Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK8904

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
188980
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheidsincident. Weens koopverdrag; algemene voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 188980 / HA ZA 09-1522

Vonnis in incident van 16 december 2009

in de zaak van

de vennootschap naar Tsjechisch recht

AGRIS SPOL S.R.O.,

gevestigd te Nemcicky, Tsjechië,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. H.A.P. Pijnacker te Tilburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CAGEMAX COMMODITIES B.V.,

gevestigd te Zaltbommel,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. P.J.G.M. van Gool te Dordrecht.

Partijen zullen hierna Agris en Cagemax genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Partijen hebben zaken met elkaar gedaan en Agris vordert in de hoofdzaak betaling van een aantal facturen. Hiertegenover voert Cagemax aan dat op de desbetreffende overeenkomsten van partijen (de koopovereenkomsten) de HaFu (Hamburger Futtermittel) VII-voorwaarden van toepassing zijn, die in § 1 bepalen dat geschillen worden voorgelegd aan het scheidsgerecht van de Verein der Getreidehändler der Hamburger Börse e.V.

2.2. Cagemax vordert daarom dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij verwijst naar twee orderbevestigingen, C06090303 en C06090343 waarin Cagemax bevestigt dat Agris aan haar verkocht heeft. Hierin komt de tekst “Bedingungen HAFU VII” voor. Cagemax wijst op overzichten van reeksen leveringen in de periode tussen 5 januari 2007 en 3 juli 2008 waarop de nummers C06090303 en C06090343 voorkomen. Zij voert voorts aan dat de HaFu VII-voorwaarden bij eerdere overeenkomsten tussen partijen door Agris werden gebruikt, zodat Agris de inhoud ervan behoort te kennen. Agris voert gemotiveerd verweer. Zij betwist dat de door Cagemax overgelegde orderbevestigingen door haar aanvaard zijn en op de koopovereenkomsten betrekking hebben.

2.3. De rechtbank overweegt het volgende.

2.4. Op de koopovereenkomsten is, zoals Agris terecht en onweersproken stelt, het Weens Koopverdrag (CISG) van toepassing. Daarnaar moet de toepasselijkheid van algemene voorwaarden beoordeeld worden. Mede gelet op het in artikel 7 lid 1 CISG verwoorde beginsel van goede trouw in de internationale handel, is het voor de toepasselijkheid van algemene voorwaarden onvoldoende om in een orderbevestiging daar naar te verwijzen, zonder de tekst van de algemene voorwaarden voorafgaand of tijdens het sluiten van de overeenkomst ter beschikking te stellen. Van degene tot wie de orderbevestiging is gericht, kan niet zonder meer worden verlangd dat hij naar de inhoud van de algemene voorwaarden informeert. Om toepasselijkheid van de algemene voowaarden te bewerkstelligen, had Cagemax Agris dus op zijn minst genomen een redelijke mogelijkheid moeten bieden om voorafgaand aan of bij het sluiten van de overeenkomst op de hoogte te geraken van de HaFu VII-voorwaarden.

2.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Cagemax onvoldoende gesteld om, gelet op het voorgaande, tot de conclusie te kunnen komen dat beide partijen ten aanzien van de koopovereenkomsten hebben ingestemd met toepasselijkheid van de hen bekende HaFu VII-voorwaarden. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

2.6. De beide orderbevestigingen die Cagemax overlegt, zijn niet ondertekend door Agris en Cagemax stelt niet dat Agris ermee ingestemd heeft. Voorts stelt Cagemax wel dat een door Agris overgelegde orderbevestiging niet op de koopovereenkomsten van toepassing is, maar niet, althans onvoldoende onderbouwd, dat de door Cagemax overgelegde, niet ondertekende, orderbevestigingen daarop wél betrekking hebben. Uit de nummers van deze twee stukken, de facturen en de factuuroverzichten is geen verband tussen de door Cagemax overgelegde orderbevestigingen en de facturen af te leiden. Dat de nummers C06090303 en C06090343 op de door Cagemax overgelegde orderbevestigingen en de leveringsoverzichten voorkomen, koppelt deze stukken wel aan elkaar, maar koppelt niet de leveringsoverzichten of de beide orderbevestigingen aan de koopovereenkomsten.

2.7. Dit betekent dat niet vast staat dat de door Cagemax overgelegde orderbevestigingen op de koopovereenkomsten betrekking hebben. Zelfs als dat wél vast stond echter, zou nog niet voldaan zijn aan de onder 2.4 omschreven criteria omdat er dan slechts sprake was van vermelding van de voorwaarden in de orderbevestiging. Deze leidt op zichzelf nog niet tot toepasselijkheid van de voorwaarden.

2.8. De stelling van Cagemax dat Agris bij eerdere gelegenheden zelf de HaFu VII-voorwaarden zou hebben gebruikt, welke stelling overigens niet met concrete feiten onderbouwd is, kan op zichzelf niet de conclusie dragen dat zij van toepassing zijn op de koopovereenkomsten. Dit geldt des te sterker nu Agris een tussen partijen geldende orderbevestiging heeft overgelegd die niet naar deze voorwaarden verwijst.

2.9. De rechtbank verwerpt dus de stelling dat de HaFu VII-voorwaarden op de koopovereenkomsten van toepassing zijn. De door Agris opgeworpen vervolgvraag of de verwijzing naar de voorwaarden tot toepasselijkheid van een forumkeuzebeding kan leiden, komt reeds daarom niet meer aan de orde.

2.10. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen. Cagemax zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt Cagemax in de kosten van het incident, aan de zijde van Agris tot op heden begroot op € 1.849,00,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 januari 2010 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.