Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK6184

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/939
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BY5457, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Functie van brandweercommandant, tevens (Regionaal) (Hoofd) Officier van Dienst en Regionaal Officier Gevaarlijke Stoffen is niet bezwarend, nu in overwegende mate en op afstand leidinggevende en coördinerende werkzaamheden worden verricht en slechts in incidentele gevallen wordt deelgenomen aan de fysieke brandbestrijding of hulpverlening. Ook op basis van het aantal uitrukken, waarbij eiser als (Regionaal) (Hoofd) Officier van Dienst dan wel Regionaal Officier Gevaarlijke Stoffen is opgeroepen èn ter plekke is gegaan, bestaat er geen aanleiding om zijn functie als bezwarend aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/939

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 november 2009

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. R.F. van der Ham,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente], verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 30 januari 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn functie van brandweercommandant niet kan worden aangemerkt als een bezwarende functie in de zin van het overgangsrecht functioneel leeftijdsontslag (FLO) zoals opgenomen in hoofdstuk 9b van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 11 september 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.F. van der Ham, juridisch adviseur te Rotterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

Tevens is de heer P. van Ommen, werkzaam als intergemeentelijk brandweercommandant van de geclusterde brandweerkorpsen van [gemeente 2] en [gemeente], als beëdigd getuige voor verweerder gehoord.

3.Overwegingen

Eiser, geboren op [geboortedatum], is met ingang van 1 augustus 2001 aangesteld in de functie van brandweercommandant bij de voormalige gemeente [gemeente 3], thans de gemeente [gemeente]. Voor deze functie was het FLO vastgesteld op 60 jaar.

Eiser is daarnaast met ingang van 1 juni 2004 gedetacheerd bij de regionale brandweer [regio] en daar ingezet als Officier van Dienst en later als Hoofdofficier van Dienst of Officier Gevaarlijke Stoffen.

In het kader van het arbeidsvoorwaardenbeleid gemeenten 2005-2007 is besloten tot afschaffing van het FLO per 1 januari 2006. In hoofdstuk 9a van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) is de regeling voor nieuwe medewerkers in bezwarende functies neergelegd. Hoofdstuk 9b van de CAR/UWO bevat overgangsrecht.

Bij brief van 5 februari 2008 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van zijn voornemen om de functie van brandweercommandant, zoals eiser die op 31 december 2005 vervulde, niet aan te merken als een bezwarende functie in de zin van het FLO-overgangsrecht zoals opgenomen in hoofdstuk 9b van de CAR/UWO. Dit betekent dat op eiser het overgangsrecht niet van toepassing is.

Ten aanzien van dit voornemen heeft eiser bij brief van 24 februari 2008 zijn zienswijze gegeven. Op 29 april 2008 heeft eiser zijn zienswijze mondeling toegelicht.

Bij het in rubriek 2 genoemde besluit van 22 juli 2008 heeft verweerder zijn voornemen ten uitvoer gelegd. Dit besluit is, na bezwaar, bij het bestreden besluit gehandhaafd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers functie op de peildatum 31 december 2005 niet als een bezwarende functie kan worden aangemerkt. Dit standpunt is gebaseerd op het aantal uitrukken, waarbij eisers inzet bij de daadwerkelijke brandbestrijding werd gevraagd, en de feitelijke inhoud van eisers werkzaamheden op die datum. Volgens verweerder verrichtte eiser bij een uitruk in de eerste plaats coördinerende en leidinggevende werkzaamheden en nam hij in beginsel niet deel aan de fysieke brandbestrijding of hulpverlening.

Eiser heeft, kort samengevat, aangevoerd dat van de zijde van verweerder

FLO(-overgangsrecht) is toegezegd en dat zijn functie wel degelijk een bezwarende functie is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser heeft aangevoerd dat hij recht heeft op FLO, omdat in zijn aanstellingsbesluit staat dat voor zijn functie de FLO-regeling is vastgesteld op 60 jaar. Tevens is aangevoerd dat bij het sluiten van de detacheringsovereenkomsten in 2005, 2006 en 2007 behoud van FLO is toegezegd. In die overeenkomsten staat dat eiser zijn rechtspositie, arbeidsvoorwaarden en daarmee samenhangende regelingen die voor hem bij verweerder gelden, behoudt.

