Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK6168

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/4264
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluiten over premie artikel 77b van de WAO. Naar het oordeel van de rechtbank zijn genoemde omstandigheden onvoldoende om de vijfjaarstermijn van artikel 13 CSV buiten toepassing te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/4264

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 22 oktober 2009

inzake

Sappi Nijmegen BV, eiseres,

gevestigd te Nijmegen, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Arts,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 augustus 2008, uitgereikt door het UWV te Amsterdam.

2. Procesverloop

Bij een viertal besluiten van 21 december 2007, betreffende de jaren 1998 tot en met 2001, heeft verweerder een correctie aangebracht op eerder verleende vrijstelling en korting premie WAO over die jaren.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten van 21 december 2007 gehandhaafd.

Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 11 september 2009. Namens eiseres zijn aldaar verschenen haar gemachtigde mr. M.J.A. Arts, advocaat te Nijmegen, en O. van Beers, werkzaam als financial controller bij eiseres. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. van der Stoop, werkzaam bij het UWV, kantoor Amsterdam.

3. Overwegingen

Bij een viertal besluiten van 25 augustus 2006 heeft verweerder op verzoek van eiseres over de jaren 1998 tot en met 2001 premievrijstelling en -korting aan haar verleend ingevolge artikel 77b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Verweerder heeft een nader onderzoek verricht en op basis daarvan geconcludeerd dat bij de besluiten van 25 augustus 2006 aan eiseres ten onrechte of tot een te hoog bedrag premievrijstelling en -korting is toegekend.

Vervolgens heeft verweerder de besluiten van 21 december 2007 genomen, waarbij de premievrijstelling en -korting die bij de besluiten van 25 augustus 2006 was verleend, is aangepast. Aan deze besluiten, die bij het bestreden besluit zijn gehandhaafd, heeft verweerder – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat de aanvragen die hebben geleid tot de besluiten van 25 augustus 2006 onjuist en onvolledig waren, en dat eiseres dat wist of had kunnen weten.

Eiseres heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat voor de besluiten van 21 december 2007 een juridische grondslag ontbreekt, en dat de besluiten in strijd zijn met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank is van oordeel dat de besluiten van 21 december 2007 besluiten tot premievaststelling zijn als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), waarop het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de CSV van toepassing is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 december 2006, LJN: AZ4086, en van 22 maart 2007, LJN: BA1451.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de CSV wordt premie niet meer vastgesteld, indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, zijn verstreken.

De besluiten van 21 december 2007 hebben betrekking op de jaren 1998 tot en met 2001, zodat vastgesteld moet worden dat ten tijde van die besluiten meer dan vijf jaren waren verstreken sedert die jaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de besluiten in strijd met artikel 13, eerste lid, van de CSV zijn genomen. De vraag dient beantwoord te worden of verweerder desondanks de besluiten heeft mogen nemen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Artikel 13, eerste lid, van de CSV is een dwingendrechtelijke bepaling die kennelijk uit een oogpunt van rechtszekerheid in de wet is opgenomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet licht kan worden besloten om deze bepaling in een concreet geval buiten toepassing te laten.

Verweerder heeft zich beroepen op jurisprudentie van de CRvB, waaronder de hiervoor genoemde uitspraak van 7 december 2006, LJN: AZ4086, inhoudend dat bijzondere gevallen denkbaar zijn, waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Naar verweerder stelt zijn de bijzondere omstandigheden gelegen in het feit dat de aanvragen van 10 augustus 2006, die hebben geleid tot de besluiten van 25 augustus 2006, onjuist waren, en dus niet gehonoreerd hadden mogen worden, en dat eiseres dit had kunnen weten. Daarnaast heeft verweerder er op gewezen dat eiseres ten gevolge van de besluiten van 25 augustus 2006 een aanzienlijke hoeveelheid geld uit algemene middelen heeft ontvangen, en dat dit ook geldt voor andere werkgevers die soortgelijke besluiten hebben ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verweerder genoemde omstandigheden onvoldoende zwaarwegend om artikel 13, eerste lid, van de CSV buiten toepassing te laten.

