Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK7302

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
05/801473-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt sergeant-majoor tot een werkstraf en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder inbegrepen, vanwege dood door schuld in het verkeer. Bij de strafoplegging heeft de militaire kamer onder andere in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij onmiddelijk na het ongeval contact heeft gezocht met de nabestaanden om zijn medeleven te betuigen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Parketnummer : 05/801473-08

Datum zitting : 7 december 2009

Datum uitspraak : 21 december 2009

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

rang / rnr : sergeant-majoor, [nummer],

ingedeeld bij : vliegbasis te Volkel.

officier-raadsman : mr. luitenant-kolonel H. Faber, officier-raadsman te Breda.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 04 november 2008, te Langenboom, gemeente Mill en Sint

Hubert, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende over de weg, de Eikenlaan, gaande in de

richting van de kruising en/of (T-)splitsing van deze weg met de weg(en), de

Hogeweg/Graafseweg, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig

en/of onachtzaam, terwijl zich voor die kruising/(T-)splitsing een in zijn

richting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en

Verkeerstekens 1990 bevond inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de

kruisende weg" en/of voor die kruising/(T-)splitsing op het wegdek van die

Eikenlaan haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement

Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 waren aangebracht, inhoudende: "de

bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg",

terwijl het zicht ter plaatse door mist was beperkt, zonder te stoppen

voormelde kruising/ (T-)splitsing, is opgereden en/of overgereden en/of heeft

hij, verdachte, geen voorrang verleend aan de bestuurder van een over die

kruisende weg, de Hogeweg, rijdend en/of toen dicht genaderd zijnd ander

motorrijtuig (motorfiets) en/of is hij, verdachte, met zijn motorrijtuig

(personenauto) gebotst en/of in aanrijding gekomen met dat andere motorrijtuig

(motorfiets) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander

([slachtoffer]) werd gedood;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 04 november 2008 te Langenboom, gemeente Mill en Sint

Hubert, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee heeft

gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Eikenlaan, gaande

in de richting van de kruising en/of (T-)splitsing van deze weg met de

weg(en), de Hogeweg/Graafseweg, en/of terwijl zich voor die kruising/

(T-)splitsing een in zijn richting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het

Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 bevond inhoudende: "Verleen

voorrang aan bestuurders op de kruisende weg" en/of voor die

kruising/(T-)splitsing op het wegdek van die Eikenlaan haaientanden, als

bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

waren aangebracht, inhoudende: "de bestuurders moeten voorrang verlenen aan

bestuurders op de kruisende weg", zonder te stoppen voormelde kruising is

opgereden en/of overgereden en/of heeft hij, verdachte, geen voorrang verleend

aan de bestuurder van een over die kruisende weg, de Hogeweg, rijdend en/of

toen dichtgenaderd zijnd ander motorrijtuig (motorfiets) en/of is hij,

verdachte met zijn motorrijtuig (personenauto) gebotst en/of in aanrijding

gekomen met dat andere motorrijtuig (motorfiets), door welke gedraging(en) van

verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,

en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 7 december 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. luitenant-kolonel H. Faber, officier-raadsman te Breda.

De officier van justitie, mr. I.J.M. Monsma, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en daarnaast tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder inbegrepen, voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

Verdachte en zijn officier-raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op 4 november 2008 reed verdachte in zijn personenauto over de Eikenlaan te Langeboom, gemeente Mill en Sint Hubert. Het was op dat moment mistig en schemerig. De straatverlichting was nog niet in werking. Verdachte is een T-splitsing genaderd en is de Hogeweg/Graafseweg opgereden. De Hogeweg/Graafsweg is een voorrangsweg, hetgeen duidelijk is doordat vóór de T-splitsing met deze weg(en) een voorrangsbord is geplaatst en er haaientanden op de weg zijn aangebracht. De toegestane snelheid op deze wegen is 80 kilometer per uur. Verdachte heeft wel zijn snelheid verminderd maar heeft zijn voertuig niet geheel tot stilstand gebracht voordat hij de T-splitsing opreed. Tijdens het oprijden van deze T-splitsing heeft verdachte geen voorrang verleend aan een motorrijder en is hij met deze motorrijder in aanrijding gekomen. Als gevolg hiervan is de motorrijder, [slachtoffer], overleden.

Standpunten van de officier van justitie en verdediging

De vraag die thans aan de orde is, is of verdachte door zijn handelen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan het ongeval heeft. Heeft verdachte zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam gehandeld. De officier van justitie is van oordeel dat daarvan sprake is en heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zijn snelheid heeft teruggebracht voordat hij de T-splitsing opreed, dat hij geen noodzaak had om te stoppen, dat hij voldoende heeft gekeken en dat hij daarmee voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om het ongeval te voorkomen. De raadsman heeft daarom verzocht om verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde feit.

Beoordeling door de militaire kamer

Verdachte is een voorrangsweg opgereden waar de toegestane snelheid 80 kilometer per uur was. Op dat moment was het mistig. Verdachte verklaart bij de politie dat het “erg mistig” was en de twee getuigen [getuige1] en [getuige2], spreken van “behoorlijk mistig”. Hoewel de verklaringen en het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse dat na het ongeval is opgemaakt verschillen op het punt hoeveel meter zicht er was (50 à 75, 100 of 200 meter), blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij de naderende auto’s aan zag komen rijden “door de verlichting die zij voerden”. Hieruit concludeert de militaire kamer dat het zicht in ieder geval zo beperkt was dat verdachte de voertuigen zelf niet kon onderscheiden. Het was behalve mistig ook nog schemerig terwijl de straatverlichting nog niet in werking was, zo blijkt uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse.

