Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK6173

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/767
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het enkele recht op een loondervingsuitkering is geen inkomen in verband met arbeid. “Inkomen” in artikel 10, tweede lid, van de WAO ziet op feitelijke inkomsten hetgeen niet gelijk kan worden gesteld met een recht/aanspraak op een uitkering die niet wordt uitbetaald. Van deze uitleg afwijkend beleid is, gezien artikel 10, vierde lid, van de AOW, in strijd met artikel 10, tweede lid, van de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2009/23.12

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/767

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 22 oktober 2009

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. C.M.J.E.P. Meerts,

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 oktober 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de wijziging in het inkomen van haar partner geen gevolgen heeft voor de toeslag op haar pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 21 augustus 2008 gehandhaafd.

Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld bij de rechtbank Utrecht, welk beroep op grond van artikel 6:15 van de Awb aan deze rechtbank is doorgezonden. Door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 30 september 2009. Eiseres en haar gemachtigde zijn aldaar met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de SVB, locatie Nijmegen.

3. Overwegingen

Met ingang van juli 2008 ontvangt eiseres een AOW-pensioen, vermeerderd met een maandelijkse tegemoetkoming. Het recht op toeslag is daarbij volledig gekort wegens (eigen) inkomsten van de partner van eiseres, de heer [partner] (hierna: partner).

Eiseres heeft op 5 augustus 2008 aan verweerder de wijziging doorgegeven dat haar partner met ingang van 7 juli 2008 geen inkomsten meer heeft. Zijn uitkering is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Werkloosheidswet (WW) beëindigd met ingang van 7 juli 2008 omdat hij heeft laten weten van een verdere uitkering af te zien. Uit de telefoonnotitie van verweerder van 18 augustus 2008 blijkt dat de WW-uitkering is stopgezet omdat hij “lekker bij zijn vrouw wil zijn”.

Hierop heeft verweerder bij voornoemd besluit van 21 augustus 2008 aan eiseres te kennen gegeven dat de wijziging in het inkomen van haar partner geen invloed heeft op de toeslag op haar AOW-pensioen omdat haar partner zelf de WW-uitkering heeft stopgezet.

Het door eiseres gemaakte bezwaar tegen dit besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat ter voorkoming van strijd met de hiërarchie van inkomensbronnen beleid is vastgesteld waardoor geen toeslag wordt toegekend indien vrijwillig afstand wordt gedaan van een recht op WW-uitkering. Het is naar de mening van verweerder niet de bedoeling van de wetgever geweest om iemand in aanmerking te laten komen voor een (volledige) toeslag terwijl er voor de partner andere inkomensbronnen ter beschikking staan.

Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en voert, kort gezegd, aan dat een enkele aanspraak op een uitkering niet gekort kan worden, alsmede dat het door verweerder gevoerde beleid in strijd is met de wet nu het geen begunstigend beleid betreft.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 8, eerste lid, van de AOW bepaalt kort gezegd dat een gehuwde pensioengerechtigde van wie de echtgenoot jonger is dan 65 jaar, recht heeft op een toeslag.

Artikel 10, tweede lid, van de AOW bepaalt dat het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven op de volledige bruto-toeslag in mindering wordt gebracht.

Artikel 10, vierde lid, van de AOW bepaalt dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het inkomen, bedoeld in de vorige leden en in de artikelen 8, eerste lid, en 11, alsmede de periode waarop de vaststelling betrekking heeft.

Dit is geschied middels het Inkomensbesluit AOW 1996 (Inkomensbesluit).

Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Inkomensbesluit bepaalt, kort gezegd, dat onder inkomen in verband met arbeid wordt verstaan een loondervingsuitkering.

Artikel 1, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit bepaalt, voor zover van toepassing, dat onder loondervingsuitkering wordt verstaan een uitkering krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW.

Tussen partijen is niet in geschil dat een WW-uitkering inkomen in verband met arbeid is, welk inkomen in mindering dient te worden gebracht op de volledige bruto-toeslag waar een AOW-gerechtigde aanspraak op kan hebben. Partijen worden echter verdeeld gehouden over de vraag of onder inkomen in verband met arbeid ook wordt verstaan een recht dan wel aanspraak op een uitkering die feitelijk niet tot uitbetaling komt.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

In artikel 10, tweede lid, van de AOW heeft de wetgever gekozen voor het begrip inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank ziet dit begrip op feitelijke inkomsten hetgeen niet gelijk kan worden gesteld met een recht dan wel aanspraak op een uitkering die niet wordt uitbetaald.

Dat ook de minister bij het vaststellen van het Inkomensbesluit deze uitleg van het begrip inkomen voor ogen heeft gehad, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid uit het feit dat in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder k, van het Inkomensbesluit is opgenomen dat een recht op uitkering als bedoeld in onderdeel j die niet wordt uitbetaald, onder inkomen in verband met arbeid valt. Nu een dergelijke uitzondering niet is gemaakt voor de loondervingsuitkering als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Inkomensbesluit, is de rechtbank van oordeel dat ook toepassing van het Inkomensbesluit tot de conclusie leidt dat het eventuele recht van de partner van eiseres op een WW-uitkering niet onder inkomen in verband met arbeid valt.

Ter zitting heeft verweerder gewezen op artikel 7, vijfde lid van het Inkomensbesluit. Voor zover de strekking van het Inkomensbesluit al zou zijn dat een recht dan wel aanspraak op een uitkering die niet wordt uitbetaald in mindering op de toeslag dient te worden gebracht, is het Inkomensbesluit naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 10, tweede lid, van de AOW en dient het Inkomensbesluit buiten toepassing te worden gelaten. Ingevolge het vierde lid van artikel 10 van de AOW kunnen immers slechts nadere regels worden gesteld ten aanzien van de vaststelling van het inkomen, derhalve geen afwijkende regels ten aanzien van het begrip inkomen. Gelet hierop is de rechtbank voorts van oordeel dat van voorstaande uitleg afwijkend beleid van verweerder in strijd is met artikel 10, tweede lid, van de AOW.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 10, tweede lid, van de AOW, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres recht op een toeslag. Nu de hoogte van de toeslag nog door verweerder dient te worden vastgesteld, zal verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 322 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2009

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 22 oktober 2009