Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK6500

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
14-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/5197
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tennishal met nevenruimten. Parkeernorm. Bestrijdingsmiddelen. Landschapsstructuurplan. Licht- geluid- en verkeershinder. Economische uitvoerbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/5197

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 24 november 2009

inzake

[eiser] en [eiseres], eisers,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. F.W. van Dijk,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder,

alsmede

Tennisvereniging “Keltenwoud”, partij ex artikel 8:26 van de Awb,

gevestigd te Bennekom (hierna: vergunninghouder)

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 oktober 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2007 heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling en reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een tennishal met nevenruimten en het realiseren van een tenniscomplex op het perceel Langschoterweg ongenummerd te Bennekom (hierna: het perceel).

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eisers gemaakte bezwaar, conform het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften van 5 februari 2008, deels gegrond verklaard en voor het overige het eerder genoemde besluit van 7 november 2007, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 9 maart 2009 heeft vergunninghouder zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 23 oktober 2009. Eiser [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. F.W. van Dijk, advocaat te Wageningen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H. van Laar en M.G. van Tel, beiden werkzaam bij de gemeente Ede. Namens vergunninghouder zijn [vgh 1] en [vgh 2] verschenen.

3. Overwegingen

3.1. De rechtbank stelt vast dat de bouwaanvraag in april 2007 bij verweerder is ingekomen, zodat daarop ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening het oude recht van toepassing is, zoals dat gold tot 1 juli 2008.

3.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een tennishal met nevenruimten (project Tenniscomplex Keltenwoud) op het perceel. Dit plan dient ter vervanging van het huidige tenniscomplex van vergunninghouder aan de Selterskampweg te Bennekom. Eisers zijn woonachtig ten zuidoosten van het project en exploiteren een boomkwekerij direct grenzend aan de gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd.

3.3. Ingevolge artikel 56a, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, mag slechts en moet de bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien het bouwen niet voldoet aan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening dan wel in strijd is met een bestemmingsplan.

3.4. Het perceel waarop het bouwplan is geprojecteerd is gelegen in het gebied waarvoor thans het bestemmingplan “Artikel 30-herziening Agrarisch Buitengebied” geldt.

Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank sluit zich daarbij aan, dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften van dit bestemmingsplan.

3.5. Ingevolge artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Woningwet, voor zover hier van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, tweede volzin, van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of een intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

3.6. Nu voor het project een voorontwerpbestemmingsplan (“Tenniscomplex Keltenwoud”) is opgesteld waarover zowel de provinciale diensten als de VROM-Inspectie positief hebben geadviseerd, past het bouwplan in de door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en kan dit plan als basis dienen voor een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO, zodat hierin geen beletsel is gelegen voor de toepassing van dat artikellid. Derhalve faalt het betoog van eisers dat in dit geval sprake is van een oneigenlijke toepassing van de vrijstellingsprocedure.

3.7. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer uitspraak van 8 april 2009 in zaak nr. 200805628/1) betreft artikel 19, tweede lid, van de WRO een zelfstandige projectprocedure, waarbij geen regel zich ertegen verzet die toe te passen bij belangrijke ruimtelijke ingrepen, zolang dit in overeenstemming met de daarvoor geldende besluitvormingsprocedure geschiedt. Is aan de toepassingsvoorwaarden voldaan, waaronder het vereiste dat een vrijstelling moet zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, dan komt het bestuur bij de besluitvorming omtrent de vrijstelling grote beleidsvrijheid toe, in aanmerking genomen de aard van de daarbij te maken afweging die in hoge mate politiek en bestuurlijk is. De rechter dient de beslissing terughoudend te toetsen, dat wil zeggen zich te beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

3.8. Eisers betogen dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voeren zij het volgende aan.

3.9. Eisers stellen dat de vraag of er voldoende parkeergelegenheid is, door verweerder zeer marginaal is beantwoord. Daarbij merken zij op dat de mogelijkheid van dubbelgebruik van de parkeervoorzieningen bij het zwembad onvoldoende is onderzocht, te meer nu niet inzichtelijk is gemaakt of deze parkeervoorzieningen reeds voor het zwembad voldoende zijn.

