Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK5391

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
04-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/664
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken niet houdbaar omdat op ontslagdatum is gebleken van ziels- of lichaamsgebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/664

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 1 oktober 2009

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. drs. V.N. van Waterschoot,

tegen

de staatssecretaris van Financiën, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 januari 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat op grond van artikel 14 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) zijn bezoldiging met ingang van 18 april 2007 is stopgezet tot het tijdstip waarop eiser alsnog gevolg geeft aan zijn verplichtingen en zijn werkzaamheden weer aanvangt.

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hem op grond van artikel 98, eerste lid, onder g van het ARAR met ingang van 1 juli 2007 ontslag wordt verleend wegens gebleken onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 juli 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Waterschoot, advocaat te Nijmegen, en zijn zus, [zus]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij de afdeling Arbeidsjuridische zaken van de Belastingdienst.

3. Overwegingen

Eiser is in 1999 als stagiair werkzaamheden gaan verrichten bij de Belastingdienst. Met ingang van 26 maart 2001 is eiser in vaste dienst getreden. Laatstelijk verrichtte hij werkzaamheden in de functie van bouwer (schaal 9) bij de [belastingdienst]

Op 22 januari 2007 is eiser wegens privéomstandigheden met depressieve klachten uitgevallen voor het verrichten van zijn werkzaamheden.

In het werkhervattingsadvies van de bedrijfsarts van 26 februari 2007 is opgenomen dat eiser vanaf die datum weliswaar nog 0% arbeidsgeschikt is, maar dat, na gesprekken met de psycholoog, in de daarop volgende week de re-integratie kan worden opgestart in aangepast eigen werk. Nadere adviezen zullen volgen als er contact met de psycholoog is geweest.

Uit het werkhervattingsadvies van 20 maart 2007 blijkt dat eiser met ingang van 20 maart 2007 voor 36 uur per week arbeidsgeschikt wordt geacht voor eigen werk aangepast, dan wel voor ander werk. Er is sprake van verminderde mentale belastbaarheid en werkgerelateerde aspecten moeten besproken worden (hectisch werk).

Na een uitnodiging per brief van 28 maart 2007 heeft op 2 april 2007 tussen eiser en verweerder een gesprek plaatsgevonden over de re-integratie en het plan van aanpak. Hierbij is afgesproken dat eiser op 4 april 2007 een aanvang maakt met zijn re-integratie. Na overleg is deze datum later gewijzigd in 5 april 2007.

Op 5 april 2007 heeft eiser vervolgens per emailbericht aan verweerder laten weten dat hij die ochtend bij de huisarts is geweest, en dat hij het nog even rustig aan wil doen. Eiser biedt zijn excuses aan voor de gemiste afspraak en laat weten dat hij volgende week contact op zal nemen.

Nog diezelfde dag heeft verweerder aan eiser per email dringend verzocht om zich 6 april te melden voor zijn re-integratie.

Bij brief van 16 april 2007 deelt verweerder aan eiser mee dat hij de afspraak van 5 april 2007 eenzijdig heeft afgezegd en dat hij zonder overleg niet bereikbaar is. De uren vanaf 5 april 2007 worden aangemerkt als vakantie-uren/compensatie-uren. Voorts wordt eiser uitgenodigd voor een gesprek op 18 april 2007. Indien eiser geen gehoor geeft aan deze oproep en hij de werkzaamheden niet aan zal vangen, zal het bevoegd gezag worden geadviseerd om het salaris met ingang van 18 april 2007 stop te zetten.

Nadat verweerder niets van eiser heeft vernomen wordt bij besluit van 19 april 2007 het salaris van eiser met ingang van 18 april 2007 op grond van artikel 14 van het ARAR stopgezet. Voorts wordt eiser meegedeeld dat de bezoldiging wordt ingehouden tot de dag waarop eiser daadwerkelijk zijn werkzaamheden aanvangt.

