Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK7904

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
29-12-2009
Zaaknummer
176803
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overgelegde geschrift betreft een onderhandse akte. Art. 157 lid 2 Rv bepaalt dat een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij tussen partijen dwingend bewijs oplevert omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen. Gezien de tekst van de akte is deze bestemd te bewijzen, dat gedaagde een bedrag van DM 60.000,- (€ 30.677,51) als geldlening van eiser heeft ontvangen en dat hij daarover een rente van 4% per jaar verschuldigd is.

Art. 157 lid 2 Rv blijft ingevolge art. 158 lid 1 Rv buiten toepassing waar het onderhandse akten betreft waarin verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of vastgelegd, voorzover die verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, tenzij de akte handgeschreven is of voorzien van een goedschrift. Geconstateerd moet worden dat in de akte van geldlening zoals die is overgelegd,slechts verbintenissen van gedaagde zijn vastgelegd, namelijk tot betaling van rente en (uiteindelijke) terugbetaling van de geleende som aan Sehling, verbintenissen dus die strekken tot voldoening van een geldsom. Gedaagde betoog dat, nu het goedschrift ontbreekt, art. 157 lid 2 Rv buiten toepassing blijft en dat aan de onderhandse akte geen dwingende bewijskracht toekomt.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer faalt en overweegt daartoe als volgt. Art. 158 lid 2 Rv maakt een uitzondering op de werking van het eerste artikellid ingeval de verbintenissen door de schuldenaar zijn aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Nu gedaagde tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard dat de brief is opgesteld om aan de bank te kunnen laten zien teneinde een geldlening van die bank te kunnen verkrijgen ten behoeve van zijn autobedrijf, is de rechtbank van oordeel dat hij bij ondertekening van de overeenkomst d.d. 15 juli 1988 in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld. Ook de omstandigheid dat de overeenkomst is opgemaakt op briefpapier van het bedrijf van gedaagde wijst in die richting. Dit betekent dat art. 158 lid 1 Rv ten aanzien van de akte niet van toepassing is, zodat daaraan conform art. 157 lid 2 Rv dwingende bewijskracht toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 50

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 176803 / HA ZA 08-1853

Vonnis van 11 november 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. V. van Dijken,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit

- het vonnis in het incident d.d. 4 maart 2009,

- de conclusie van antwoord,

- het tussenvonnis van 29 april 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 16 juli 2009,

- de akte van [gedaagde] d.d. 19 augustus 2009,

- de akte houdende producties van [eiser] d.d. 19 augustus 2009,

- de antwoordakte houdende producties van [gedaagde] d.d. 16 september 2009,

- de antwoordakte van [eiser] d.d. 16 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] voerde in 1988 een eenmanszaak, een autobedrijf. Hij was destijds gehuwd met de dochter van [eiser].

2.2. Bij de stukken bevindt zich een geschrift, gedateerd 15 juli 1988 en door [eiser] en [gedaagde] ondertekend, dat voorzover hier van belang als volgt luidt:

“BEWIJS VAN GELDLENING, DARLEHNEN

Hierbij verklaart [ ] [gedaagde] geboren [geboortedatum] te [woonplaats], in lening te hebben gekregen een bedrag, groot DM 60.000, van de heer [ ] [eiser] geboren [geboortedatum] te [woonplaats].

Alles tegen een rente van 4% per jaar, terug te betalen per /-/-/.

(…)

Rente wordt jaarlijks afgerekend, 1ste maal per 31-12-88.”

Aan het hoofd van dit stuk staat: “[ ] [gedaagde] Exklusiv speciale automobielen”, gevolgd door een adres, Kamer van Koophandel nummer, bankrekeningnummer en de vermelding “Lid Bovag”.

2.3. In december 1999 heeft [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van HFL 20.000,00

(€ 9.075,60) betaald. Verder hebben er geen betalingen van [gedaagde] aan [eiser] plaatsgevonden.

2.4. Bij de stukken bevindt zich een brief met dagtekening 27 maart 2008, die mr. Van Dijken namens [eiser] aan [gedaagde] aangetekend en per gewone post heeft verzonden naar het adres [adres]. In deze brief staat, voorzover hier van belang:

“Op 15 juli 1988 heeft u met cliënt een geldleningsovereenkomst gesloten, waarbij cliënt u een bedrag ad DM 60.000,- (€ 30.677,51) heeft geleend. Voor het geleende is een rentepercentage van 4% per jaar overeengekomen. Tot op heden heeft u geen aflossing aan cliënt voldaan. Wel heeft u in december 1999 een bedrag van

€ 9.075,60 (HFL. 20.000,-) aan rente afgelost. Op grond van de overeenkomst heeft cliënt per datum van de dagtekening van deze brief een bedrag ad € 53.908,06 + p.m. aan aflossing en rente opeisbaar van u te vorderen.

Hoofdsom € 30.677,51

Rente verschuldigd tot 31/12/1999 € 17.421,41

Aflossing d.d. 31/12/1999 € 9.075,60

Rente verschuldigd tot heden € 14.884,74+

Totaal verschuldigd € 53.908,06

Deze brief dient u te beschouwen als een stuitingshandeling met betrekking tot de verjaring van zowel de lening als de rente die verschuldigd is over de lening.”