De rechtbank is van oordeel dat eiser noch bij zijn aanstelling, noch bij zijn detachering de toezegging is gedaan dat toekomstige (negatieve) ontwikkelingen niet van invloed zouden zijn op zijn rechtspositie. Eiser heeft moeten begrijpen dat wijzigingen in de op hem van toepassing zijnde rechtspositieregeling – de CAR/UWO – van invloed zouden kunnen zijn op zijn rechtspositie.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder hem het FLO-overgangsrecht heeft toegezegd. Hiervoor is verwezen naar schriftelijke mededelingen van de personeelsconsulente.

De rechtbank stelt vast dat eiser hiermee een beroep op het vertrouwensbeginsel doet. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 maart 2008, LJN: BC8455) kan een dergelijk beroep slechts slagen indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Hiervan is geen sprake. Eiser heeft moeten begrijpen dat de personeelsconsulente niet bevoegd was om eiser FLO-overgangsrecht toe te zeggen of om hierover ten aanzien van eiser een beslissing te nemen. Eiser heeft verder moeten begrijpen dat hieraan voorafgaand vastgesteld moest worden of de functie al dan niet bezwarend is en dat de personeelsconsulente ook op dat punt niet bevoegd was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt dus.

Ingevolge artikel 9b:1 van de CAR/UWO is hoofdstuk 9b (“Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag”) uitsluitend van toepassing op de ambtenaar die:

-op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke ambulancedienst; en

-op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en

-sinds 31 december 2005 onafgebroken een betrekking heeft vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.

Niet in geschil is en ook voor de rechtbank staat vast dat eiser aan deze voorwaarden voldoet en aldus onder dit hoofdstuk valt.

Ingevolge artikel 9b:2, aanhef en onder b, van de CAR/UWO wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voorvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten.

De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling of sprake is van een bezwarende functie de werkzaamheden die eiser op 31 december 2005 bij de gemeentelijke en de regionale brandweer verrichtte in aanmerking moeten worden genomen. Hieraan doet niet af dat als gevolg van eisers detachering twee rechtsverhoudingen zijn ontstaan, één met de gemeente [gemeente] en één met de regionale brandweer, nu eisers aanstelling bij de gemeente [gemeente] in de volle omvang is blijven bestaan.

Als gevolg van eisers detachering bij de regionale brandweer is eiser vanaf 1 juni 2004 niet of nauwelijks meer ingezet als Officier van Dienst van de gemeente [gemeente], maar als Regionaal (Hoofd) Officier van Dienst en Regionaal Officier Gevaarlijke Stoffen.

De rechtbank is van oordeel dat bij de uitoefening van al deze functies in overwegende mate en op afstand leidinggevende en coördinerende werkzaamheden worden verricht en slechts in incidentele gevallen wordt deelgenomen aan de fysieke brandbestrijding of hulpverlening. De fysieke brandbestrijding en hulpverlening worden in beginsel gedaan door de brandwachten onder leiding van een bevelvoerder. Daarbij laat de (Regionaal) Officier van Dienst zich informeren door de bevelvoerder.

De Regionaal Officier Gevaarlijke Stoffen wordt bediend door een meetploeg. Indien de Regionaal Officier Gevaarlijke Stoffen al zelf metingen verricht, dan is dat uitsluitend in een niet schadelijke omgeving. Het gaat hier om een adviesfunctie die gekoppeld is aan de functie van Officier van Dienst.

Bij grote incidenten wordt de Hoofd Officier van Dienst opgeroepen die dan leiding geeft aan de Officier van Dienst.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet onjuist dat verweerder eisers functie als niet bezwarend heeft aangemerkt. Indien eiser op 31 december 2005 niet gedetacheerd zou zijn geweest, zou de rechtbank niet anders hebben geoordeeld.

Hieraan kan worden toegevoegd dat er ook op basis van het aantal uitrukken, waarbij eiser als (Regionaal) (Hoofd) Officier van Dienst dan wel Regionaal Officier Gevaarlijke Stoffen is opgeroepen èn ter plekke is gegaan, geen aanleiding bestaat om zijn functie als bezwarend aan te merken. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser eenmaal per vier weken een week piketdienst had. Wanneer hij werd opgeroepen, diende hij te beslissen of hij naar het incident zou gaan of dat hij de afhandeling daarvan aan de bevelvoerder en/of de brandwachten zou overlaten. In het algemeen is eiser slechts een tot enkele malen per piketdienst ter plekke gegaan.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L. de Vos, voorzitter, en mrs. D.J. Post en S.W. van Osch-Leysma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op:17 november 2009