Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK9430

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
190439
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ongeboren kind, ondertoezichtstelling, aan de moeder gerelateerde factoren

De kinderrechter spreekt de voorlopige ondertoezichtstelling uit en is met de Raad van oordeel dat het kind indien het door de moeder wordt verzorgd vanaf de geboorte volledig van haar afhankelijk zal zijn. Zorgen en risico’s over het gedrag van de moeder hebben dan een directe werking op het kind. Een eventuele bedreiging in de ontwikkeling van het kind zal dan ook gelegen zijn in factoren die gerelateerd zijn aan de moeder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 2
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/68

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en Jeugd

Zaakgegevens: 190439 / JE RK 09-16881

Datum uitspraak:

beschikking van de kinderrechter van 19 oktober 2009

in de zaak van

het op 24 september 2009 ingediende verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem, tot (voorlopige-) ondertoezichtstelling van:

ONGEBOREN KIND [naam],

hierna te noemen het kind.

De kinderrechter merkt daarnaast als belanghebbenden aan:

- [moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres].

- [man]

wonende op een onbekend adres.

Zodra het kind geboren is zal de moeder [naam] van rechtswege alleen het gezag uitoefenen.

Gezien de stukken, waaronder:

- het op 24 september 2009 verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) strekkende tot (voorlopige) ondertoezichtstelling van het kind;

- een het kind betreffende (concept) rapportage van de Raad, gedateerd 2 oktober 2009;

- een ter terechtzitting van 5 oktober 2009 door de raadsvrouw van de moeder overgelegde brief van [consulent] (consulent MEE, Gelderse Poort) aan de moeder;

- een op 8 oktober 2009 opgemaakte brief van de raadsvrouw van de moeder gericht aan de rechtbank met als bijlage een brief van [consulent] voornoemd;

- een brief van 9 oktober 2009 van de Raad, met bijlagen, waaronder een verslag van een telefoongesprek tussen [consulent] voornoemd en de Raad.

Het procesverloop

De zaak is zowel op 5 als op 12 oktober 2009 door de kinderrechter ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord daarbij:

- [moeder], bijgestaan door mr. Z. Charrat,

- [man]

- vertegenwoordiging van de Raad voor de Kinderbescherming,

- vertegenwoordiging van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland te Nijmegen.

De vertegenwoordigster van de Raad heeft ter terechtzitting van 12 oktober 2009 een pleitnota

overhandigd.

Vaststellingen en overwegingen

Vooropgesteld dient te worden dat het mogelijk is een kind al voor de geboorte ondertoezicht te stellen langs de weg van artikel 1: 2 van het Burgerlijk Wetboek waar de mogelijkheid is vastgelegd een kind tijdens zwangerschap als geboren aan te merken zo dikwijls als zijn belang dat vordert.

De ondertoezichtstelling wordt verleend indien sprake is van ernstige bedreiging van de gezondheid, de zedelijke of psychische belangen van het kind en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of zullen falen (artikel 1: 254 BW).

De Raad heeft in zijn verzoek en rapport factoren aangegeven op grond waarvan de Raad concludeert dat het vermoeden bestaat dat niet aan de basisbehoefte van zorg en veiligheid kan worden voldaan bij de geboorte van het kind. Door en namens de moeder en vader is dit betwist. De rol van de vader als opvoeder blijft onduidelijk. Op dit moment hebben de moeder en de vader een LAT- relatie. De moeder zal de primaire zorg gaan dragen voor het kind.

De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat het kind indien het door de moeder wordt verzorgd vanaf de geboorte volledig van haar afhankelijk zal zijn. Zorgen en risico’s over het gedrag van de moeder hebben dan een directe werking op het kind. Een eventuele bedreiging in de ontwikkeling van het kind zal dan ook gelegen zijn in factoren die gerelateerd zijn aan de moeder. Als factoren die gerelateerd zijn aan de moeder noemt de Raad dat de moeder en haar oudste twee kinderen slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld, seksueel misbruik en fysieke mishandeling en dat de moeder daardoor mogelijk ernstig getraumatiseerd is, dat zij niet is staat is geweest haar kinderen te beschermen, dat zij pedagogisch onmachtig is en niet in staat zelfstandig beslissingen te nemen, dat haar drie kinderen niet thuis wonen en dat zij een beperkt sociaal netwerk heeft.

Daarnaast is haar jongste dochter [jongste dochter] (geboren [geboortedatum]) ernstig verwaarloosd geweest en uithuisgeplaatst in 2008. Bij [jongste dochter] werden regelmatig blauwe plekken gezien en werden pusachtige korsten rondom haar anus en vagina gezien. Daarnaast was haar verzorging matig. [jongste dochter] is met ernstige uitdrogingsverschijnselen, waarbij zij meermalen gereanimeerd moest worden in het ziekenhuis opgenomen geweest. De moeder heeft niet weten te handelen toen het echt slecht ging met haar dochter [jongste dochter].

