Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK6899

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
05/985089-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belastingfraude met overdracht van effectenportefeuille en valselijk opgemaakte geconsolideerde jaarrekening.

Verdachte heeft, als enig aandeelhouder van een holding, in 2001 zijn effectenportefeuille overgedragen aan een dochteronderneming van die holding. De verdediging en het Openbaar Ministerie verschillen van mening over de vraag op welke datum de eigendomsoverdracht, dat wil zeggen vanaf welke datum de effectenportefeuille voor rekening en risico van dochteronderneming is, heeft plaats gevonden. Verdachte stelt 12 maart 2001. Het Openbaar Ministerie is van mening dat de overdracht heeft plaatsgevonden op 5 juli 2001. Het verschil is van belang in verband met de belastingheffing bij verdachte in privé en bij de holding en daarmee van belang voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de eigendomsoverdracht van de effectenportefeuille in ieder geval niet heeft plaats gevonden op 12 maart 2001. Verdachte is aldus ter zake van Inkomsten- en Vennootschapsbelastingfraude en valsheid in geschrift veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. De holding is ter zake van Vennootschapsbelastingbelastingfraude veroordeeld tot een betaling van een geldboete van

€ 50.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/985089-07

Datum zitting : 12 november 2009

Datum uitspraak : 26 november 2009

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raads : mr. R. Croes-Hoogendoorn, advocaat te Rotterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

[verdachte] op of omstreeks 28 oktober 2003 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- een aangifte Vennootschapsbelasting over het Kalenderjaar 2001 of boekjaar 2001/2002 ten name van [verdachte] (D-02-B),

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft laten doen door (een) ander(en), immers heeft voornoemde rechtspersoon en/of haar mededader(s) opzettelijk op die bij/naar de Inspecteur der Belastingen te Arnhem en/of (elders) in Nederland ingeleverde/gezonden aangifte voor de Vennootschapsbelasting (over genoemd aangiftetijdvak) (blad 6) een onjuist en/of te hoog bedrag onder "Overige bedrijfskosten" (punt 19, algemeen) en/of aan "Waarderingsvermindering effecten" (onder punt 19k, rubriek 8639) en/of aan "Totaal overige bedrijfskosten" (onder punt 19o, rubriek 7607), en/of een te laag bedrag aan "Saldo fiscale winstberekening" (onder punt 21, rubriek 8711) en/of (blad 2) een te laag bedrag aan "Saldo fiscale winst" (onder punt 1h, rubriek 1208) en/of (blad 4) een te laag "Belastbaar bedrag" (onder punt 11, rubriek 2314) en/of (Bijlage) onder "1l Transacties of overeenkomsten met aandeelhouders-natuurlijke personen of transacties met verbonden lichamen" d.d. 12 maart 2001 als datum van overdracht van een pakket aandelen door de bestuurder en enig aandeelhouder van [verdachte] aan Safe Strategic Investments B.V., opgegeven en/of vermeld en/althans door die/een ander(en) laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(en) er toe heeft/hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 november 2009 ter terechtzitting onderzocht. Hoewel de dagvaarding correct is betekend, is daarbij namens verdachte niemand verschenen. Wel is verschenen de raadsvrouw van verdachte, mr. R. Croes-Hoogendoorn, advocaat te Rotterdam. Zij is uitdrukkelijk gemachtigd.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een betaling van een geldboete van € 50.000,-.

De raads heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Voor een beter begrip van het vonnis zal eerst in het kort worden aangegeven waar het in deze strafzaak in het bijzonder om gaat.

[verdachte] directeur en enig aandeelhouder van verdachte [verdachte] (hierna te noemen de Holding), heeft in 2001 zijn effectenportefeuille overgedragen aan Safe Strategic Investments B.V. (hierna te noemen Safe). De verdediging en het Openbaar Ministerie verschillen van mening over de vraag op welke datum de eigendomsoverdracht, dat wil zeggen vanaf welke datum de effectenportefeuille voor rekening en risico van Safe is, heeft plaats gevonden. [verdachte] stelt 12 maart 2001. Het Openbaar Ministerie is van mening dat de overdracht heeft plaatsgevonden op 5 juli 2001. Het verschil is van belang in verband met de belastingheffing bij [verdachte] in privé en bij de Holding en daarmee van belang voor de vraag of de Holding zich schuldig heeft gemaakt aan het haar ten laste gelegde feit.

