraagt 15 meter - de bestaande stal kan uitbouwen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat het uitbouwen van de bestaande stal aan de achterzijde of aan de kant van zijn woning (ten westen van de stal) niet mogelijk is.

Uit het bestreden besluit en het verweerschrift komt naar voren dat in het geval dat ten westen van de bestaande stal wordt uitgebreid de totale hoeveelheid aangevraagde dieren kan worden gehuisvest, zonder dat de toegestane geurbelasting op de vergunde bedrijfswoning wordt overschreden. Daarnaast is in het verweerschrift gemotiveerd toegelicht dat, daargelaten of de dieren feitelijk kunnen worden gehuisvest, in de bestaande stal ongeveer 595 schapen en 20 stuks rundvee gestald kunnen worden zonder dat de geurbelasting op de bedrijfswoning het toegestane maximum zal overschrijden.

Dat er een wijziging van het bestemmingsplan in voorbereiding is waardoor [naam] extra bouwmogelijkheden krijgt kan de rechtbank buiten beschouwing laten. In dit verband zij opgemerkt dat deze wijziging nog in een pril stadium verkeert, zodat verweerder daar bij de belangenafweging niet reeds vanuit mag gaan. Wel blijkt hieruit dat verweerder van plan is het zeer beperkte en vooralsnog niet concrete verlies aan uitbreidingsmogelijkheden te compenseren. Overigens merkt de rechtbank op dat het vigerende bestemmingsplan reeds een wijzigingsbevoegdheid bevat, te gebruiken om het agrarisch bouwperceel van [naam] te verplaatsen.

3.7 Eisers hebben ten slotte betoogd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat vergunninghouder bij vonnis van deze rechtbank van 23 september 2008 in staat van faillissement is verklaard.

3.7.1 Ingevolge artikel 8:22, eerste lid, van de Awb, voorzover relevant, is in geval van faillissement artikel 25 van de Faillissementswet (Fw) van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Fw worden rechtsvorderingen, die tot de failliete boedel behorende rechten of verplichtingen ten onderwerp hebben, zowel tegen als door de curator ingesteld.

Blijkens artikel 20 van de Fw omvat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.

3.7.2 De bouwvergunning behoort tot het vermogen van de schuldenaar. Naar het oordeel van de rechtbank houdt het onder 3.7.1 weergegeven wettelijk kader in dat de curator bevoegd is rechtsvorderingen in te stellen en zich –zoals in casu – eveneens kan stellen als partij ex 8:26 Awb.

3.7.3 De vrijstelling en bouwvergunning zijn aan vergunninghouder verleend voor het realiseren van een bedrijfswoning ten behoeve van een champignonkwekerij op het perceel [locatie]. Als gevolg van het faillissement treedt de curator in de plaats van vergunninghouder in het kader van het algemeen beslag, welk beslag dient te worden uitgewonnen door de curator. Dit gegeven brengt niet met zich, zoals eisers betogen, dat de binding tussen het bedrijf en de woning verloren is gegaan en de woning niet meer kan worden opgericht ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Evenmin brengt dit met zich dat het beoogde gebruik van het bouwwerk is veranderd.

Het faillissement laat onverlet dat het bedrijf ter plaatse kan worden voortgezet door het (failliete) bedrijf. Voorts kan de bouwvergunning worden overgedragen en kan deze worden gebruikt conform de verleende vrijstelling of het geldende planologische regime. De curator heeft ook aangegeven dat het de bedoeling is de champignonkwekerij samen met de bedrijfswoning te verkopen. De rechtbank is ook overigens niet gebleken dat het beoogde gebruik van het vergunde bouwwerk is veranderd en niet meer ziet op het gebruik als bedrijfswoning. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het faillissement van vergunninghouder niet heeft miskend en terecht geen reden heeft gezien om het primaire besluit te herroepen en de bouwvergunning alsnog te weigeren.

Van een verleende bouwvergunning ten behoeve van een burgerwoning is geen sprake.

Het gebruik als burgerwoning is niet toegestaan en daartegen kan handhavend worden opgetreden.

3.8 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.A.J. de Gier, voorzitter, mrs. B.N. Crol en H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 24 december 2009.