2.5. Tevens bevindt zich bij de stukken een brief van mr. Van Dijken gedagtekend 27 mei 2008 die aangetekend en per gewone post is verzonden aan [gedaagde] op het adres [adres II]. Op dit adres is (onder meer) het bedrijf van [gedaagde] gevestigd. In deze brief staat, voorzover van belang:

“Bijgaand* treft u kopieën aan van brieven die ik u reeds verzonden heb aan het adres [adres]. Gezien het feit dat ik niet zeker ben dat u deze ontvangen heeft, zend ik u deze nogmaals op dit adres. Indien ik binnen een week na dagtekening van deze brief niet van u vernomen heb, ga ik ervan uit dat u de brieven wel gelezen heeft, maar dat u daar niet op wilt reageren. In dat geval zal ik cliënt adviseren u in rechte te betrekken.”

2.6. Bij brief van 3 juni 2008 heeft mr. Bos-Hagens namens [gedaagde] aan mr. Van Dijken, voorzover van belang, geschreven:

“Tot mij heeft zich de heer [ ] [gedaagde] gewend en hij heeft mij uw brief d.d. 27 maart 2008 overgelegd. Cliënt stelt zich op het standpunt dat er in het geheel geen lening bij uw cliënt openstaat.

Voordat ik mij verder in deze zaak verdiep, verzoek ik u mij te laten weten wanneer en zo ja op welke wijze uw cliënt zijn vermeende vordering op mijn cliënt heeft gestuit. Uw stuiting treft m.i. geen doel, aangezien deze – als er al iets te stuiten zou zijn – te laat is.”

2.7. Bij brief van 23 juli 2009 aan mr. Van Dijken heeft mr. Bos-Hagens haar brief van 3 juni 2008 toegelicht. In dit stuk staat, voorzover hier van belang:

“Uw brief, die ik in mijn brief d.d. 3 juni 2008 beantwoord, ontving ik op een moment dat de heer [gedaagde] kennelijk enige dagen niet op het bedrijf vwas en de secretaresse niet wist wat ze met de brief aan moesten. Ik heb vervolgens de brief neutraal beantwoord in de veronderstelling enige duidelijkheid te verkrijgen.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van

€ 30.677,51 vermeerderd met de contractueel verschuldigde rente van 4% daarover vanaf 27 maart 2003 en vermeerderd met de wettelijke rente over de opeisbare contractuele rente. Verder vordert [eiser] terzake van de buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.158,-. De betaling die [gedaagde] in december 1999 heeft gedaan, had volgens [eiser] slechts betrekking op de achterstallige rente en betrof derhalve geen aflossing van de hoofdsom.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van art. 2 lid 1 EEX Vo. De partijen hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht.

4.2. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de akte van 15 juli 1988 slechts is opgemaakt om van de bank financiering voor zijn toenmalige bedrijf te kunnen krijgen, maar dat hij in werkelijkheid geen geld van [eiser] heeft geleend en niet ontvangen. Wat de akte van 15 juli 1988 betreft, betwist [gedaagde] niet dat hij het door [eiser] overgelegde geschrift heeft ondertekend, maar stelt hij dat daaraan geen waarde kan worden gehecht omdat het goedschrift ontbreekt.

4.3. Het overgelegde geschrift betreft een onderhandse akte. Art. 157 lid 2 Rv bepaalt dat een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij tussen partijen dwingend bewijs oplevert omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen. Gezien de tekst van de akte is deze bestemd te bewijzen, dat [gedaagde] een bedrag van DM 60.000,- (€ 30.677,51) als geldlening van [eiser] heeft ontvangen en dat [gedaagde] daarover een rente van 4% per jaar verschuldigd is aan [eiser].

4.4. Art. 157 lid 2 Rv blijft ingevolge art. 158 lid 1 Rv buiten toepassing waar het onderhandse akten betreft waarin verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of vastgelegd, voorzover die verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, tenzij de akte handgeschreven is of voorzien van een goedschrift. Geconstateerd moet worden dat in de akte van geldlening zoals die is overgelegd, afgezien van de verklaring dat [gedaagde]

DM 60.000,- als geldlening van [eiser] heeft ontvangen, slechts verbintenissen van [gedaagde] zijn vastgelegd, namelijk tot betaling van rente en (uiteindelijke) terugbetaling van de geleende som aan [eiser], verbintenissen dus die strekken tot voldoening van een geldsom. [gedaagde] betoogt dus dat, nu het goedschrift ontbreekt, art. 157 lid 2 Rv buiten toepassing blijft en dat aan de onderhandse akte geen dwingende bewijskracht toekomt.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer van [gedaagde] faalt en overweegt daartoe als volgt. Art. 158 lid 2 Rv maakt een uitzondering op de werking van het eerste artikellid ingeval de verbintenissen door de schuldenaar ([gedaagde]) zijn aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Nu [gedaagde] tijdens de comparitie van partijen op 16 juli 2009 heeft verklaard dat de brief is opgesteld om aan de bank te kunnen laten zien teneinde een geldlening van die bank te kunnen verkrijgen ten behoeve van zijn autobedrijf, is de rechtbank van oordeel dat hij bij ondertekening van de overeenkomst d.d. 15 juli 1988 in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld. Ook de omstandigheid dat de overeenkomst is opgemaakt op briefpapier van het bedrijf van [gedaagde] wijst in die richting. Dit betekent dat art. 158 lid 1 Rv ten aanzien van de akte van 15 juli 1988 die is opgemaakt door [eiser] en [gedaagde] niet van toepassing is, zodat daaraan conform art. 157 lid 2 Rv dwingende bewijskracht toekomt.