3.1 De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte [verdachte] is directeur/enig aandeelhouder van de Holding. De Holding is enig aandeelhouder van Safe.

Voor de vennootschapsbelasting is sprake van een fiscale eenheid tussen Safe en de Holding. De bedrijfsresultaten van Safe worden gelet hierop verwerkt in de aangifte vennootschapsbelasting van de Holding.

[verdachte] heeft in 2001 zijn privé effectenportefeuille overgedragen aan Safe. Op 5 juli 2001 heeft [verdachte] aan ING-Bank, KBC-Bank en ABN-AMRO-Bank opdracht gegeven zijn privé effecten portefeuille over te boeken naar Safe.

Op of omstreeks 28 oktober 2003 heeft de Holding bij de Belastingdienst te Arnhem een aangifte vennootschapsbelasting als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gedaan over het kalenderjaar 2001 of boekjaar 2001/2001 ten name van [verdachte]. Die aangifte is ondertekend door [verdachte] als directeur/aandeelhouder.

In de bijlage bij deze aangifte is onder “1I Transacties of overeenkomsten met aandeelhouders-natuurlijke personen of transacties met verbonden lichamen” opgenomen: “…heeft op 12 maart 2001 de bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap een pakket aandelen overgedragen aan de 100% deelneming Safe Strategic Investments B.V.”

In het geval komt vast te staan dat de overdracht van de effectenportefeuille heeft plaats gevonden op 5 juli 2001 is:

- op blad 6 van de aangifte een onjuist en/of te hoog bedrag onder “Overige bedrijfskosten (punt 19, algemeen) en aan “Waarderingsvermindering effecten”(onder punt 19 k, rubriek 8639) en aan “Totaal overige bedrijfskosten” (onder punt 19o, rubriek 7607) en een te laag bedrag aan “Saldo fiscale winstberekening (onder punt 21, rubriek 8711) en

- op blad 2 een te laag bedrag aan “Saldo fiscale winst” (onder punt 1h, rubriek 1208) en

- op blad 4 een te laag “Belastbaar bedrag” (onder punt 11, rubriek 2314) opgegeven.

Uitgaande van een overdrachtsdatum van 5 juli 2001 is dan voor een bedrag van € 688.365,00 te weinig belasting geheven bij de Holding.

3.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Zij stelt, kort samengevat, dat uit de door haar genoemde documenten en verklaringen van getuigen blijkt dat de overdracht van de effectenportefeuille door [verdachte] aan Safe heeft plaats gevonden op 5 juli 2001. Dat wordt haars inziens bevestigd door de omstandigheid dat de door [verdachte] beweerde transactie op 12 maart 2001 in strijd met artikel 247 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet schriftelijk is vast gelegd. Bovendien zou volgens de Algemene Voorwaarden van de ING een dergelijke overdracht niet zijn toegestaan.

3.3 Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat [verdachte] op 12 maart 2001 de economische eigendom van de effectenportefeuille heeft overgedragen hetgeen kon plaatsvinden door enkele wilsovereenstemming tussen [verdachte] en Safe. Voor de belastingaangifte moet volgens de verdediging van dit moment van economische eigendomsoverdracht worden uitgegaan. Er is hoewel de bewijslast bij de officier van justitie ligt, veel bewijs dat [verdachte] op 12 maart 2001 wilsovereenstemming met Safe over de overdracht van effectenportefeuille had. Ten slotte stelt de verdediging dat het opzet op strafwaardig handelen ontbreekt.

3.4 Beoordeling

3.4.a De rechtbank is het met de verdediging eens dat het moment waarop de obligatoire overeenkomst tussen [verdachte] en Safe is gesloten, beslissend is voor de vaststelling van het moment van waar af de waardemutaties van de effecten voor rekening en risico van de BV zijn gekomen. Dat vastlegging van dat ogenblik, zoals genoemd in artikel 247 Boek 2 van het Burgerlijke Wetboek, veel later heeft plaats gevonden staat aan het tot stand komen van de overeenkomst niet in de weg. Evenmin staan de Algemene Voorwaarden van de ABN-AMRO daaraan in de weg. Nog daargelaten of de ABN-AMRO in 2001 dezelfde voorwaarden hanteerde als in 2009, dat staat immers niet vast, levert handelen in strijd met die voorwaarden nog niet op dat daarmee de obligatoire overeenkomst geen werking zou hebben.

