Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK4926

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/781
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van artikel 23, zesde lid, van de WIA. De rechtbank gaat er van uit dat de wetgever met de laaste zin van artikel 23, zesde lid, van de WIA alleen het oog heeft gehad op verzekerden die uitsluitend een ZW-uitkering ontvangen en niet op de situatie waarin de werknemer een dienstbetrekking heeft bij een werkgever en daarnaat aanspraak heeft op een ZW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/781

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 november 2009

inzake

Hectas Bedrijfsdiensten c.v. Divisie Schoonhouden, eiseres,

gevestigd te Arnhem, vertegenwoordigd door L. van den Heuvel,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 februari 2009, uitgereikt door het UWV te Groningen.

2. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2008 heeft verweerder aan [naam], werknemer van eiseres (hierna: de werknemer) medegedeeld dat het niet mogelijk is om hem met verkorting van de wachttijd een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.

Verweerder heeft bij besluit van 2 februari 2009 het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag om een WIA-uitkering met verkorte wachttijd gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bij brief van 31 maart 2009 de werknemer in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende deel te nemen aan het geding. De werknemer heeft bij brief van 15 april 2009 te kennen gegeven niet te willen deelnemen aan het geding. Voorts heeft hij de rechtbank laten weten er bezwaar tegen hebben om eiseres inzage te geven in de medische gegevens.

Op 19 mei 2009 heeft de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 8:32, tweede lid, van de Awb beslist dat het uitsluitend aan de gemachtigde van eiseres is toegestaan kennis te nemen van medische stukken in deze zaak.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 september 2009. Eiseres is daar vertegenwoordigd door L. van den Heuvel, werkzaam als juridisch adviseur bij de Robidus Adviesgroep B.V. te Zaandam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. van Klaveren-Drost, werkzaam bij het UWV te Arnhem.

3. Overwegingen

De rechtbank neemt de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

De werknemer is per 1 januari 2008 voor 9,25 uur per week in dienst getreden bij eiseres. Naast dit dienstverband ontving de werknemer een uitkering op grond van Werkloosheidswet (WW). De werknemer heeft zich op 6 februari 2008 ziek gemeld bij eiseres en op 11 februari 2008 bij verweerder. Gelet op zijn WW-uitkering heeft verweerder de werknemer na de ziekmelding een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) verleend. Deze ZW-uitkering is toegekend op basis van artikel 29, tweede lid, van de ZW, de regeling voor de zogenoemde ‘vangnetters’. De werknemer heeft op 29 juli 2008 een aanvraag gedaan om toekenning van een WIA-uitkering met verkorte wachttijd.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de werknemer geen recht heeft op een WIA-uitkering met een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de WIA, omdat hij ziekengeld ontvangt op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW. Volgens verweerder sluit de tekst van de laatste zin van artikel 23, zesde lid, van de WIA, verkorting van de wachttijd in een dergelijk geval uit.

Eiseres heeft betoogd dat de omstandigheid dat de werknemer naast het dienstverband bij eiseres een ZW-uitkering ontvangt, niet in de weg staat aan het verkorten van de wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de WIA.

Het geschil tussen partijen gaat dus over de uitleg van artikel 23, zesde lid, van de WIA. De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 23, zesde lid, van de WIA luidde – ten tijde van belang – als volgt:

“Op aanvraag van de verzekerde stelt het UWV, in afwijking van het eerste lid, een verkorte wachttijd vast indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en bij de aanvraag artikel 66 in acht is genomen. Een verkorte wachttijd bedraagt ten minste 13 weken en ten hoogste 78 weken. Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet eerder vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe is ingediend. Dit lid is niet van toepassing op de verzekerde aan wie ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet wordt uitgekeerd.”

