Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK8656

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/1884
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade. Voorzienbaarheid. Concreet beleidsvoornemen dat ter openbare kennis is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/1884

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 26 november 2009

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 maart 2009, verzonden op 20 maart 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft verweerder het verzoek van eiser om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, conform het advies van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften van 23 juli 2007, het gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit van 27 februari 2007 herroepen en het verzoek van eiser om vergoeding van planschade, conform het advies van Kraan & De Jong te Den Haag van 26 september 2008, opnieuw afgewezen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat, kort samengevat, de planschade voor eiser volledig voorzienbaar was.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 23 oktober 2009. Eiser is daar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door Y.E.T. Hoogenboom en mr. A.E.M. van Halteren, beiden werkzaam bij de gemeente Lingewaard.

3. Overwegingen

3.1. De rechtbank stelt vast dat het door eiser ingediende planschadeverzoek dateert van 28 juli 2006, bij verweerder ingekomen op dezelfde dag, zodat ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening daarop het recht van toepassing is, zoals dat gold tot 1 juli 2008.

3.2. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

3.3. Volgens vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een geobjectiveerde vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van de planologische regimes met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

Een belanghebbende komt in een planologische nadeliger positie te verkeren, wanneer de bouw- en gebruiksmogelijkheden die op basis van het nieuwe planologische regime kunnen worden gerealiseerd, voor hem nadeliger zijn dan de mogelijkheden die op basis van het voorheen geldende regime maximaal werden toegestaan. Bij de beoordeling of sprake is van een planologisch nadeliger situatie ten gevolge van een planologische wijziging, zijn slechts ruimtelijke gevolgen relevant.

3.4. Het verzoek om toekenning van planschadevergoeding heeft betrekking op het besluit van 26 juni 2001, waarbij de rechtsvoorganger van verweerder (het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bemmel) ingevolge artikel 19 van de WRO vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend voor het bouwen van een consultatiebureau op het perceel hoek Van Voorststraat / Pater Rijkenstraat te Huissen alsmede op het besluit, verzonden op 22 september 2003, waarbij verweerder ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend voor het bouwen van 54 woningen op het perceel Rijkenstraat te Huissen (project Johannahoeve).

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser door deze – inmiddels in rechte onaantastbare – vrijstellingsbesluiten schade als bedoeld in artikel 49 van de WRO heeft geleden.

Verweerder betoogt dat hij het verzoek mocht afwijzen, omdat de door eiser geleden planschade volledig voorzienbaar was.

3.5. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 17 augustus 2005 in zaak nrs. 200406899/1 en 200406900/1) heeft de wetgever met artikel 49 van de WRO de schade die een belanghebbende lijdt ten gevolge van een planologische wijziging die hem in een nadeliger positie brengt niet voor diens rekening willen laten, behoudens in zoverre de schadeveroorzakende planologische wijziging voorzienbaar was ten tijde van de aankoop van de betrokken onroerende zaak of de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd.

Volgens vaste Afdelingsjurisprudentie (onder meer uitspraak van 26 september 2001 in zaak nr. 200100765/1) is de peildatum voor de voorzienbaarheid het moment waarop het geschade belang van aanvrager is ontstaan. Niet de dagtekening van de notariële akte is bepalend, maar de dagtekening van de (voorlopige) koopovereenkomst die daaraan meestal voorafgaat, in dit geval 8 november 2000.

Of sprake is van voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient volgens eveneens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 26 september 2001 in zaak nr. 200005612/1) te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie voor omwonenden in nadelig opzicht zou veranderen. In de jurisprudentie heeft de Afdeling deze standaardoverweging gepreciseerd met het vereiste dat sprake dient te zijn van een concreet beleidsvoornemen dat ter openbare kennis is gebracht (zie onder meer de hiervoor aangehaalde uitspraak van 17 augustus 2005). De algemene bekendmaking van een beleidsdocument is een absolute voorwaarde om risicoaanvaarding te mogen aannemen.

Ten aanzien van het besluit van 26 juni 2001 (consultatiebureau)

3.6. Verweerder baseert zijn standpunt dat voor eiser sprake was van voorzienbaarheid op een voorbereidingsbesluit en een brief van de Stichting Gehandicaptenbeleid Huissen.

