Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK4929

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/1577
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB. Onweerlegbaar rechtsvermoeden. Hoofdverblijf. De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van verweerder dat eiser in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had. De verrichte waarnemingen leiden niet onomstotelijk tot deze conclusie, de getuigenverklaringen zijn onvoldoende specifiek. Ontkenning door eisers zelf. Bevindingen huisbezoek eveneens onvoldoende om tot de conclusie van verweerder te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 09/1577, 09/1578, 09/871

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 1 december 2009

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.A. Wellen,

[naam], eiser

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.A. Wellen

gezamenlijk te noemen: eisers

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder van 10 maart 2009 (besluit I, registratienummer 09/1577) en besluit van verweerder van 3 maart 2009 (besluit II, registratienummer 09/1578), hierna gezamenlijk aangeduid met de bestreden besluiten.

2. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) over de periode van 4 maart 2003 tot 21 augustus 2008 ingetrokken en de over genoemde periode ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van € 84.021,90 bruto van eisers teruggevorderd. Voorts is de uitkering met ingang van 22 augustus 2008 beëindigd.

Hiertegen is door eisers bezwaar gemaakt. Gelijktijdig is door eiseres aan de Voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek op 8 oktober 2008 is afgewezen (registratienummer 08/3883). Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar heeft eiseres beroep ingesteld (registratienummer 09/871).

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder de tegen het besluit van 21 augustus 2008 ingediende bezwaren ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

Tegen deze besluiten is door eiseres (09/1577) en door eiser (09/1578) beroep ingesteld. Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder een door verweerder ingediend verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 7 oktober 2009. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Wellen als gemachtigde en M.B.M. Babai als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen.

3. Overwegingen

Ten aanzien van registratienummer 09/871

Eiseres heeft bij brief van 19 februari 2009 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het door haar ingediende bezwaarschrift van 21 augustus 2008 tegen de beslissing van 21 augustus 2008.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en sub b, van de Awb wordt voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk gesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Vastgesteld kan worden dat verweerder - door alsnog op 10 maart 2009 op het bezwaar te beslissen - niet binnen de daartoe gestelde termijn een beslissing op het ingediende bezwaarschrift heeft genomen.

Voorts wordt vastgesteld dat verweerder hangende het beroep alsnog op het bezwaarschrift heeft beslist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet langer een procedureel belang toekomt bij een afzonderlijke beoordeling van de rechtmatigheid van het uitblijven van een tijdige beslissing op het gemaakte bezwaar. Het beroepschrift van 19 februari 2009 dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het niet tijdig beslissen door verweerder levert wel voldoende grondslag op voor een veroordeling van verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en van de aan het indienen van het beroepschrift verbonden proceskosten, te waarderen op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan onderhavige kwestie de gewichtsfactor “zeer licht” toe te kennen zodat de wegingsfactor 0,25 wordt toegepast.

Ten aanzien van de registratienummers 09/1577 en 09/1578

Aan de bestreden besluiten ligt het standpunt van verweerder ten grondslag, dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan verweerder te melden dat zij in de periode van 4 maart 2003 tot 21 augustus 2008 (hierna aangeduid met: de in geding zijnde periode) een gezamenlijke huishouding voerde met eiser, haar ex-echtgenoot.

Verweerder heeft het recht op bijstand van eiseres over de genoemde periode ingetrokken en de uitkering met ingang van 22 augustus 2008 beëindigd. De over deze periode ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van € 84.021,90 bruto is zowel van eiseres als van eiser teruggevorderd.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Eiseres ontvangt per 1 juli 1989 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet, respectievelijk een WWB-uitkering, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Van 2 juli 1979 tot 14 januari 1998 zijn eisers met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van eisers zijn vijf kinderen geboren; [kind 1] ([geboortedatum]), [kind 2] ([geboortedatum]), [kind 3] ([geboortedatum]), [kind 4] ([geboortedatum]) en [kind 5] ([geboortedatum]).