3.9.1. Deze stelling treft geen doel. Blijkens het voorontwerpbestemmingsplan “Tenniscomplex Keltenwoud”, dat als ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling dient, zijn voor de nieuwe tennisaccommodatie in theorie 47 parkeerplaatsen nodig maar kan in de praktijk met een aantal van 45 worden volstaan, waarbij rekening is gehouden met de mogelijkheid van dubbelgebruik van de parkeervoorzieningen van het naastgelegen openluchtzwembad (De Vrije Slag). Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij zich bij het bepalen van de parkeerbehoefte heeft gebaseerd op de door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) uitgegeven publicatie “Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004)”. Hierin zijn kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimumaantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar onder meer de functie van het gebouw, opgenomen, die gebruikt kunnen worden bij de berekening van de parkeerbehoefte. Volgens vaste Afdelingsjurisprudentie (onder meer uitspraak van 6 augustus 2008 in zaak nr. 200708504/1) heeft het bestuursorgaan de vrijheid bij de toepassing van artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening van de in de ASVV 2004 neergelegde kencijfers gebruik te maken. Mede gelet op het verhandelde ter zitting, in het bijzonder de toelichting van verweerder op de gekozen combinatie van hantering van de minimale parkeernorm met het hiervoor genoemde dubbelgebruik, is de rechtbank niet gebleken dat verweerder in dit geval (12 buitenbanen, 4 binnenbanen en een clubhuis met een oppervlakte van 300 m2) de parkeerbehoefte onjuist heeft vastgesteld.

3.10. Eisers stellen verder dat verweerder geen, althans onvoldoende, rekening heeft gehouden met de mogelijke gevolgen van de toepassing van bestrijdingsmiddelen ten behoeve van hun boomkwekerij voor het gebruik van het beoogde tenniscomplex. Daarbij verwijzen eisers naar de Afdelingsuitspraken van 14 februari 2007 in zaak nr. 200604539/1 en 26 augustus 2009 in zaak nr. 200806020/1.

3.10.1. Ook deze stelling mist doel. In de ruimtelijke onderbouwing is neergelegd dat de introductie van het tenniscomplex geen invloed heeft op de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de boomkwekerij van eisers geen nadelige invloed ondervindt van het beoogde tenniscomplex. Ook omgekeerd vormen de milieu-invloeden uit de (directe) omgeving volgens verweerder geen belemmering voor de vestiging van het tenniscomplex. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van verweerder onjuist is. De door eisers aangehaalde Afdelingsuitspraken hebben betrekking op de afstand tussen voorziene woningbouw en direct in de nabijheid daarvan gelegen (fruit)boomgaarden en zien dus op andere gevallen dan hier in geding.

3.11. Eisers achten het onbegrijpelijk dat verweerder het in het Landschapsstructuurplan voor het gebied tussen Ede en Bennekom (juli 1993) neergelegde beleid nu verlaat, terwijl hun eerdere plannen omtrent nieuwbouw zijn afgewezen.

3.11.1. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat in het hiervoor genoemde Landschapsstructuurplan de mogelijkheid wordt opengehouden om de Havikse Eng, zoals het gebied wordt genoemd waarin het bouwplan is geprojecteerd, op de langere termijn te benutten als woningbouwlocatie. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat de vestiging van een tenniscomplex een minder zware inbreuk op de landschappelijke- en ecologische waarden van dit gebied oplevert dan de realisering van een woonwijk met een hoog bebouwingspercentage. Daarbij komt dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende aandacht is besteed aan de wijze waarop het project landschappelijk wordt ingepast. Voorts neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat het door eisers overgelegde Landschapsplan Groene Wig Ede-Bennekom (februari 2009) – dat overigens dateert van na de datum van het bestreden besluit en gezien kan worden als een actualisering van het in het Landschapsstructuurplan neergelegde beleid – wordt ingegaan op ruimtelijke ontwikkelingen in en rond de Groene Wig. Daarin worden de nieuwe functies op de Havikse Eng genoemd, waaronder het in geding zijnde tenniscomplex.