In het verslag van het Sociaal Medisch Overleg van 24 april 2007 wordt melding gemaakt van het feit dat eiser huilbuien heeft en nergens op reageert, zelfs niet op aangetekende stukken.

Bij brief van 3 mei 2007 wordt eiser door verweerder gesommeerd om zijn werkzaamheden terstond te hervatten omdat de bedrijfsarts eiser arbeidsgeschikt heeft verklaard voor aangepast werk. Eiser wordt er verder op gewezen dat indien hij zijn werkzaamheden niet hervat, dit rechtspositionele consequenties zal hebben.

Bij brief van 10 mei 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het 9 mei 2007 niet is gelukt telefonisch contact met hem te krijgen. Voorts wordt eiser meegedeeld dat is vastgesteld dat eiser, ondanks de sommatie van 3 mei 2007, niet op zijn werkplek is verschenen. In het geval eiser zijn werkzaamheden 21 mei 2007 niet heeft hervat, zal het bevoegd gezag geadviseerd worden om eiser wegens ongeschiktheid te ontslaan.

Bij brief van 24 mei 2007 heeft verweerder aan eiser het voornemen tot ontslag wegens ongeschiktheid kenbaar gemaakt. Verweerder is voornemens het dienstverband per 1 juli 2007 te beëindigen. Als reden wordt aangegeven dat eiser vanaf 3 april 2007 niet meer op het werk is verschenen om zijn functie uit te oefenen, en dat bovendien geen contact met hem is te krijgen. Deze houding en dit gedrag van eiser maken dat eiser volgens verweerder ongeschikt is voor zijn functie bij [belastingdienst].

Bij brief van 29 mei 2007 maakt eiser (pro forma) bezwaar tegen het besluit van 19 april 2007 tot stopzetting van zijn bezoldiging. Bij brief van 15 juni 2007 is aanvullend bezwaar ingediend. Hierbij wordt verwezen naar een verklaring van Gz-psycholoog drs. S. Peters van 14 juni 2007, bij wie eiser sedert februari 2007 onder behandeling staat. Uit deze verklaring van psycholoog Peters blijkt dat eiser onder invloed van zijn forse psychische klachten onvoldoende bij machte was om de verantwoordelijkheden van het dagelijks leven te dragen. Eiser was niet in staat op adequate wijze te reageren op impulsen van buitenaf, hij kon het er letterlijk niet meer bij hebben. Hierdoor heeft eiser het belang, de impact en de gevolgen van zijn apathie en het nalaten van reageren op deze impulsen niet kunnen overzien, aldus de psycholoog. Voorts is het haars inziens voor eiser geenszins haalbaar geweest om in deze periode zijn functie op het werk te vervullen.

Bij brief van eveneens 15 juni 2007 is de schriftelijke zienswijze van eiser tegen het voorgenomen ontslag kenbaar gemaakt. Ook hierin wordt verwezen naar voornoemde verklaring van psycholoog Peters en wordt geconcludeerd dat de door verweerder gestelde onmogelijkheid om contact te krijgen, de reden voor het voorgenomen ontslag, nu juist zijn grond vindt in ziels- of lichaamsgebreken.

Uit een telefoonnotitie van verweerder van 20 juni 2006 blijkt dat de verklaring van psycholoog Peters voor de bedrijfsarts geen aanleiding is om het standpunt te wijzigen. De bedrijfsarts was op 20 maart 2007 op de hoogte van de behandeling bij de psycholoog. Voorts stelt de bedrijfsarts dat eiser na zijn arbeidsgeschiktverklaring een second opinion had kunnen aanvragen maar dat hij dit niet heeft gedaan.

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft verweerder eiser met ingang van 1 juli 2007 ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, onder g, van het ARAR.

Bij brief van 5 juli 2007 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen voornoemd ontslagbesluit.

Op 10 oktober 2007 heeft een hoorzitting plaatsgevonden naar aanleiding van de door eiser gemaakte bezwaren.

