Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK9799

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
183535
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Notaris stort abusievelijk een bedrag uit een depot op de rekening van één van beide ex-echtelieden en vordert dit terug op grond van onverschuldigde betaling.

Met de depotoverenkomst werd beoogd dat de ex-echtelieden elk een voorwaardelijk recht op uitkering zouden krijgen. Voorwaarde ten aanzien van de ontvangende ex-echtgenote niet vervuld, zodat aan haar onverschuldigd is betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183535 / HA ZA 09-646

Vonnis van 16 december 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. L.F. Nijenhuis te [woonplaats],

tegen

ILSE JELLEMA,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.L. van Zandvoort te Oss.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 juni 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is notaris en heeft in die hoedanigheid op 6 juni 2008 de eigendoms-overdracht aan een derde bewerkstelligd van het huis aan de [adres] te [woonplaats] van [gedaagde] en haar voormalige echtgenoot [betrokkene]. Die eigendomsoverdracht geschiedde in het kader van de echtscheiding van [gedaagde] en [betrokkene]. Omdat tussen hen nog verdere afrekening moest plaatsvinden in het kader van huwelijkse voorwaarden met een verrekenbeding waarover een procedure aanhangig was, is tussen de partijen overeengekomen dat de overwaarde van het verkochte huis bij [eiser] in depot zou blijven.

2.2 Bij de stukken bevindt zich een door [gedaagde] ondertekende depotovereenkomst gedateerd 4 juni 2008 waarin tussen [betrokkene] en [gedaagde] voor zover hier van belang is overeengekomen:

“1. De notaris van het kantoor [eiser] notarissen te [woonplaats] of diens plaatsvervanger houdt de netto-verkoopopbrengst conform de afrekening, zijnde de koopsom van de woning minus de (gebruikelijke) makelaarskosten, kosten van de notaris en kadaster (inclusief btw), hierna te noemen het depotbedrag, onder zijn berusting wegens het ontbreken van de overeenstemming van de verdeelsleutel van de netto-verkoopopbrengst van voormeld registergoed.

2. Partijen 1 ([betrokkene];rb) en 2 ([gedaagde];rb) verkrijgen ten gevolge hiervan een voorwaardelijke vordering op de notaris. Deze vordering wordt op één van de hierna vermelde wijzen onvoorwaardelijk:

- na ondubbelzinnige gelijkluidende schriftelijke opdracht van partijen 1 en 2, dan wel

- na een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. Alsdan zal het depotbedrag door de notaris worden uitgekeerd overeenkomstig die opdracht of dat vonnis.

3. Indien na verloop van vijf jaar na storting van het depotbedrag nog geen gelijkluidende opdracht is verstrekt en zolang geen gerechtelijke procedure hierover aanhangig is, is de notaris gerechtigd het depotbedrag tezamen met de rente zoals hierna bedoeld uit te keren aan ieder der partijen voor de helft.

4. Over het depotbedrag wordt door de notaris GEEN rente vergoed, aangezien er door de notaris GEEN (jaarlijkse) administratiekosten in rekening worden gebracht.”

2.3 De nettoverkoopopbrengst bedroeg € 44.390,10. Door een medewerker van [eiser] is dit bedrag abusievelijk gestort op een rekening van [gedaagde]. Door deze rechtbank is op enig moment daarna bepaald dat van het depot een bedrag van € 22.689,- uitbetaald diende te worden aan [betrokkene]. Toen [betrokkene] op grond daarvan aan [eiser] om uitbetaling verzocht in januari 2009 is ontdekt dat de nettoverkoopopbrengst niet in depot stond maar abusievelijk aan [gedaagde] was uitbetaald.

2.4 Bij brief van 19 januari 2009 is [gedaagde] gesommeerd het bedrag van € 44.390,10 binnen de in die brief gestelde termijn terug te betalen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 44.390,10, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2009 tot en met maart 2009 ad € 481,60 en voorts met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 april 2009 tot aan de dag van algehele voldoening alsmede met buitengerechtelijke kosten ad € 400,-.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] heeft de vordering tot terugbetaling van het depotbedrag primair gebaseerd op onverschuldigde betaling. [gedaagde] heeft betwist dat sprake is van onverschuldigde betaling omdat daarvan “pas sprake (kan) zijn als blijkt dat [eiser] -op het moment dat hij aan [gedaagde] betaalde- niet aan [gedaagde] het geld waar [gedaagde] recht op had kon of mocht betalen”.

