Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK8827

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/1950
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ruimtelijke onderbouwing; geurhinder door diervoederbedrijf; Nederlandse emissierichtlijn (NeR) en de daarin opgenomen "Bijzondere regeling Diervoederindustrie"; gemeentelijke beleidslijn.

Verweerder heeft, mede gelet op de onduidelijkheid betreffende de vergunde en feitelijk geurbelasting, onvoldoende gemotiveerd dat ter plaatse van het bouwplan uit een oogpunt van geurhinder een acceptabel woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/1950

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 8 december 2009

inzake

Brons Voorthuizen B.V., eiseres,

gevestigd te Voorthuizen, vertegenwoordigd door J.G. Schreuder,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder,

alsmede

Zegers Ontwikkeling B.V, partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te Ede (hierna: vergunninghoudster).

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 april 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft verweerder aan vergunninghoudster, met toepassing van een op 15 oktober 2008 verleende vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), een bouwvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van 10 seniorenwoningen met parkeergarage op het kadastrale perceel gemeente Voorthuizen, sectie F nr. 1561, gelegen achter Koninginnelaan 44 te Voorthuizen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar (grotendeels) ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 14 mei 2009 heeft vergunninghoudster zich gesteld als partij in het geding.

Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

3 november 2009. Voor eiseres is aldaar verschenen J.G. Schreuder, verbonden aan Schreuder Adviseurs te Putten. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. Hoekstra en mw.mr. G. Bellomo, ambtenaren der gemeente. Vergunninghoudster is verschenen bij haar directeur [directeur].

3. Overwegingen

Eiseres heeft een bedrijf dat zich bezighoudt met de productie van diervoeders in de breedste zin des woords met tevens een handel in diverse aan het bedrijf gerelateerde producten. Volgens het bestreden besluit bedraagt de afstand tussen de te realiseren woningen en het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting van eiseres 160 meter, tot de bedrijfsgebouwen 100 meter en tot de grens van het bouwperceel (waarop theoretisch bedrijfsgebouwen kunnen worden opgericht en waar emissie kan plaatsvinden) ca. 90 meter. Gelet op deze afstanden moet worden geoordeeld dat eiseres belanghebbende is bij het bestreden besluit, omdat door het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO de exploitatiemogelijkheden van het bedrijf van eiseres kunnen worden beperkt, alsmede omdat de door het bedrijf veroorzaakte hinder van invloed kan zijn op een acceptabel woon- en leefklimaat van de geprojecteerde woningen.

Eiseres betwist dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en heeft - mede met verwijzing naar haar eerder ingediende inspraakreactie, zienswijzen en bezwaren - aangevoerd dat vanwege de geur- en geluidhinder die het bedrijf veroorzaakt een goed woon- en leefklimaat niet kunnen worden gegarandeerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Ingevolge het bepaalde in artikel 9.1.10, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Aangezien het verzoek om vrijstelling vóór 1 juli 2008 door verweerder is ontvangen, is in dit geval de (oude) WRO van toepassing.

Het bouwplan is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Voorthuizen” (hierna: het bestemmingsplan) en heeft de bestemmingen “Eengezinswoningen III, “Voor en zijtuinen” en “Achtertuinen”.

Niet in geschil is - en ook voor de rechtbank staat vast - dat het project in strijd is met het bestemmingsplan.

Teneinde niettemin medewerking te kunnen verlenen heeft verweerder, onder toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO en overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb, vrijstelling verleend van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan, indien dit project past in de door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

De ruimtelijke onderbouwing van het project is neergelegd in de notitie "Ruimtelijke onderbouwing Koninginnelaan 44/46” van oktober 2008 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing). In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de relatie met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en zijn voorts onder meer de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van het bouwplan beoordeeld. Voorts staat vast dat het project past in één der door gedeputeerde staten aangegeven categorieën als hiervoor bedoeld en dat van die zijde voor het verlenen van vrijstelling geen verklaring van geen bezwaar is vereist. Op grond hiervan is aan de formele vereisten voor toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO voldaan.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat voor de beoordeling van de milieuaspecten in eerste instantie kan worden gewezen op de VNG-richtlijnen ”Bedrijven en Milieuzonering” (Mengvoederfabriek, SBI 1571). Op grond van deze richtlijnen geldt voor de inrichting van eiseres met betrekking tot geur en geluid een afstand van 200 meter. Verweerder heeft vervolgens terecht de conclusie getrokken dat het bouwplan op deze punten niet voldoet aan de VNG-afstandsnorm.