Lopende de bezwaarprocedure heeft verweerder eiser bij brief van 27 december 2007 meegedeeld dat een specialistische expertise zal worden aangevraagd bij een psychiater omdat het oordeel van de psycholoog niet als medisch objectiveerbaar kan worden aangemerkt. Verweerder heeft de bedrijfsarts verzocht om psychiater E.F.J. Wasmann als deskundige te raadplegen.

Bij brief van 24 maart 2008 heeft de bedrijfsarts, na kennisname van het rapport van 26 februari 2008 van psychiater Wasmann, aan verweerder meegedeeld dat momenteel geen sprake (meer) is van een medisch objectiveerbare ziekte of gebrek, maar dat er vanaf 20 maart 2007 tot 1 november 2007 bij eiser sprake was van een medisch objectiveerbare ziekte die de oorzaak is geweest voor ongeschiktheid voor zijn ambt. Als gevolg van deze medisch objectiveerbare ziekte is eiser (in overwegende mate) ook niet in staat geweest (op adequate wijze) te reageren op impulsen van buitenaf, zoals de oproepen en waarschuwingen van werkgever, en heeft hij evenmin de gevolgen van het niet-reageren kunnen voorzien.

Bij het bestreden besluit handhaaft verweerder de stopzetting van de bezoldiging en het ontslagbesluit. Daartoe stelt verweerder dat eiser op 20 maart 2007 arbeidsgeschikt wordt geacht voor eigen werk aangepast of ander werk en dat er geen aanleiding is te oordelen dat dit op dat moment op onjuiste gronden is vastgesteld. Verweerder meent dat dit wordt bevestigd door het feit dat eiser destijds geen second opinion heeft aangevraagd. Voorts stelt verweerder dat eiser een aantal uitnodigingen, oproepen en waarschuwingen heeft genegeerd. Op basis van een nadere reactie van bedrijfsarts van begin september 2008 trekt verweerder de conclusie dat de spanningsklachten van eiser niet wijzen op een zo ernstige overspannenheid dat eiser niet in staat was te reageren op oproepen en waarschuwingen.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen en stelt, kort gezegd, dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat was adequaat te reageren op impulsen van buitenaf.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ontslagbesluit als volgt.

Artikel 98, eerste lid, onder g, van de ARAR bepaalt, kort gezegd, dat een ambtenaar kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Het is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat wanneer gerede twijfel bestaat of het onvoldoende functioneren van een ambtenaar wordt veroorzaakt door eigenschappen van karakter, geest of gemoed dan wel door ziekte of gebreken, eerst door het inwinnen van medisch advies dient te worden uitgesloten dat aan de ongeschiktheid een medische oorzaak ten grondslag ligt alvorens tot ontslagverlening op grond van ongeschiktheid anders dan wegens ziekten of gebreken kan worden overgegaan. (zie onder andere de uitspraken van de CRvB van 16 november 1989, LJN AK4871; CRvB 20 december 1995, LJN AK6142 en CRvB 16 december 1999, LJN AA4861).

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of op 1 juli 2007, de datum van het ontslag, sprake was van een onbekwaamheid dan wel ongeschiktheid van eiser die niet gelegen is in ziels- of lichaamsgebreken.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en is van oordeel dat verweerder niet tot ontslag op grond van artikel 98, eerste lid, onder g van het ARAR had kunnen besluiten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de rapportage van de door verweerder geconsulteerde psychiater Wasmann van 26 februari 2008 blijkt dat ten tijde hier van belang bij eiser sprake was van een ernstige depressie in engere zin met paniekstoornis en agorafobie, en dat eiser als gevolg daarvan niet in staat is geweest om op adequate wijze te reageren op impulsen van buitenaf. Naar aanleiding van deze rapportage heeft de bedrijfsarts bij brief van 24 maart 2008 in eerste instantie aan verweerder bericht dat vanaf 20 maart 2007 tot 1 november 2007 sprake was van een objectiveerbare ziekte die de oorzaak is geweest voor de ongeschiktheid voor zijn ambt en als gevolg waarvan eiser (in overwegende mate) niet in staat is geweest (op adequate wijze) te reageren op impulsen van buitenaf, waaronder de oproepen en waarschuwingen van werkgever en dat eiser de gevolgen van het niet reageren niet heeft kunnen overzien.