Met betrekking tot het bewijs gaat het er dus om of bewezen kan worden dat [verdachte] op 5 juli 2001, althans in ieder geval op een latere datum dan 12 maart 2001 zijn effectenportefeuille heeft overgedragen aan Safe.

3.4.b De raadsvrouwe is van mening dat zij voldoende heeft aangetoond dat [verdachte] op 12 maart 2001met Safe tot wilsovereenstemming is gekomen. Zij beroept zich in de eerste plaats op de verklaring van [verdachte] en op de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst op 28 februari 2002. Verder beroept zij zich op de (schriftelijke) verklaringen van de getuigen [getuige1] van Ernst & Young, [getuige2] van ABN AMRO, [getuige3] van ING, [getuige4], belastingsadviseur van [verdachte], [getuige5], extern administratief adviseur, [getuige6], juridisch adviseur van [verdachte], en [getuige7], notaris. Voorts beroept de raadsvrouwe zich op de goedkeuring van de jaarrekening door Ernst & Young.

3.4.c De rechtbank overweegt hierover het volgende:

Op 21 december 2001 is ten kantore van Ernst & Young een bespreking geweest waar aanwezig waren [getuige4] van BDO als adviseur van [verdachte], [getuige8], [getuige9] en [getuige1] van Ernst & Young. De aanwezigen zijn het er, aldus de notitie naar aanleiding van de bespreking, over eens dat er onvoldoende basis is om de transactie van 12 maart 2001 in de aangifte 2001 te verwerken, waarbij wordt uitgegaan van de waarde van de aandelen op 12 maart 2001. [verdachte] wordt gebeld om een afspraak te maken. [verdachte] wijst dit af. Wat hem betreft is de zaak afgedaan en wordt de transactie uitgevoerd. Hij benadrukt dat deze handeling geheel voor eigen rekening is en dat hij iedereen wil vrijwaren. [verdachte] kondigt aan de opdracht te zullen opzeggen als Ernst & Young en BDO niet mee werken. Uiteindelijk is de conclusie dat Ernst & Young geen goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2001 zullen afgeven en dat de aangifte vennootschapsbelasting niet door Ernst & Young wordt ondertekend.

Op 16 januari 2002 vindt een volgende bespreking plaats bij Safe, waar dan aanwezig zijn [verdachte], [getuige6], [getuige4], [getuige9] en [getuige1]. Het belangrijkste discussiepunt is het al dan niet kunnen aantonen van een wilsovereenstemming tussen Safe en [verdachte] op 12 maart 2001. Het verslag vermeldt: “Helaas is nagelaten (… ) de overeenkomst tijdig te laten registreren. Hierdoor ontbreekt een onomstotelijk bewijs van wilsovereenstemming. De wilsovereenstemming wordt zelf niet ter discussie gesteld. Immers de heer [verdachte] heeft dit herhaaldelijk bevestigd en zal additioneel een schriftelijke verklaring van de heer [getuige5] vragen om dit te staven. Voorts zal de heer [getuige4] een verklaring verstrekken dat hij op 21 maart is geconsulteerd met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst.

Ondanks het herhaaldelijk attent maken door Ernst & Young en [getuige4] dat er grote risico’s worden genomen, is de heer [verdachte] ervan overtuigd dat het een eerlijke zaak is en dat hij desnoods tot de rechter door zal gaan om zijn gelijk te halen”.

Naar aanleiding van deze bespreking schrijft [getuige4] op 15 maart 2002 aan [verdachte]: “U vertelde mij op 21 maart 2001 dat u op 12 maart 2001 besloten had alle effecten en beleggingen die u in privé hield op die dag te hebben verkocht aan Safe Strategic Investments BV.” [getuige5] schrijft op 4 februari 2002 aan [verdachte]: “Hierbij bevestig ik het telefoongesprek wat wij op 12 maart 2001 hebben gevoerd. U belde mij om advies, hoe te handelen met de effectenportefeuille (….). [Ik] heb […] u dringend geadviseerd per direct de gehele effectenportefeuille tegen dagwaarde te verkopen aan Safe Strategic Investments BV.”

Onder druk van [getuige1] en [getuige9] is een koopovereenkomst gedateerd 28 februari 2002 geredigeerd.