4.6. Op grond van art. 151 Rv moet de inhoud van de overeenkomst van geldlening voor waar worden aangenomen, behoudens tegenbewijs. Voor waar, behoudens tegenbewijs, moet dus worden gehouden dat [gedaagde] DM 60.000,- ten titel van geldlening van [eiser] heeft ontvangen. De rechtbank zal [gedaagde] tot het leveren van dit tegenbewijs toelaten, nu hij het aanbod daartoe heeft gedaan.

4.7. Voorzover [gedaagde] er niet in slaagt te ontzenuwen dat hij van [eiser] een geldlening heeft ontvangen, ligt het verweer van [gedaagde] ter beoordeling voor, dat de vordering van [eiser] op hem inmiddels is verjaard. Niet in geschil is dat voor de vordering van [eiser] op [gedaagde] in ieder geval een verjaringstermijn van 20 jaren geldt op grond van art. 3:307 lid 2 BW en voor de opeisbare rente een termijn van 5 jaar. [gedaagde] voert aan dat de overeenkomst van geldlening is getekend op 15 juli 1988 en dat de verjaring van de vordering in ieder geval niet vóór 15 juli 2008 door [eiser] is gestuit. De brief van 27 maart 2008 heeft [gedaagde] niet ontvangen, nu die brief is verzonden naar de Broekermolenweg 5A te Putten, terwijl hij in de GBA staat ingeschreven op het adres [adres II] te [woonplaats]. Ook de brief van 27 mei 2008 heeft de verjaring niet gestuit, stelt [gedaagde], nu hij hiervan pas na 15 juli 2008 kennis heeft kunnen nemen. De secretaresse die de brief in ontvangst heeft genomen, is niet in dienst van [gedaagde] en haar handelen kan niet aan [gedaagde] worden toegerekend.

4.8. De rechtbank stelt vast dat niet wordt betwist dat de brief van 27 mei 2008 vóór

15 juli 2008 is ontvangen op het adres [adres iV], waar [gedaagde] kantoor houdt. Daar is deze brief in ontvangst genomen door een secretaresse, werkzaam bij PB Electronics BV, die de brief heeft doorgezonden naar mr. Bos-Hagens. Laatstgenoemde heeft bij brief van 3 juni 2008 op de inhoud van de brief van 27 maart 2008 gereageerd met een brief aan mr. Van Dijken. Uit die brief blijkt dat de brief van 27 maart 2008 waarin [eiser] zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt bij het bedrijf van [gedaagde] vóór 3 juni 2008 is ontvangen, door de secretaresse van [gedaagde] is geopend en doorgezonden naar de advocaat. Daarmee heeft tijdige stuiting van de verjaring plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat de eventuele vordering terzake van de hoofdsom niet is verjaard en dat de vordering terzake van rente tot vijf jaren voor de stuiting niet is verjaard. De rechtbank verwerpt het standpunt van [gedaagde], dat de ontvangst van die brief door de secretaresse niet aan hem kan worden toegerekend. De rechtbank overweegt daartoe dat [gedaagde] zelf in het buitenland verbleef en voor die periode zijn postverwerking klaarblijkelijk zodanig had ingericht dat personeel van PB Electronics BV niet alleen de voor hem bestemde post in ontvangst nam maar bovendien de post inhoudelijk beoordeelde en actie ondernam als dat noodzakelijk leek. Gelet op deze omstandigheden en het bepaalde in art. 3:37, derde lid van het Burgerlijk Wetboek is de rechtbank van oordeel dat het niet tijdig kennis nemen van de stuiting van de verjaring voor rekening van [gedaagde] behoort te blijven.

4.9. Omtrent hetgeen partijen overigens over en weer hebben gesteld houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan, nu de rechtbank daaraan niet toekomt indien [gedaagde] slaagt in zijn tegenbewijs.

4.10. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. laat [gedaagde] toe tegenbewijs te leveren tegen het uit de overgelegde onderhandse akte voortvloeiende dwingende bewijs van het bestaan van de overeenkomst van geldlening en de ontvangst van het bedrag van DM 60.000,-,

5.2. bepaalt dat, indien [gedaagde] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. R.J.B. Boonekamp van deze rechtbank in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op 28 januari 2010 van 09.00 tot 12.00 uur,

5.3. bepaalt dat [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)- en aan de wederpartij moet berichten of hij bewijs door getuigen wil leveren en zo ja, onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen.

5.4. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)

- om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen en de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle bewijsstukken die zij nog in het geding willen brengen aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.