Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK7088

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/1573
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag loonbelasting. De rechtbank is van oordeel dat de beoefening van de golfsport in het algemeen behoort tot de privésfeer. Indien zou moeten worden geoordeeld dat de kosten objectief gesproken kunnen bijdragen aan een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking moet worden voldaan aan het meerkostencriterium, hetgeen in dit geval niet aannemelijk is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 108
FutD 2009-2765
V-N 2010/12.20

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/1573

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 3 november 2009

inzake

[A] BV, gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag [aanslagnummer] Loonbelasting /premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) opgelegd van € 7.245.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 maart 2008 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 25 maart 2008, ontvangen bij de rechtbank op 26 maart 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend. Deze pleitnota is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2009 te Arnhem.

Eiseres is daar vertegenwoordigd do[A] en [B]. Namens verweerder is verschenen [C].

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan eiseres en de rechtbank.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres is opgericht op 1 mei 1992. Zij houdt zich bezig met de exploitatie van onroerende zaken. De (certificaten van) aandelen zijn geheel in handen van [A] (hierna: [A]), tevens enig werknemer van eiseres. Eiseres heeft in 2002 en 2003 uitgaven gedaan ter zake van het lidmaatschap van een golfvereniging voor [A] en zijn echtgenote.

Op 23 november 2006 heeft verweerder een boekenonderzoek aangekondigd over de jaren 2001 tot en met 2005. De bevindingen zijn vastgelegd in een rapport van 18 april 2007.

In het rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“4 Loonbelasting

4.1 Kostenvergoedingen en verstrekkingen

4.1.1 Lidmaatschap golfvereniging werknemers

In 2002 en 2003 zijn facturen betaald betreffende het lidmaatschap aangegaan door de directeur-grootaandeelhouder [A] en zijn partner met Golfclub [Q] ten bedrage van:

2002: € 4.266

2003: € 2.424

Vanaf het jaar 2004 worden deze kosten in privé gehouden.

De Belastingdienst is van mening dat contributies e.d., welke een inhoudingsplichtige betaald voor haar werknemers, voor de uitoefening van de golfsport als loon aangemerkt moeten worden. Dit standpunt is bevestigd door een uitspraak van het Hof Amsterdam van 29 april 2004 2002/06357). In deze uitspraak heeft dit Hof specifiek geoordeeld dat de kosten voor de golfsport (…) net als overige beoefening van sport en lidmaatschap van een sportvereniging in het algemeen in de privé-sfeer thuis hoort.

Uit deze uitspraak moet daarom de conclusie worden getrokken dat tenminste de gemaakte kosten voor bovengenoemde onderdelen voor een sporter als privé-bestedingen aangemerkt moeten worden en dat een kostenvergoeding welke hiervoor aan een werknemer is betaald (of betaling van deze kosten door de werkgever) als loon moet worden aangemerkt.”

De naheffingsaanslag LB/PVV is opgelegd tot een bedrag van € 7.245. Dit bedrag is als volgt samengesteld:

2002: € 4.266 * 108,3% = € 4.620

2003: € 2.424 * 108,3% = € 2.625

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of [A] een voordeel uit dienstbetrekking heeft genoten ten aanzien van het lidmaatschap van hem en zijn echtgenote van de Golfclub [Q].

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) is loon al hetgeen wordt genoten uit een dienstbetrekking.

Niet in geld genoten loon (loon in natura) wordt ingevolge artikel 13 Wet LB in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voorzover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing.

In artikel 11 Wet LB is, voorzover hier van belang, bepaald dat niet tot het loon behoren:

a. vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren (de vrije vergoedingen);

b. verstrekkingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren (vrije verstrekkingen).

Vrije vergoedingen zijn (zie artikel 15 Wet LB):

a. vergoedingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking;

b. andere vergoedingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als een beloningsvoordeel worden ervaren.

Vrije verstrekkingen zijn (zie artikel 17 Wet LB):

a. verstrekkingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking;

b. andere vergoedingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als een beloningsvoordeel worden ervaren.

De rechtbank is van oordeel dat de beoefening van de golfsport in het algemeen behoort tot de privé-sfeer. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit hier anders is.

Vaststaat dat zowel [A] als zijn echtgenote in 2002 en 2003 een lidmaatschap hadden bij Golfclub [Q]. Voorts is gebleken dat de kosten van het lidmaatschap vanaf 2004 in privé worden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar stelling, dat in dit geval het persoonlijke element niet overheerst omdat het lidmaatschap is aangegaan in het kader van de relatiebemiddeling, niet aannemelijk heeft gemaakt. Van vergoedingen en verstrekkingen ter bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is dan ook geen sprake.

Indien, in afwijking van hetgeen hiervoor is overwogen, zou moeten worden geoordeeld dat de kosten objectief gesproken kunnen bijdragen aan een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking van [A], zijn deze kosten slechts gemaakt ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voor zover zij meer bedragen dan de uitgaven die een belastingplichtige zou doen die niet een dienstbetrekking als die van [A] vervult, maar wat inkomen, vermogen en gezin betreft in dezelfde omstandigheden verkeert (Hoge Raad, 30 november 1977, BNB 1978/7). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, mede gelet op hetgeen verweerder met betrekking tot het inkomen van [A] heeft opgemerkt, niet aannemelijk gemaakt dat aan dit criterium wordt voldaan.

Voor zover eiseres nog heeft willen stellen dat sprake is van vrije vergoedingen en verstrekkingen omdat deze naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren, heeft zij deze stelling niet aannemelijk gemaakt.

Tussen partijen is niet in geding dat eiseres inhoudingsplichtige is. Ook is de waarde in het economische verkeer van de in de heffing van LB/PVV betrokken lidmaatschapskosten en overige kosten niet in geding. De naheffingsaanslag is dan ook terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres opgelegd.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. C.W.J. Lorenzo van Rooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 3 november 2009

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.