Eiseres staat sinds 4 maart 2003 bij de Gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres [straat eiseres] te [woonplaats], eiser staat sinds 22 september 2006 ingeschreven op het adres [straat eiser] te [woonplaats]. Eiser heeft nooit op het adres [straat eiseres] te [woonplaats] ingeschreven gestaan. Eiser ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Ter beoordeling staat de tussen partijen in geding zijnde vraag of eiseres over de in geding zijnde periode een zelfstandig recht op bijstand had.

wettelijk kader

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover in dit geding van belang - wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belangenhebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn de in het tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

Naar het oordeel van de rechtbank is er grond het onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onder b, van de WWB van toepassing te achten. Vaststaat immers dat uit het huwelijk van eisers vijf kinderen zijn geboren. Gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is daarom voor de beantwoording van de vraag of eisers een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, bepalend of zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan ook zijn voldaan indien ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat door beiden slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

Naar aanleiding van een melding van de reïntegratiecoach van eisers’ zoon [kind 1], inhoudende dat eisers zouden samenwonen in de woning van eiseres, is namens verweerder een onderzoek ingesteld.

Allereerst hebben eisers gesteld dat verweerder onrechtmatig en onzorgvuldig heeft gehandeld door informatie afkomstig van de reïntegratiecoach van [kind 1], die een psychiatrische stoornis heeft, te gebruiken voor een onderzoek naar bijstandsfraude. Doordat de reïntegratiecoach een huisbezoek heeft afgelegd, waarvan niet duidelijk was dat dit mede hierop was gericht, is onrechtmatig gehandeld. Verder is het protocol huisbezoeken overtreden, omdat een privaatrechtelijke onderneming het huisbezoek heeft afgelegd.

De rechtbank stelt vast dat de melding van de reïntegratiecoach niet is gebruikt ter onderbouwing van het bestreden besluit, maar voor verweerder slechts aanleiding is geweest voor nader onderzoek. Niet gebleken is dat het huisbezoek van de reïntegratiecoach er mede op was gericht bijstandsfraude op te sporen, omdat dit juist is afgelegd in verband met de begeleiding van [kind 1]. Dit neemt niet weg dat de melding relevant, voldoende concreet en onderbouwd was, dat verweerder een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand heeft mogen starten. In het kader hiervan hebben een sociaal rechercheur en een fraudepreventiemedewerker namens verweerder op 3 juli 2008 een apart huisbezoek bij eiseres afgelegd.

Het onderzoek van verweerder bestond verder uit dossieronderzoek, observaties en getuigenverhoren. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in het rapport van 23 juli 2008.

Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van verweerder dat eiser in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

In de periode van 3 juni 2008 tot en met 19 september 2008 zijn op verschillende dagen en tijdstippen waarnemingen verricht in de [straat eiseres] en de [straat eiser]. Uit de observaties in de [straat eiseres] is het volgende gebleken.

* Op 18 juni 2008 heeft eiser om 07.05 uur de woning verlaten, voor de woning een sigaret

gerookt en is hij weer naar binnen gegaan. Om 7.15 uur is hij in de Volkswagen-bus

gestapt, waarna hij vier kinderen op verschillende adressen heeft opgepikt.

* Op 19 juni 2008 is eiser om 7.25 uur met een kind in de bus vertrokken vanaf het adres

[adres eiseres].

* Op 20 juni 2008 is eiser met de bus vanaf genoemd adres zonder kind vertrokken.

* Op 21 juni 2008 om 18.45 uur stond eiser in de voortuin de planten water te geven.

Tijdens de overige observaties, die op ruim dertig verschillende dagen en tijdstippen hebben plaatsgevonden, is eiser op het adres [adres eiseres] niet waargenomen. Tijdens een aantal waarnemingen wordt de witte VW-bus voor deze woning gezien. De bus wordt ook in de [straat eiser] gesignaleerd.

De rechtbank concludeert dat uit het overgrote deel van de waarnemingen naar voren komt dat eiser niet op het adres [adres eiseres] is aangetroffen. De bevindingen op de dagen dat eiser daar wél is gesignaleerd, leiden niet onomstotelijk tot de conclusie dat eiser aldaar zijn hoofdverblijf heeft en sluiten niet uit dat eiser daar slechts kortstondig aanwezig is geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eisers hebben verklaard dat eiser ’s ochtends vaak al vroeg in de woning van eiseres aanwezig was omdat hij kinderen met de VW-bus naar school bracht. Deze verklaring stemt overeen met diverse waarnemingen.

Aan het bestreden besluit liggen verder getuigenverklaringen ten grondslag, afgenomen van bewoners van de [straat eiser] en de [straat eiseres] op 3 juli 2008. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaringen onvoldoende specifiek zijn.

Uit de getuigenverklaringen van bewoners van de [straat eiser] blijkt als volgt.