3.6.1. In zijn vergadering van 23 mei 2000 heeft de raad van de voormalige gemeente Huissen ten behoeve van het realiseren van het consultatiebureau besloten dat er een bestemmingsplan wordt voorbereid voor het perceel gelegen tussen de Van Voorststraat en de Rijkenstraat. Nu dit besluit conform artikel 22, derde volzin, van de WRO op 14 juni 2000 in de Staatscourant (nr. 112) is gepubliceerd, moet geconcludeerd worden dat de schadeveroorzakende planologische wijziging ten tijde van de aankoop van de woning op 8 november 2000 voor eiser voorzienbaar was (actieve risicoaanvaarding). Het beroep is in zoverre ongegrond.

3.7. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank het volgende op. In de voorafgaande overwegingen heeft de rechtbank de beroepsgrond van eiser dat de hier bedoelde schadeveroorzakende planologische wijziging niet voorzienbaar was, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Als eiser wil voorkomen dat deze uitspraak op dit punt komt vast te staan, dan moet hij daartegen hoger beroep instellen.

Ten aanzien van het besluit, verzonden op 22 september 2003 (project Johannahoeve)

3.8. Verweerder baseert zich in dit verband op het Gemeenteblad (2000, nr. 41, agendapunt 8), het voorontwerpbestemmingsplan “Herontwikkeling Johannahoeve-Zuid”, de Nota Wonen 1999-2005, de vaststelling van de stedenbouwkundige randvoorwaarden herstructurering Johannahoeve, de projectbeschrijving Project Johannahoeve en een verzoek van [naam] van 28 september 2000.

3.8.1. In zijn vergadering van 9 november 2000 heeft de raad van de voormalige gemeente Huissen ten behoeve van het realiseren van het project Johannahoeve besloten dat er een bestemmingsplan wordt voorbereid voor het gebied Johannahoeve (gelegen tussen de Van Voorststraat, de Pilgrimstraat, de Wijngaarden en de Korte Loostraat) te Huissen. Dit besluit is op 22 november 2000 in de Staatscourant (nr. 227) gepubliceerd. Deze publicatiedatum is gelegen na het tijdstip van aankoop van de woning door eiser, zodat de hier bedoelde schadeveroorzakende planologische wijziging in zoverre voor eiser niet voorzienbaar was.

3.8.2. Met uitzondering van het verzoek van [naam] en de gemeentelijke reactie daarop bij brief van 1 november 2000, welke evenwel niet aangemerkt kan worden als een concreet beleidsvoornemen in vorenbedoelde zin, stelt de rechtbank vast dat de hiervoor genoemde documenten geen, althans niet volledig, deel uitmaken van de gedingstukken. Daaruit valt slechts op te maken dat de Nota Wonen 1999-2005, zijnde een nieuw Volkshuisvestingsplan van de voormalige gemeente Huissen, is vastgesteld in de raadsvergadering van 16 december 1999 en dat bij besluit van 12 oktober 2000 stedenbouwkundige randvoorwaarden herontwikkeling Johannahoeve (Bosmansstraat – Rijkenstraat – Ariënsstraat) zijn vastgesteld. Voorts heeft verweerder blz. 5 van de projectbeschrijving “Project Johannahoeve” (Vergroten van de betrokkenheid van bewoners bij hun leefomgeving) overgelegd. Verweerder heeft geen verifieerbare publicatiegegevens overgelegd. Het voorgaande betekent dat niet beoordeeld kan worden of voornoemde documenten concrete beleidsvoornemens bevatten die ter openbare kennis zijn gebracht. Hieruit volgt dat verweerder zijn stelling dat de hier bedoelde schadeveroorzakende planologische wijziging voor eiser voorzienbaar was ten tijde van de aankoop van zijn woning, feitelijke grondslag mist. Het beroep is in zoverre gegrond.

3.9. Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek van eiser om planschade als gevolg van het besluit, verzonden op 22 september 2003, is gehandhaafd. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

3.10. Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

3.11. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek van eiser om planschade als gevolg van het besluit, verzonden op 22 september 2003, is gehandhaafd en bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- bepaalt dat de gemeente Lingewaard het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.A.J. de Gier, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en mr. A.M.C.C. Tubbing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:26 november 2009