Gezien de besprekingen op 21 december 2001 en 16 januari 2002 heeft het er alle schijn van dat de verklaringen van [getuige4] en [getuige5] en de conceptovereenkomst uitsluitend zijn opgesteld om het bewijs met betrekking tot de datum 12 maart 2001 rond te krijgen. Dat komt de geloofwaardigheid van die stukken niet ten goede. Bovendien houdt de verklaring van [getuige5] niet meer in dan een advies aan [verdachte] en de verklaring van [getuige4] niet meer dan de mededeling van [verdachte] dat hij op 12 maart 2001 zijn effecten had verkocht aan Safe. Zij verklaren slechts wat [verdachte] hen heeft verteld.

Nu de schriftelijke koopovereenkomst van 28 februari 2002 uitsluitend tot stand is gekomen om tot een goedkeurende verklaring van de accountant te komen en de overeenkomst bovendien pas op een zeer laat tijdstip is opgesteld, kan daaraan weinig (bewijs) waarde worden gehecht voor wat betreft het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst.

In het licht van het voorgaande volgt ook uit het feit dat de jaarrekening door Ernst & Young is goedgekeurd niet dat er op 12 maart 2001 daadwerkelijk wilsovereenstemming bestond tot overdracht van de effectenportefeuille.

De raadsvrouwe beroept zich voorts op de brief van [getuige2] van 31 juli 2001 dan wel 6 november 2001. Deze brief bevat de volgende passage: “Maandag 12 maart 2001 heeft u mij gebeld met de vraag of het een goed plan was om uw effectenportefeuille van privé naar de vennootschappelijke sfeer over te brengen. Ik heb u toen na enige overwegingen gezegd dit een goed idee te vinden.” Ook hieruit volgt nog niet dat de overdracht ook daadwerkelijk op 12 maart 2001 heeft plaats gevonden. Het komt de betrouwbaarheid van deze brief bovendien niet ten goede nu uit de stukken blijkt dat er een brief is gedateerd 31 juli 2001 en een identieke concept brief van een latere datum, namelijk 6 november 2001, waarvoor geen verklaring is gegeven.

De verdediging haalt nog een brief aan van [getuige6]. In die ongedateerde brief schrijft [getuige6]: “Begin maart van het jaar 2001 heb je mij gevraagd wat ik ervan zou vinden als je die privé effecten zou overdragen aan Safe B.V. Daarop heb ik geantwoord dat mij dat een goede gedachte leek. Nadien heb ik begrepen dat je onder druk van je drie banken per 12 maart van dat jaar tot handelen bent overgegaan.” Uit die brief valt niet meer op te maken dan wat [verdachte] tegen [getuige6] heeft gezegd en dat [getuige6] nadien zou hebben begrepen dat [verdachte] onder druk van de drie banken per 12 maart 2001 tot handelen zou zijn overgegaan. Ook de door de verdediging genoemde brief van [getuige6] en [getuige3] van 11 december 2006 bevat geen passage waaruit blijkt dat er op 12 maart 2001 effecten zijn overgedragen. De rechtbank ziet ook overigens in het dossier geen enkele aanwijzing voor de juistheid van het standpunt van de verdediging dat de brieven van de ING van 12 en 28 februari 2001, inhoudende een dreigend liquideren van de effectenportefeuille als de overstand niet wordt aangevuld, er toe hebben geleid dat [verdachte] zijn effectenportefeuille op 12 maart 2001 heeft overgedragen.

De inhoud van het tapgesprek van 22 maart 2001 wordt door zowel officier van justitie als door de verdediging aangehaald ter onderbouwing van hun standpunten. Uit die tap blijkt dat [verdachte] in verband met zijn effectenportefeuille en de mogelijke verliezen daarop, van [getuige3] het koersverloop van de fondsen per 12 maart 2001 13.00 uur wil weten. Daaraan valt ten voor of nadele van het ene of ander standpunt weinig af te leiden.

Het door de raadsvrouwe gepresenteerde materiaal bevat in hoofdzaak verklaringen die juist hun bron vinden in wat [verdachte] heeft meegedeeld over de door hem gestelde transactie op 12 maart 2001. Objectief materiaal, zoals een op of kort voor of na de transactie opgemaakte overeenkomst of andere bescheiden van rond die tijd, ontbreekt.

Daar staat tegenover, zoals hieronder in 3.4.d weergegeven, een aantal bescheiden die dateren uit de tijd voor 5 juli 2001 en die zijn opgemaakt voordat er ook maar sprake was van een probleem met betrekking tot de datum van transactie.