Wat betreft de aan te houden afstand in verband met de geuremissie door het bedrijf heeft verweerder - voor zover hier van belang - vervolgens overwogen dat sinds 12 maart 2008 de "Bijzondere regeling Diervoederindustrie" (hierna: bijzondere regeling) van toepassing is, zoals opgenomen in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). Verder heeft verweerder aangevoerd dat in 2005 de gemeentelijke "Beleidslijn beoordeling hindercirkel mengvoederfabriek Brons in Voorthuizen bij verzoeken om bestemmingswijziging” is vastgesteld, welke beleidslijn analoog kan worden toegepast bij een vrijstelling als thans in geding. Verweerder heeft vastgesteld dat het bouwplan buiten de in deze beleidslijn aangegeven hindercirkel valt en is van oordeel dat deze beleidslijn in overeenstemming is met de bijzondere regeling.

Met betrekking tot het aspect geluid heeft verweerder, met verwijzing naar een nader ingewonnen advies van de afdeling Milieu van 27 februari 2009, volstaan met het oordeel dat het woon- en leefklimaat van de appartementen is gewaarborgd en dat de bedrijfsvoering van eiseres niet wordt geschaad.

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder na afweging van de in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot de bestreden vrijstelling heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins in strijd heeft gehandeld met het geschreven of ongeschreven recht. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

De geurhinder.

De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) volgt dat door de ligging in een stankcirkel in beginsel geen goed woon- en leefklimaat in en rondom woningen kan worden gegarandeerd. De omstandigheid dat binnen een dergelijke cirkel al andere burgerwoningen staan, vormt in dit opzicht geen rechtvaardiging om nog meer woningen binnen die cirkel toe te staan (vgl. bijv: AbRS 1 oktober 2008, LJN BF3880). Bij de vraag of een vrijstelling als de onderhavige kan worden verleend dient verweerder dit aspect derhalve in zijn afwegingen te betrekken.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de door verweerder op 8 december 2005 vastgestelde beleidslijn een kaart bevat met een ovaalvormige hindercirkel rond het bedrijf van eiseres. Op grond van die beleidslijn worden binnen die contour aanvaardbare geurnormen overschreden en zijn nieuwe planologische ontwikkelingen niet mogelijk. Uit de "beoordeling inspraakreactie", waarnaar in de ruimtelijke onderbouwing expliciet is verwezen, blijkt dat genoemde contour is vastgesteld op basis van de productie van het bedrijf van eiseres, zoals die in de milieuvergunning van 1996 is aangegeven. Ter zitting is gebleken dat verweerder niet heeft onderzocht wat de (maximale) productieomvang was ten tijde van de vaststelling van de beleidslijn en derhalve evenmin welke gevolgen dit zou kunnen hebben voor de omvang van de hindercirkel. Dit klemt te meer nu door eiseres onweersproken is gesteld dat de feitelijke productie van het bedrijf reeds jaren op een niveau ligt dat omstreeks het dubbele bedraagt van de in 1996 bestaande productie. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat de beleidslijn van 2005 met de daarbij vastgestelde geurcontour een ontoereikende grondslag vormt voor verweerders standpunt dat ter plaatse van het bouwplan uit een oogpunt van geurhinder een acceptabel woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

De rechtbank overweegt verder dat uit de jurisprudentie van de AbRS volgt dat de bijzondere regeling als maatstaf voor de vaststelling van de toelaatbare geurbelasting kan worden gehanteerd (vgl. AbRS 16 september 2009, LJN BJ7776). Tussen partijen is zulks overigens niet in geschil. Op grond van de bijzondere regeling wordt de geurbelasting uitgedrukt in ouE/m3. Voor bestaande situaties geldt een acceptabel hinderniveau van 1,4 ouE/m3 als 98-percentiel en bij nieuwe situaties 0,7 ouE/m3 als 98-percentiel, welke waarden bij geurgevoelige objecten niet mogen worden overschreden.