Verdachte heeft daarbij een motorrijder niet gezien die hem van links naderde maar hij heeft wél de auto’s waargenomen die op dat moment op de wegen reden. Verdachte heeft dus wel gekeken voordat hij de weg opreed. Verdachte heeft zijn snelheid geminderd maar hij is niet helemaal gestopt voordat hij de T-splitsing opreed. Hij heeft de auto laten ‘doorrollen’, zo heeft hij zelf verklaard.

Van verkeersdeelnemers mag verwacht worden dat zij, voordat zij een voorrangsweg oprijden, zich er voldoende van vergewissen dat die weg vrij is. Wat zij moeten doen om daar voldoende zeker van te zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In de onderhavige zaak acht de militaire kamer de volgende omstandigheden van belang:

- Op de voorrangsweg was de maximaal toegestane snelheid 80 kilometer per uur, wat betekent dat het verkeer op die weg per seconde 22 meter kan naderen.

- Verdachte was ter plaatste bekend en omschrijft de T-splitsing zelf als een gevaarlijke T-splitsing.

- Het zicht was op het moment dat verdachte de weg naderde zo beperkt, dat verdachte de door hem waargenomen links en rechts naderende voertuigen zelf niet kon onderscheiden maar aan de koplampen zag dat zij er aan kwamen. Dit is van belang nu dit, naar wat van algemene bekendheid mag worden verondersteld, het risico vergroot dat het licht van een voertuig - met name dat van motoren - samenvalt met dat van een ander, waardoor één van die voertuigen niet wordt opgemerkt.

In deze omstandigheden mocht van verdachte worden verwacht dat hij voordat hij de voorrangsweg opreedt extra zorgvuldig vaststelde dat de weg vrij was en dat hij daarvoor voldoende de tijd nam. Uit de omstandigheid dat verdachte zijn auto niet heeft gestopt maar deze heeft laten doorrollen, volgt dat verdachte niet aan deze norm heeft voldaan. Ook nu er geen bord was geplaatst dat een verplichting om te stoppen aanduidt, had hij in voornoemde omstandigheden zijn auto moeten stoppen om zich er voldoende van te vergewissen dat hij geen naderend voertuig over het hoofd zag. Hij heeft, nu hij dit niet heeft gedaan en hij de motorrijder niet heeft opgemerkt, aanmerkelijk onzorgvuldig en onoplettend gehandeld. Dat hij de motorrijder over het hoofd heeft gezien en daarmee in aanrijding is gekomen is aan deze onzorgvuldigheid en zijn onvoldoende oplettendheid en dus aan zijn schuld toe te schrijven.

De militaire kamer acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 04 november 2008, te Langenboom, gemeente Mill en Sint

Hubert, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende over de weg, de Eikenlaan, gaande in de

richting van de (T-)splitsing van deze weg met de wegen de

Hogeweg/Graafseweg, aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig terwijl zich voor die kruising/(T-)splitsing een in zijn richting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 bevond inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg" en voor die kruising/(T-)splitsing op het wegdek van die Eikenlaan haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 waren aangebracht, inhoudende: "de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg",

terwijl het zicht ter plaatse door mist was beperkt, zonder te stoppen

voormelde kruising/ (T-)splitsing, is opgereden en heeft

hij, verdachte, geen voorrang verleend aan de bestuurder van een over die

kruisende weg, de Hogeweg, rijdend en toen dicht genaderd zijnd ander

motorrijtuig (motorfiets) en is hij, verdachte, met zijn motorrijtuig

(personenauto) in aanrijding gekomen met dat andere motorrijtuig

(motorfiets) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander

([slachtoffer]) werd gedood;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 3 november 2009;

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft op 4 november 2008 schuld gehad aan een ongeval als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Het gevolg daarvan moet bij de nabestaanden voor ontzettend veel pijn en verdriet hebben gezorgd. Immers, zij hebben als gevolg van andermans onvoorzichtigheid een dierbare verloren. De militaire kamer realiseert zich dat dit verlies niet in enige strafmaat is uit te drukken. Toch moet zij zich de vraag stellen welke straf hier in dit geval passend en geboden is.

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte weliswaar schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan het ongeval heeft gehad, maar dat het hier gaat om een, binnen de kaders van de geschonden norm, relatief lichte vorm van schuld. Dit dient dan ook tot uitdrukking te komen in de strafmaat. Daarnaast houdt zij in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest voor dergelijke feiten en met het feit dat hij na het ongeval contact heeft gezocht met de nabestaanden om zijn medeleven te betuigen.

Alles afwegende zal de militaire kamer aan verdachte een werkstraf opleggen van nader te noemen duur. Daarnaast zal zij aan verdachte opleggen een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder inbegrepen. De raadsman heeft daarover aangevoerd dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werkzaamheden op de vliegbasis. De militaire kamer is van oordeel dat de noodzaak daartoe onvoldoende is aangetoond om niet de ontzegging op te leggen die zij vanwege het ernstige gevolg van het ongeval wel noodzakelijk acht.

Zij ziet geen aanleiding om een deel van deze ontzegging voorwaardelijk op te leggen, zoals door de officier van justitie is geëist. De militaire kamer is ervan overtuigd dat verdachte voldoende is doordrongen van de ernst van het feit en de noodzaak om vanaf nu voldoende voorzichtigheid te betrachten in het verkeer.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4a..

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de

tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 60 (zestig) dagen.

B. een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder inbegrepen, voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat van deze ontzegging zal worden afgetrokken de tijd dat het rijbewijs van veroordeelde reeds eerder voor dit feit ingevorderd is geweest.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E. de Boer en mr. kolonel B.F.M. Klappe,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.A.M. Janssen (griffier),

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 december 2009.