4.2 Voor het antwoord op de vraag of het depotbedrag onverschuldigd aan [gedaagde] is betaald en [eiser] op die grond een terugvorderingsrecht heeft is de inhoud van de depot-overeenkomst van belang. Uit art. 2 daarvan blijkt dat de rechtsverhouding tussen de betrokkenen zo is geregeld dat [gedaagde] en [betrokkene] terzake van het depot een voorwaardelijke vordering op [eiser] kregen die slechts op één van de in art. 2 genoemde wijzen onvoorwaardelijk kon worden. Dat kan niet anders worden begrepen dan dat -voorzover hier van belang- [gedaagde] een vordering onder opschortende voorwaarde op [eiser] verkreeg.

4.3 Op zichzelf zou een vordering onder opschortende voorwaarde -ook al schort zo’n voorwaarde de werking van de verbintenis op- als een rechtsgrond in de zin van art. 6:203 BW voor de betaling zijn aan te merken. In art. 6:25 BW is echter met het oog hierop bepaald dat indien een krachtens een verbintenis onder opschortende voorwaarde verschuldigde prestatie vóór de vervulling van de voorwaarde is verricht, ongedaanmaking van de prestatie kan worden gevorderd op de voet van art. 6:203 BW e.v., zolang de voorwaarde niet in vervulling is gegaan. Het is niet gesteld of gebleken dat de voorwaarde ten aanzien van [gedaagde] op één van de wijzen als bepaald in art. 2 van de depotovereen-komst in vervulling is gegaan. Dat is kennelijk wel ten aanzien van [betrokkene] het geval geweest voor een bedrag van € 22.689,-, maar dat doet er niet aan af dat de vordering van [gedaagde] op de notaris voorwaardelijk is gebleven. Hoe dat vorderingsrecht gelet op art. 25 Wna en HR 12 januari 2001 NJ 2002, 371 juridisch precies geduid moet worden, behoeft hier geen uitwerking. Duidelijk is dat met de depotovereenkomst werd beoogd dat [gedaagde] een voorwaardelijk recht op uitkering zou krijgen. Zo’n voorwaardelijk recht op uitkering is op grond van art. 25 lid 4, eerste zin, Wna ook toegestaan. Aan [gedaagde] is daarom op de voet van art. 6:25 jo 6:203 BW het bedrag van € 44.390,10 onverschuldigd betaald. [eiser] is bevoegd, of het nu is als voorwaardelijk schuldenaar of als lasthebber die het beheer en de beschikking over de kwaliteitsrekening heeft, het onverschuldigd aan [gedaagde] uitbetaalde bedrag terug te vorderen.

4.4 Dat [gedaagde] er “op geen enkel moment bij (heeft) stilgestaan dat zij dit bedrag diende terug te betalen aan de notaris” doet daaraan, wat daarvan zij, niet af. Of [gedaagde] wist dat het bedrag haar op het moment van betaling niet uitbetaald behoorde te worden, is voor de vordering terzake van wettelijke rente niet van belang omdat die rente pas gevorderd is vanaf het moment dat [gedaagde] bij brief van 19 januari 2009 in verzuim was gebracht. Dat over het depot geen wettelijke rente zou worden vergoed, staat er niet aan in de weg dat de notaris, die het geld rentedragend had kunnen laten zijn, jegens [gedaagde] aanspraak kan maken op wettelijke rente.

4.5 De conclusie is dat de hoofdsom en de wettelijke rente daarover toewijsbaar zijn. De gevorderde buitengerechtelijke kosten niet, omdat niet gesteld of gebleken is dat er meer werk is verricht dan enkele herhaalde aanmaning. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure en die van de gelegde beslagen, behalve in de kosten van het beslag onder de ING. Ten aanzien van ING ontbreekt een exploot van overbetekening, zodat niet kan worden gecontroleerd of het beslag geldig is (art. 721 Rv).

5. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 44.390,10 (vierenveertig duizend driehonderdnegentig euro en tien cent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2009 tot aan de dag van algehele voldoening,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure alsmede in de kosten van de beslagen aan de zijde van [eiser] bepaald op € 1.492,25 voor verschotten en € 2.682,- voor salaris advocaat,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.