Dat in de aanvragen, die hebben geleid tot de besluiten van 25 augustus 2006, werknemers van eiseres zijn vermeld die niet arbeidsgehandicapt waren, is een omstandigheid die verweerder bij een gewone inhoudelijke beoordeling van de aanvragen had kunnen constateren. Dat die beoordeling kennelijk niet heeft plaatsgevonden omdat door de aanvragende intermediairs in samenwerking met toenmalige medewerkers van het UWV gefraudeerd is, is een omstandigheid die voor risico van verweerder dient te blijven.

Verweerder heeft er voorts op gewezen dat de aanvragen voor de jaren 1998 en 1999 buiten de termijn van artikel 13, eerste lid, van de CSV zijn ingediend en dat eiseres daarom had moeten weten dat die aanvragen om die reden afgewezen hadden moeten worden. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Blijkens de uitspraak van de CRvB van 22 maart 2007, LJN: BA1451, heeft verweerder buitenwettelijk begunstigend beleid ontwikkeld, inhoudend dat indien een werkgever binnen een termijn van vijf jaar na het uitreiken van een afrekeningnota over enig jaar, de aanvraag voor dat jaar alsnog indient, deze aanvraag in behandeling kan worden genomen en, indien de aanvraag aan de voorwaarden voldoet, alsnog kan leiden tot herziening van de afrekeningnota. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder bevestigd dat dit beleid wordt gevoerd. De rechtbank stelt vast dat ten gevolge van dit beleid in een aantal gevallen de mogelijkheid bestaat om ook na afloop van de vijfjaars termijn van artikel 13, eerste lid, van de CSV nog aanvragen voor premiekorting en -vrijstelling in te dienen. Gelet hierop, en gelet op het feit dat het beleid niet gepubliceerd is, zodat niet duidelijk is of eiseres kon weten hoe het beleid zou uitwerken in verband met de aanvragen van augustus 2006, en gelet op het algemene beginsel “vragen staat vrij”, is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de aanvragen van augustus 2006 (deels) buiten de vijfjaars termijn van artikel 13, eerste lid, van de CSV zijn ingediend, volstrekt onvoldoende is om als een bijzondere omstandigheid aan te merken die het buiten toepassing laten van artikel 13, eerste lid, van de CSV ten aanzien van de besluiten van 21 december 2007 rechtvaardigt.

Dat eiseres, en andere werkgevers, ten onrechte gelden uit de algemene middelen hebben ontvangen acht de rechtbank op zichzelf onvoldoende reden om die dwingendrechtelijke bepaling buiten toepassing te laten, hoezeer de ontvangst van die gelden ook als buitengewoon onterecht kan worden ervaren.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de door verweerder genoemde omstandigheden tezamen genomen eveneens onvoldoende zwaarwegend zijn om een dwingendrechtelijke bepaling, die de rechtszekerheid dient, buiten toepassing te laten.

Bij het voorgaande heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, hoewel met recht de vraag gesteld kan worden of eiseres zich niet had moeten afvragen of het aanbod waarmee de intermediair bij haar kwam wel zuivere koffie was, eiseres niet als verdachte betrokken is in het strafrechtelijk onderzoek dat is opgestart in verband met de besluiten van 25 augustus 2006 (en soortgelijke besluiten op aanvraag van andere werkgevers), en dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de integriteit van eiseres niet in het geding is.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Aangezien bij de huidige stand van zaken geoordeeld moet worden dat de besluiten van 21 december 2007 in strijd met artikel 13, eerste lid, van de CSV zijn genomen, en geheel onaannemelijk is dat verweerder, die in vele soortelijke procedures betrokken is (geweest), met nieuwe argumenten zal komen die het buiten toepassing laten van artikel 13, eerste lid, van de CSV kunnen rechtvaardigen, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de besluiten van 21 december 2007 te herroepen, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres in bezwaar en in beroep gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 322 aan kosten van rechtsbijstand in bezwaar en € 644 aan kosten van rechtsbijstand in beroep. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de vier besluiten van 21 december 2007;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 966;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 288 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, voorzitter, en mrs. J.A. van Schagen en P.L. de Vos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2009

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 22 oktober 2009