De rechtbank heeft op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde vastgesteld dat verweerder ervan is uitgegaan dat het bouwplan buiten een hindercirkel ligt waar een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel geldt. Verwezen wordt in dit verband naar eerdergenoemde "beoordeling inspraakreactie" waarnaar in de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen en naar het "verslag zienswijze" dat als bijlage bij het primaire besluit van 20 oktober 2008 is gevoegd. Dit uitgangspunt is bij het bestreden besluit niet verlaten. Deze norm is kennelijk ontleend aan het rapport "Geuronderzoek veevoederfabriek Brons te Voorthuizen" van het Buro Blauw B.V. van 26 april 2007, welk rapport door eiseres bij haar aanvraag voor een nieuwe milieuvergunning van 27 april 2007 is gevoegd. Uit een door eiseres overgelegde passage uit dit rapport (blz.8, fig. 4.1) blijkt evenwel dat de geurcontour van 2 ge/m3 als 98-percentiel krachtens de voormalige bijzondere regeling Mengvoer (is gelijk aan 1 ouE/m3 in de thans vigerende bijzondere regeling) zonder het treffen van een tweetal geurreducerende maatregelen aanzienlijk ruimer is dan die waarvan verweerder is uitgegaan en dat het bouwplan ruimschoots binnen deze (ruimere) contour is gelegen. Pas na het treffen van bedoelde maatregelen, zo moet ook uit de nadere rapporten van het Buro Blauw van 28 april en 2 juni 2009 worden afgeleid, ontstaat een hindercirkel die het bouwplan niet raakt. Vaststaat dat deze maatregelen ten tijde van het bestreden besluit niet waren getroffen, terwijl deze voorzieningen ook thans nog niet aanwezig zijn. Ook in zoverre moet worden geoordeeld dat niet genoegzaam is komen vast te staan dat ter plaatse van het bouwplan een acceptabel hinderniveau geldt als bedoeld in de bijzondere regeling. Het bestreden besluit berust in zoverre op een niet toereikende motivering.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting merkt de rechtbank nog op dat in de bijzondere regeling is aangegeven welk hinderniveau geldt voor bestaande en voor nieuwe situaties. Verweerder is uitgegaan van een bestaande situatie, omdat het bedrijf van eiseres reeds aanwezig is. Eiseres is van oordeel dat hierbij de oprichting van het bouwplan maatgevend is en dat dus van een nieuwe situatie moet worden gesproken.

In de hiervoor genoemde uitspraak van de AbRS van 16 september 2009 is in dit verband tevens overwogen dat volgens paragraaf 2.5.4 van de NeR sprake is van een nieuwe situatie als voor de eerste keer een milieuvergunning wordt gevraagd voor een bepaalde activiteit. Bij een bestaande situatie is een activiteit reeds eerder vergund geweest en bij uitbreiding van een inrichting wordt het nieuwe gedeelte als een nieuwe situatie beschouwd. Dit betekent dat verweerder bij zijn nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens zal moeten bezien of, en zo ja in hoeverre, bij het bedrijf van eiseres sprake is van een uitbreiding van de inrichting sedert de laatst verleende geldende milieuvergunning uit 1996.

Voorts is onduidelijk gebleven of bij de bepaling van de hindercirkel de feitelijke of de maximaal vergunbare productie van het bedrijf maatgevend is, zodat verweerder zich ook hieromtrent een oordeel zal moeten vormen.

De geluidshinder.