Bovenstaande aan de moeder gerelateerde factoren worden feitelijk niet betwist. Dat betwist wordt dat de moeder en de vader een strafrechtelijk verwijt wordt gemaakt ten aanzien van de problemen rond [jongste dochter] is niet dan wel van ondergeschikt belang, nu in deze procedure van belang is dat de ouders als de verantwoordelijke voor [jongste dochter] haar uitdrogingsverschijnselen waardoor zij in levensgevaar is gekomen niet hebben kunnen voorkomen.

Op grond van genoemde aan de moeder gerelateerde factoren acht de kinderrechter een begeleide kraamtijd van moeder en kind in het belang van het kind teneinde de basisbehoefte van zorg en veiligheid voor het kind te waarborgen.

Door de Raad is voorgesteld dat na de geboorte een observatieperiode van twee weken in het ziekenhuis (verlengde kraamtijd) volgt en aansluitend een plaatsing van minimaal zes weken van moeder en kind bij de J.P. van de Bent stichting (een LVG voorziening), waarbij bekeken moet worden hoe de opvoedings- en verzorgingsvaardigheden van moeder zijn en haar, zo mogelijk, voldoende zelfstandig te maken zodat zij in de thuissituatie zelf voor haar kind kan zorgen.

Door en namens de moeder en de vader is aangevoerd dat een verlengde kraamtijd ook zonder de maatregel van ondertoezichtstelling vrijwillig mogelijk is. Deze verlengde kraamperiode kan vervolgens in het vrijwillige kader gevolgd worden door een intensieve MEE thuiszorg van 8 uur per dag gedurende enkele weken, zoals door [consulent] aangegeven. De moeder wil meewerken, is leerbaar gebleken en heeft op advies van MEE en Bureau Jeugdzorg veranderingen aangebracht in haar situatie, zo heeft zij onder meer haar huis op orde gemaakt.

De kinderrechter is van oordeel dat nu het kind in de eerste weken na de geboorte volledig afhankelijk, kwetsbaar en weerloos is, risico’s voor bedreiging in de prille ontwikkeling van het kind zo veel mogelijk vermeden moeten worden. Een hulpverleningstraject zoals door de Raad voorgesteld waarbij de moeder en het kind voor een langere periode dan alleen de verlengde kraamtijd van twee weken 24 uur geobserveerd worden acht de kinderrechter gelet op de hiervoor geschetste risicofactoren bij de moeder in het belang van het kind en diens veiligheid. Als na de observatieperiode blijkt dat de moeder voldoende zelfstandig is om het kind aansluitend thuis op te voeden kan een hulpverlening van MEE intensieve thuiszorg een mogelijkheid zijn.

Namens de moeder is, met een beroep op “family life” als bedoeld in artikel 8 EVRM, aangevoerd dat de ouders een kans verdienen om zelf voor het kind te zorgen, waarbij verwezen is naar een uitspraak van de rechtbank Groningen (LJN BG4377).

Bedoelde uitspraak betreft een verzoek machtiging tot uithuisplaatsing waardoor de ouders niet zelf meer voor het kind kunnen zorgen. In deze zaak is geen verzoek tot machtiging uithuisplaatsing gedaan. In het kader van de ondertoezichtstelling worden de moeder en het kind tezamen geobserveerd, waarbij de zorg voor het kind bij de moeder blijft liggen. Het beroep op “family life” treft daarom geen doel.

Tevens is namens de moeder naar voren gebracht dat zij vrijwillig mee wil werken aan de door de Raad voorgestelde hulpverlening. Tijdens de mondelinge behandeling is de kinderrechter gebleken dat de moeder zegt mee te willen werken maar het liefst het kind thuis wil verzorgen en hulpverlening voor zichzelf niet echt nodig acht. Tegen die achtergrond acht de kinderrechter de vrijwillige medewerking van de moeder onvoldoende gewaarborgd.

Gelet op bovenstaande acht de kinderrechter gronden voor een voorlopige ondertoezichtstelling aanwezig.

De kinderrechter begrijpt dat de zwangerschap van de moeder voorspoedig verloopt en dat de reden dat de Raad verzoekt de ondertoezichtstelling te laten aanvangen vóór de bevalling is gelegen in het feit dat het mogelijk wordt gemaakt de ondersteunende hulpverlening reeds bij de geboorte geregeld te hebben.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling voorlopig uitspreken met ingang van heden en voor de duur van drie maanden en het verzoek voor het overige, in afwachting van rapportage van de Raad, aanhouden.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt, hangende het onderzoek het kind voorlopig onder toezicht, met ingang van 19 oktober 2009 voor de termijn van drie maanden, van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland vestiging Nijmegen;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem om binnen twee maanden na heden advies uit te brengen;

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.C. van Ginhoven, kinderrechter, in tegenwoordigheid van N. Rakraki als griffier en in het openbaar uitgesproken op