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 23 van de WIA blijkt dat de wetgever verkorting van de normale wachttijd van 104 weken mogelijk heeft willen maken voor die werknemers waarvan al voor afloop van de normale wachttijd duidelijk is dat zij volledig en duurzaam arbeidsgeschikt zijn, zonder kans op herstel. De wetgever heeft daarmee willen voorkomen dat een werkgever gedurende langere tijd verplicht is tot re-integratie-inspanningen en financiële lasten moet dragen, terwijl al duidelijk is dat een werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht en re-integratie niet meer mogelijk is. (Kamerstukken II, 2004-2005, 30 034, nr. 3, pagina 59). De wetgever heeft verzekerden die een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet ontvangen, willen uitzonderen van de mogelijkheid om een verkorte wachttijd vast te stellen, omdat deze werknemers geen werkgever hebben en re-integratie-inspanningen dus niet aan de orde zijn. (Kamerstukken II, 2004-2005, 30 034, nr. 3, pagina 59 en pagina 156.) De wetgever heeft daarbij kennelijk niet onderkend dat zich situaties kunnen voordoen waarin een werknemer een dienstbetrekking heeft bij een werkgever en daarnaast aanspraak heeft op een ZW-uitkering. Gelet op de bedoelingen van de wetgever moet echter ook in zo’n situatie worden aangenomen dat de wetgever verkorting van de wachttijd mogelijk heeft willen maken. Het beoogde doel van verkorting van de wachttijd is immers onverminderd aan de orde voor arbeidsongeschiktheid die is opgetreden in de dienstbetrekking. Niet valt in te zien dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een werkgever te verplichten tot zinloze re-integratie-inspanningen, om de enkele reden dat de werknemer naast de dienstbetrekking bij de werkgever nog een ZW-uitkering ontvangt die losstaat van de arbeidsrelatie. Voor een dergelijke opvatting biedt de wetsgeschiedenis ook geen aanknopingspunten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de wetgever met de laatste zin van artikel 23, zesde lid, van de WIA alleen het oog heeft gehad op verzekerden die uitsluitend een ZW-uitkering ontvangen.

De rechtbank ziet zich voor deze uitleg van artikel 23, zesde lid, van de WIA gesteund door

een wijziging van deze bepaling, die per 1 augustus 2009 in werking is getreden, waarbij aan de laatste zin van artikel 23, zesde lid, van de WIA is toegevoegd:

“en die geen recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.”

Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken 2008-2009 31 811 nr. 3, pagina 71) blijkt dat de wijziging is ingegeven door onduidelijkheid in gevallen waarin iemand zowel een

ZW-uitkering ontvangt als recht heeft op loondoorbetaling:

“De tekst van de huidige bepaling kan zo worden uitgelegd dat in de geschetste situatie geen verkorte wachttijd kan worden aangevraagd, omdat de betrokken werknemer – naast zijn recht op loondoorbetaling – ziekengeld ontvangt. Vanwege deze onduidelijkheid wordt geregeld dat alléén geen verkorte wachttijd kan worden aangevraagd als de verzekerde ziekengeld ontvangt én geen recht heeft op loondoorbetaling.”

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verkorting van de wachttijd – anders dan verweerder heeft aangenomen – kan worden toegepast voor arbeidsongeschiktheid opgetreden in een dienstbetrekking, ook als de werknemer naast en los van die dienstbetrekking een ZW-uitkering ontvangt op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW.

Verweerder heeft dus ten onrechte op grond van de laatste zin van artikel 23, zesde lid, van de WIA, geweigerd om de wachttijd te verkorten. Het bestreden besluit komt daarom in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met die bepaling.

In het verweerschrift heeft verweerder een gewijzigde motivering van de beslissing op bezwaar opgenomen. Volgens verweerder ligt aan de afwijzing van de aanvraag om de wachttijd te verkorten bij nader inzien ten grondslag dat ten tijde van de aanvraag op 29 juli 2008 de maximale verkorte wachttijd van 78 weken al was verstreken. Verweerder heeft daarbij 14 december 2006 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag aangemerkt. Daarmee heeft verweerder er echter aan voorbijgezien dat de werknemer in de aanvraag 6 februari 2008 als eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft vermeld. Met het nadere standpunt zoals uiteengezet in het verweerschrift heeft verweerder dus geen beslissing op de aanvraag genomen. De rechtbank ziet dan ook geen grond om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

De kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644,00 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 aan

haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 17 november 2009