Verweerders oordeel dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het bouwplan in dit opzicht is gewaarborgd steunt op de stelling dat voor het bedrijf een milieuvergunning geldt. Omdat de geluidsbelasting ten gevolge van het bedrijf van eiseres op de dichtstbij gelegen woningen is gemeten en bij die woningen een redelijk beschermingsniveau bestaat, moet het beschermingsniveau van de veel verder gelegen appartementen ten minste gelijkwaardig, maar naar verwachting hoger zijn, aldus verweerder.

De rechtbank gaat er in dit verband vanuit dat verweerder hierbij refereert aan de milieuvergunning die op 27 april 2007 is verleend. De AbRS heeft deze vergunning bij uitspraak van 21 oktober 2009 evenwel vernietigd, onder meer omdat verweerder daarbij (kort gezegd) zonder bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid hogere geluidsgrenswaarden voor de inrichting heeft vastgesteld, terwijl voorts de grenswaarde van 60 dB(A) voor het maximale geluidsniveau in de nachtelijke periode wordt overschreden en niet is voldaan aan de voorwaarden om deze waarde met ten hoogste 5 dB(A) te mogen overschrijden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat in elk geval tijdens de nachtelijke uren een te hoge geluidsbelasting vanwege het bedrijf van eiseres optreedt, zodat - anders dan verweerder stelt - geen sprake is van een redelijk beschermingsniveau bij de woningen in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf. Op grond hiervan is zonder nader onderzoek niet vast te stellen of ter plaatse van het bouwplan wel zodanig beschermingsniveau aanwezig is. Nu verweerder geen onderzoek met betrekking tot de door het bedrijf van eiseres veroorzaakte geluidsemissie heeft uitgevoerd op de onderhavige bouwlocatie, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Voor zover verweerder in dit opzicht de milieuvergunning uit 1996 als referentiekader mocht hebben gehanteerd, stelt de rechtbank vast dat het bedrijf van eiseres zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld tot een zogenaamd volcontinu bedrijf dat 24 uur per etmaal actief is. In de hierboven genoemde uitspraak van de AbRS is overwogen dat noch uit de milieuvergunning van 1996, noch anderszins is gebleken dat een volcontinu bedrijf eerder is toegestaan. Dit betekent dus dat voor het aannemen van een redelijk beschermingsniveau bij de woningen nabij de inrichting de milieuvergunning van 1996 niet als maatstaf kan dienen. Nu hiervoor reeds is vastgesteld dat de toelaatbare geluidsbelasting van laatstbedoelde woningen wordt overschreden, kan zonder nader onderzoek dus niet zonder meer worden aangenomen dat ter plaatse van het bouwplan in dit opzicht een redelijk beschermingsniveau aanwezig is.

Verweerder zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar mitsdien dienen te onderzoeken of de geluidsbelasting, veroorzaakt door het bedrijf van eiseres, in relatie tot de reeds bestaande overige geluidsbronnen en het normale omgevingsgeluid, al dan niet leidt tot een acceptabel woon- en leefklimaat in en rond de te bouwen woningen.

Naar aanleiding van hetgeen door vergunninghoudster nog is aangevoerd omtrent de door haar geleden en nog te lijden schade bij vertraging of annulering van het bouwplan, merkt de rechtbank ten slotte nog op dat, hoewel hiervoor terdege begrip bestaat, deze financiële belangen in de gegeven omstandigheden niet kunnen prevaleren boven het algemeen belang bij een acceptabel woon- en leefklimaat, ter waarborging waarvan nu eenmaal algemene en bijzondere regelgeving van kracht is die door de rechter dient te worden gerespecteerd.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 677,-, waarvan € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand en € 33,- wegens kosten van uittreksels uit het Handelsregister. Hierbij worden 2 punten toegekend voor de indiening van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting en de wegingsfactor wordt bepaald op 1. Van andere of meer kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de door eiseres ter zitting overgelegde declaratie vrijwel uitsluitend kostenposten bevat die geacht worden te zijn begrepen onder de forfaitaire vergoedings-regeling als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiseres met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 677,-;

bepaalt dat verweerder het door eiseres gestorte griffierecht van € 297,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries, voorzitter, mrs. D.J. Post en M.J.P. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 8 december 2009