Dat de bedrijfsarts na nadere vragen van verweerder begin september 2008 verklaart dat hij (alsnog) bij zijn eerdere oordeel van, kort gezegd, arbeidsgeschiktheid per 20 maart 2007 blijft, doet niet af aan de conclusies van de door verweerder geraadpleegde (deskundige) psychiater, die overeenkomen met die van eisers behandelend psycholoog. De rechtbank is van oordeel dat de bedrijfsarts niet zonder nadere motivering en onderbouwing op zijn eerdere verklaring van 24 maart 2008 heeft kunnen terugkomen, en dat verweerder dit nadere standpunt van de bedrijfsarts niet zonder meer aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat verweerder ter zitting ook heeft erkend dat bij eiser gedurende de periode hier van belang sprake was van ziekte.

Uit het voorgaande volgt tevens dat verweerder evenmin kan worden gevolgd in het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt dat de ziekte van eiser niet zo ernstig was dat hij niet (adequaat) op oproepen zou kunnen reageren. De omstandigheid dat eiser op 5 april middels een emailbericht (wel) heeft gereageerd - ten aanzien waarvan overigens eisers zus ter zitting heeft verklaard dat zij degene is geweest die het emailbericht heeft opgesteld - kan hieraan niet afdoen.

Uit het bovenstaande volgt dat het standpunt van verweerder dat de ongeschiktheid of onbekwaamheid van eiser voor zijn functie niet haar grond vindt in zielsgebreken, onhoudbaar moet worden geacht. De rechtbank merkt in dit verband verder nog op dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat eiser voor zijn uitval altijd naar tevredenheid heeft gefunctioneerd.

Ten aanzien van het stopzetten van de bezoldiging van eiser overweegt de rechtbank nog als volgt.

Artikel 14 van het ARAR bepaalt dat de ambtenaar over den tijd, gedurende welke hij in strijd met zijne verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging ontvangt.

Verweerder heeft aan de stopzetting van de bezoldiging ten grondslag gelegd dat eiser vanaf 3 april ten onrechte niet meer op het werk is verschenen om zijn functie uit te oefenen en dat geen contact met eiser is te krijgen.

Nog daargelaten dat gezien de feitelijke gang van zaken eiser eerst per 5 april 2007 een aanvang diende te maken met zijn re-integratie is de rechtbank, gezien vorenstaande, van oordeel dat van een opzettelijk nalaten niet is gebleken nu sprake was van zielsgebrek. Verweerder had derhalve niet tot stopzetting van de bezoldiging van eiser mogen overgaan.

Gezien voorstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren het bestreden besluit vernietigen. In de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank voorts aanleiding de primaire besluiten van 19 april 2007 en 21 juni 2007 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te herroepen. Partijen zullen, nu eiser als gevolg hiervan geacht wordt in dienst te zijn gebleven maar inmiddels elders werkt, in onderling overleg tot een andere beëindiging van het dienstverband moeten komen, mocht eiser niet wensen terug te keren.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 juncto artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 966,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar en € 644,- in beroep. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten in beroep dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept de besluiten van 19 april 2007 en 21 juni 2007;

veroordeelt verweerder in de door eiser in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 966,- en in beroep tot een bedrag van € 644,-;

bepaalt dat de betaling van het bedrag van € 644,- dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt voorts dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- aan hem vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mr. A.M. Overbeeke, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2009

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 1 oktober 2009