Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK9636

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
600841-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer, verklaringen minderjarige verdachte uitgesloten voor bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 97

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Kinderrechter

Parketnummer : [nummer]

Datum zitting : 05 november 2009

Datum uitspraak : 19 november 2009

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [naam]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2009 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen twee flessen drank, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer [nummer]).

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 05 november 2009 ter terechtzitting met gesloten deuren onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 30 uren werkstraf, subsidiair 15 dagen jeugddetentie.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie gevorderd de door de kinderrechter te Arnhem op 06 maart 2008 voorwaardelijke opgelegde werkstraf gedeeltelijk ten uitvoer te leggen, te weten 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie. Ten aanzien van het overige deel heeft de officier van justitie gevorderd de proeftijd te verlengen voor de duur van één jaar.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de verklaringen van verdachte niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden, nu tijdens het verhoor door de politie het pressieverbod, als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, geschonden is. Verdachte heeft weliswaar afstand gedaan van zijn consultatierecht, maar dat is, gezien het daartoe getekende formulier, onder ontoelaatbare druk gebeurd. Immers, op het formulier staat dat bij consultatie van een raadsman de verdachte in verzekering zal worden gesteld conform de richtlijnen. Derhalve dienen de verklaringen van verdachte van het bewijs te worden uitgesloten en dient verdachte vrijgesproken te worden van het hem tenlastegelegde.

Subsidiair voert de raadsman aan dat de verklaring van verdachte van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu er sprake is van strijd met artikel 6 EVRM en recente jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad, waaruit blijkt dat ondubbelzinnig afstand gedaan moet zijn van het consultatierecht, waarbij er sprake dient te zijn van een situatie waarbij de verdachte redelijkerwijs kan overzien wat de consequenties zijn van het doen van afstand. Hiervan is bij een minderjarige nimmer sprake, aldus de raadsman. Daarnaast dient een minderjarige erop gewezen te worden dat een raadsman ook tijdens het verhoor aanwezig mag zijn. Uit het dossier blijkt in ieder geval niet dat verdachte hierop is gewezen. Verdachte dient op grond van het voorgaande naar het oordeel van de raadsman te worden vrijgesproken.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van schending van het pressieverbod. Zij stelt daartoe dat zij er van uit gaat dat de politie goed aan verdachte heeft uitgelegd hoe de procedure verder zou verlopen, zonder daarbij oneigenlijke druk op verdachte uit te oefenen om te moeten kiezen uit het tekenen van de afstandsverklaring of het langer vast blijven zitten door een inverzekeringstelling. Verdachte heeft de afstandsverklaring ondertekend en gelet op zijn zestienjarige leeftijd, kan hij hier naar het oordeel van de officier van justitie ook aan worden gehouden. Hoewel dit niet uitdrukkelijk in de afstandsverklaring is opgenomen gaat de officier van justitie ervan uit dat door de politie aan verdachte wel is meegedeeld dat de raadsman ook tijdens het verhoor aanwezig mocht zijn.

De kinderrechter is van oordeel dat bij het politieverhoor op 26 juni 2009 van de toen nog vijftienjarige verdachte minderjarige zijn rechten zijn geschonden en zij sluit zijn bekennende verklaring om de volgende redenen voor het bewijs uit. Uitgangspunt is dat rekening gehouden dient te worden met de leeftijd en intellectuele en emotionele ontwikkeling en capaciteiten van een minderjarige verdachte vanaf het eerste moment van zijn betrokkenheid bij het politieonderzoek en met name tijdens een politieverhoor. De minderjarige is door de politie aangehouden en verhoord op verdenking van diefstal van 2 drankflessen bij [naam]. Onderzocht dient te worden in hoeverre de minderjarige op dat moment heeft begrepen wat de betekenis van het onderzoek was en wat er voor hem op het spel stond. Bij dit laatste wordt tevens beoogd begrip over een mogelijke straf en het recht om te mogen zwijgen.

In het politiedossier bevindt zich een formulier waarin als verklaring van de minderjarige is opgenomen: "U heeft mij gewezen op mijn recht, om voorafgaande aan mijn eerste verhoor overleg te plegen met een advocaat. U heeft mij ook uitgelegd dat indien ik gebruik wens te maken van dit recht, ik conform de richtlijnen in verzekering zal worden gesteld door een hulpofficier van justitie". Aangekruist is de zin: "Ik wens GEEN gebruik te maken van het recht tot consultatie van een advocaat voor aanvang van het verhoor."

De minderjarige heeft ter zitting aangegeven zich niet meer precies te kunnen herinneren dat hij bij de politie het in het dossier bevindende formulier heeft ondertekend waarin hij verklaart afstand te doen van het consulteren van een advocaat. Wel heeft hij ter zitting aangegeven dat het formulier met zijn handtekening is gesigneerd, zodat de kinderrechter er vanuit gaat dat de verdachte bij de politie het betreffende formulier heeft ondertekend. Met betrekking tot het verweer dat door de zinsnede over de in verzekeringstelling, verdachte ongeoorloofd onder druk is gezet, overweegt de kinderrechter het volgende. In het algemeen kan er vanuit worden gegaan dat het als druk zal worden ervaren als aan een minderjarige wordt uitgelegd dat hij in verzekering zal worden gesteld, indien hij een advocaat wenst te raadplegen. Dit zal immers tot gevolg hebben dat het verhoor enkele uren uitgesteld wordt en dat hij dus langer op het politiebureau dient te verblijven. In deze zaak is echter onvoldoende duidelijk geworden of de minderjarige duidelijk is gemaakt wat de betekenis van de zinsnede is, nu hij zich weinig meer kan herinneren van de gang van zaken bij het ondertekenen van het formulier, zodat het verweer op dit punt wordt afgewezen.

De gang van zaken geeft echter wel de zwakte aan van het middels een formulier vastleggen van de verklaring van een minderjarige verdachte. Hieruit blijkt immers ook niet of aan hem op zijn niveau is uitgelegd wat de reikwijdte zou kunnen zijn van het afstand doen van het recht op consultatie van een advocaat. In zijn zaak komt daar bij dat hij in een proeftijd loopt en dat een verklaring tevens invloed kan hebben op een vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

Tenslotte is in het formulier niet opgenomen dat de minderjarige verdachte er recht op heeft om tijdens het verhoor bijstand te hebben van zijn raadsman of een vertrouwenspersoon, zoals is overwogen door de Hoge Raad, 30 juni 2009, LJN BH 3079, in navolging van de uitspraken van het EHRM, Salduz en Panovitz. Verder blijkt evenmin uit het dossier dat de politie de minderjarige op dit recht heeft gewezen en de minderjarige kan zich daar ook niets van herinneren.

Nu de verdachte zich ter zitting uitdrukkelijk op zijn zwijgrecht heeft beroepen, moet het er voor worden gehouden dat hij bij het politieverhoor niet vrijwillig afstand heeft gedaan van het zwijgrecht en dat indien hij wel een advocaat had geraadpleegd hij van de aanvang af een andere proceshouding had bepaald door geen verklaring af te leggen. De kinderrechter zal derhalve deze verklaring buiten beschouwing laten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de kinderrechter op basis van de overige zich in het dossier bevindende stukken niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan en zij zal verdachte daarvan vrijspreken.

4. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting, alsmede gelet op het feit dat verdachte is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, acht de kinderrechter de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie onjuist en zij zal deze derhalve afwijzen.

5. De beslissing

De kinderrechter, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van hetgeen hem is tenlastgelegd.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling [parketnummer]

Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door:

mr. G.W. Brands-Bottema, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. Baaziz, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 november 2009.