* [a] heeft verklaard dat hij niet de indruk heeft dat eiser op nummer 17 woont en dat

volgens hem daar geen vrouw woont.

* [b] heeft verklaard dat zij niet wist of eiser op nr. 17 woont en dat zij er nooit

iemand ziet.

* [c] wist niet of eiser er echt woont.

* [d] heeft verklaard dat eiser komt en gaat. Of hij er daadwerkelijk woont, weet zij

niet.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze getuigenverklaringen onvoldoende duidelijk dat eiser in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf bij eiseres heeft gehad. De verklaringen bevatten onvoldoende zekerheid omtrent de vraag of eiser op het adres [adres eiser] woont dan wel heeft gewoond. Verder bieden zij geen duidelijkheid over de periode waarop de verklaringen van toepassing zijn.

Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar het hoofdverblijf van eiser in de periode voor 22 september 2006, het moment dat hij zich heeft ingeschreven op de [adres eiser].

Uit de getuigenverklaringen van bewoners van de [straat eiseres] blijkt als volgt.

* [e] woont een half jaar op het adres [adres] en heeft verklaard dat

eiser, die hij herkent als zijn buurman, op het adres [adres eiseres] woont met zijn vrouw

en een paar dochters.

* [f], wonende [adres], heeft verklaard dat eiser met zijn vrouw en de

twee dochters [kind 5] en [kind 4] op [adres eiseres] woont en dat hij dagelijks de kinderen

met de witte Volkswagenbus naar school brengt.

* [g] woonde van 1981 tot 2008 op [adres]. Zij heeft verklaard

dat vanaf 2003 op de [adres eiseres] een Marokkaans gezin met 4 of 5 kinderen woont.

Zij herkent eisers als de personen die op nummer 40 wonen. Eiser reed in een busje en

bracht volgens haar de kinderen naar school.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze getuigenverklaringen evenmin worden afgeleid dat eiser in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres heeft gehad. Weliswaar hebben de getuigen verklaard dat eiser op het adres [adres eiseres] woonde, maar er is niet geverifieerd of dit ook vanaf maart 2003 het geval was en evenmin is doorgevraagd waarop de conclusie dat eiser er woont, is gebaseerd. Dat eiser regelmatig op het adres van eiseres is gesignaleerd en dat hij ’s ochtends bij eiseres komt om met gebruikmaking van de VW-bus de kinderen naar school te brengen, leidt nog niet tot de conclusie dat eiser aldaar zijn hoofdverblijf heeft. Hieruit volgt dat verweerder deze verklaringen niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen, te meer daar eisers van meet af aan hebben ontkend dat eiser op het adres [adres eiseres] in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf heeft gehad.

Dat blijkens de bevindingen van het huisbezoek op 3 juli 2008 aan de [adres eiseres] in een vitrinekast in de woonkamer verzorgingsproducten van een man zijn aangetroffen, acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat eiser aldaar zijn hoofdverblijf heeft. Niet uitgesloten is dat deze spullen van de inwonende zoon waren. De verklaringen die eisers tijdens en direct na het huisbezoek hebben afgelegd over de aanwezigheid van eiser in de woning, kort voor de vakantie naar Marokko, acht de rechtbank evenmin doorslaggevend, nu deze verklaringen slechts gaan over de reden van de aanwezigheid van eiser in de nacht van 2 op 3 juli 2008 en over de vakantie van eiseres en haar dochter [kind 3] naar Marokko. Dat hierover door eisers tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd, kan eisers in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van hoofdverblijf in de in geding zijnde periode niet worden tegengeworpen.

Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat

eisers in de in geding zijnde periode een duurzaam gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de intrekking van de WWB-uitkering over de in geding zijnde periode niet in stand kan blijven. Dit heeft tot gevolg dat aan de terugvordering van eiseres en de medeterugvordering van eiser van de kosten van bijstand over de genoemde periode de grondslag is komen te ontvallen. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, alsmede het verzoek om vergoeding van wettelijke rente, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep. Nu ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, worden beschouwd als één zaak, worden deze begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep met registratienummer 09/871 niet-ontvankelijk;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 80,50;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 39 aan haar vergoedt.

verklaart het beroep met de registratienummers 09/1577 en 09/1578 gegrond;

vernietigt de besluiten I en II;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 41 aan hem vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 1 december 2009