3.4.d Op 12 maart 2001 heeft [verdachte] op zijn kantoor in Leerdam een delegatie van ING ontvangen. Van de kant van ING waren aanwezig [betrokkene1] [betrokkene2] en [getuige3]. In dat gesprek is de verhoging van de kredietlimiet in rekening-courant van [verdachte] tot 3 miljoen euro aan de orde. Het verslag van de bespreking vermeldt: “Met [verdachte] is besproken om (indien mogelijk) een aanbod te doen voor verhoging van de limiet waarbij hij een deel van de limiet niet zal gebruiken, die blijft dus als buffer achter die functioneert als een ´stand-by-faciliteit om forse schommelingen van de beurzen op te vangen. Stel de faciliteit wordt hfl 3 mio, dan kan daarvan hfl 1 mio als ruimte gereserveerd worden voor opvang van deze schommelingen. Hij kan dan hfl 2 mio gebruiken om beleggingen aan te kopen. Bespreekbaar zou nu wel moeten zijn dat hij de bestaande debetstand aanzuivert.”

[betrokkene1], [betrokkene2] en [getuige3] zijn daarover gehoord. Zij verklaren ieder voor zich dat bij de bespreking van 12 maart 2001 niet is gesproken over de overdracht van de effectenportefeuillevan [verdachte] naar Safe.

Op 19 maart 2001 stuurt [betrokkene3] van KBC aan [betrokkene4] van ABN-AMRO een fax waarin is vermeld dat [verdachte] overweegt binnen twee maanden ongeveer 5 miljoen over te boeken van uit B.V. naar privé.

Op 2 juni 2006 schrijft notaris [getuige7] een bevestiging aan [verdachte] dat [verdachte] eind maart 2001 met zijn kantoor contact heeft opgenomen in verband met het “voornemen” van [verdachte] om (een deel van) zijn effectenportefeuille over te dragen.

Op 1 juni 2001 schrijft [verdachte] aan ING dat zijn verzoek om kredietverhoging in zijn geheel niet is behandeld terwijl dit de reden van het bezoek was op 13.02.01 (bedoeld is kennelijk 12.03.01 rb).

Op 18 juni 2001 antwoordt KBC-Bank schriftelijk aan [verdachte] op zijn verzoek een financieringsopzet beleggingsportefeuille te maken. Daarin doet de bank onder meer het voorstel om de beleggingsportefeuille in zijn geheel over te laten nemen door een aparte vennootschap.

Op 18 juni 2001 stuurt [betrokkene5] Hoofd Vermogensbeheer & Beleggingen KBC een e-mail naar [betrokkene6], accountmanager KBC met onder meer de volgende inhoud: “Ik had zojuist de heer [verdachte] (…) uitgebreid aan de telefoon n.a.v onze brief. (…) 3. Het vehikel heet niet Schreuders Sport Investment BV maar “Safe Strategic Investment”. Overigens is hij er nog niet uit of de beleggingen in privé of BV komen. Hij neigt naar BV en morgen komt [betrokkene7] langs voor een advies.”

In een notitie van 9 juli 2001 van een gesprek op 4 juli 2001 tussen [betrokkene4] van ABN-AMRO en onder meer [verdachte] is vermeld dat het belangrijkste punt van bespreking de privé effectenportefeuille is. [verdachte] wil de portefeuilles met terugwerkende kracht van 21 maart inbrengen in Safe. .

Op 5 juli 2001 stuurt [verdachte] een brief naar ING, ABN-AMRO en KBC met het verzoek zijn effectenportefeuille voor rekening en risico van Safe Strategic Investments B.V. te laten lopen.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de overeenkomst over de overdracht en levering van de effecten van [verdachte] aan Safe niet op 12 maart 2001 tot stand is gekomen maar pas op een latere datum.

3.4.e De raadsvrouwe heeft nog aangevoerd dat geen bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan volgen omdat de officier van justitie twee cruciale fouten in de tenlastelegging heeft gemaakt. In de eerste plaats maakt de officier van justitie geen onderscheid tussen economische en juridische overdracht, wat niet onbelangrijk is omdat voor de belastingaangifte alleen de economische overdracht bepalend is. Ten tweede zijn de effecten niet van de Holding aan Safe overgedragen maar van [verdachte] persoonlijk aan Safe.

Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

In deze zaak is met de overdracht bedoeld het moment waarop de effectenportefeuille voor rekening en risico is gekomen voor Safe. Dat was volgens [verdachte] op 12 maart 2001, volgens de Belastingdienst op 5 juli 2001. Daar is geen onduidelijkheid over.

Wat betreft het tweede punt. De tenlastelegging is geënt op de tekst van de bijlage bij de aangifte vennootschapsbelasting. In de bijlage bij de aangifte vennootschapsbelasting en in de toelichting op de geconsolideerde jaarrekening is, zoals hiervoor al geciteerd, opgenomen: “Op 12 maart 2001 heeft de bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap een pakket aandelen overgedragen aan de 100% deelneming Safe Strategic Investments BV.”

De bestuurder en enig aandeelhouder is [verdachte] en vast staat dat [verdachte] privé zijn effectenportefeuille heeft overgedragen. De toevoeging privé in de bijlage/toelichting was meer correct geweest. Gelet op de behandeling ter zitting heeft dit echter niet tot enige verwarring geleid. Er bestaat geen enkel misverstand over dat de officier van justitie in de tenlastelegging de aandelentransactie van [verdachte] privé naar Safe bedoelt weer te geven. De rechtbank leest en begrijpt de tenlastelegging dan ook in die zin.

3.5 Conclusie

Omdat de effecten in de periode 12 maart 2001 en 5 juli 2001 aanzienlijk in waarde waren gedaald was de datum 12 maart 2001 belastingtechnisch gezien gunstiger voor [verdachte] en voor de Holding. Van wilsovereenstemming op 12 maart 2001 tussen [verdachte] en Safe blijkt anders dan uit de verklaring van [verdachte] niets. Integendeel, uit de hiervoor onder 3.4.d genoemde bewijsmiddelen wordt afgeleid dat [verdachte] in maart 2001 hoogstens een voornemen heeft gehad om zijn effectenportefeuille over te dragen aan Safe.

Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de overdracht van de effectenportefeuille in ieder geval niet heeft plaats gevonden op 12 maart 2001 kan het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

[verdachte] op 28 oktober 2003 te Arnhem opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- een aangifte Vennootschapsbelasting over het Kalenderjaar 2001 of boekjaar 2001/2002 ten name van [verdachte]

onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft voornoemde rechtspersoon opzettelijk op die bij/naar de Inspecteur der Belastingen te Arnhem ingeleverde/gezonden aangifte voor de Vennootschapsbelasting (over genoemd aangiftetijdvak) een onjuist en/of te hoog bedrag onder "Overige bedrijfskosten" en aan "Waarderingsvermindering effecten" en aan "Totaal overige bedrijfskosten" en een te laag bedrag aan "Saldo fiscale winstberekening" en een te laag bedrag aan "Saldo fiscale winst" en een te laag "Belastbaar bedrag" en onder "1l Transacties of overeenkomsten met aandeelhouders-natuurlijke personen of transacties met verbonden lichamen" d.d. 12 maart 2001 als datum van overdracht van een pakket aandelen door de bestuurder en enig aandeelhouder van [verdachte] aan Safe Strategic Investments B.V., opgegeven en/of vermeld dat feit er toe heeft gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de financiële omstandigheden van verdachte. Daarbij is onder meer gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte van 10 juli 2009.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft eenmalig, in 2001 onjuiste aangifte vennootschapsbelasting gedaan. De door de officier van justitie bij haar requisitoir overgelegde berekening van het strafrechtelijk nadeel wordt door de rechtbank overgenomen.

Door de gepleegde belastingfraude heeft de Nederlandse staat en dus ook de samenleving een groot nadeel geleden, te weten in totaal € 688.365,-. De rechtbank is van oordeel dat dit vergrijp, mede gelet op het enorme benadelingsbedrag, dusdanig ernstig is dat er geen andere straf dan de geëiste geldboete passend en geboden is.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte nooit eerder voor een dergelijk delict is vervolgd en/of veroordeeld.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 51 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 69 en 72 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert zoals vermeld onder punt 4a.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een betaling van een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend euro),

Aldus gewezen door:

mrs. H.P.M. Kester-Bik (voorzitter), P.J. van den Broeke en G.M.L. Tomassen, in tegenwoordigheid van S.P.H. Brinkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 november 2009.