3.12. Ook stellen eisers dat het bouwplan onaanvaardbare licht-, geluid- en verkeershinder tot gevolg heeft.

3.12.1. Met lichthinder doelen eisers op de verlichtingsarmaturen van het tennispark. Samen met de ballenvangers vormen deze volgens de ruimtelijke onderbouwing de belangrijkste ruimtelijke elementen. Voorts is daarin vastgelegd dat de visuele uitstraling hiervan beperkt blijft tot het terrein zelf, met name door de rondom aangebrachte houtsingels. Verlichting van zowel wegen, (parkeer)terreinen en paden alsook van de tennisbanen dient een zo beperkt mogelijke uitstraling naar de omgeving te krijgen. De toepassing van lichtmasten met een beperkte hoogte, armaturen met een doelmatige lichtspreiding en de afschermende werking van de beplanting spelen hierbij een grote rol. Ook is in de ruimtelijke onderbouwing neergelegd dat de overige kwalitatieve uitgangspunten voor de inrichting van het terrein opgenomen zijn in het apart vervaardigde beeldkwaliteitplan.

Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai is in de ruimtelijke onderbouwing geconcludeerd dat van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder geen sprake is en voorts dat er met betrekking tot het aspect geluid geen belemmeringen zijn.

3.12.2. Nu eisers hun standpunt dat gelet op de te verwachten overlast voor de omgeving in de vorm van licht-, geluid en verkeershinder een zorgvuldiger planologische afweging had moeten worden gemaakt, niet (nader) hebben onderbouwd en niet gezegd kan worden dat de ruimtelijke onderbouwing op deze onderdelen ondeugdelijk is, kan deze beroepsgrond evenmin slagen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet aannemelijk is dat als gevolg van het project het aantal verkeersbewegingen ter plaatse substantieel zal toenemen en voorts de niet geringe afstand tussen het project en de woning van eisers.

3.13. Eisers stellen zich ook op het standpunt dat de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan onvoldoende is aangetoond.

3.13.1. Nu gebleken is dat het tenniscomplex reeds is gerealiseerd en in gebruik is genomen, treft ook deze stelling geen doel.

3.14. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet gebleken is dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

3.15. Rest tot slot de vraag of verweerder bij afweging van alle in aanmerking te nemen belangen tot het verlenen van de vrijstelling heeft kunnen komen.

In dit kader voeren eisers aan dat hun nieuwbouwplannen voor de vestiging van een tuincentrum zijn afgewezen. Voorts wijzen zij erop dat de vestiging van een garagebedrijf (Heida) wel is toegestaan. Volgens eisers verhouden deze feiten zich niet met het bestreden besluit.

3.15.1. Vastgesteld wordt dat de gronden waarop eisers de nieuwbouw wensen te plegen en de locatie waarop de hervestiging van garagebedrijf Heida is voorzien niet vallen in hetzelfde gebied als de beoogde tennisaccommodatie waarvoor het voorontwerpbestemmingsplan “Tenniscomplex Keltenwoud” de planologische grondslag biedt. Voor de verplaatsing van het garagebedrijf wordt een apart bestemmingsplan opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank reikt de te maken belangenafweging niet zover dat daarbij met de door eisers in dit kader aangevoerde feiten rekening had moeten worden gehouden. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder in redelijkheid niet tot zijn besluit om vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

3.16. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de betogen en stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.17. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. A.A.J. de Gier en mr. A.M.C.C. Tubbing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom , griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 24 november 2009