Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK4905

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/1522
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser in het kader van een overgangssituatie een perkeervergunning verleend tot en met 31 december 2009. Ongeacht de grondslag, had verweerder eiser geen parkeervergunning kunnen verlenen voor een langere periode. Voorzover eiser met het beroep beoogt te bereiken dat hij een parkeervergunning verkrijgt voor langere duur, kan dat niet slagen. Eiser heeft geen belang bij het beroep. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/1522

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 21 oktober 2009

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder.

1. anduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 16 maart 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2008 heeft verweerder de aanvraag om een parkeervergunning afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder eiser alsnog een parkeervergunning verleend.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 31 augustus 2009. Eiser is daar niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.C. Campen en

G. Roelofsen.

3. Overwegingen

Eiser is woonachtig in [woonplaats]. Zijn dochter, [naam dochter], woont in het centrum van Ede aan de [adres]. Uit de stukken blijkt dat eiser en zijn vrouw hun dochter ondersteunen bij het zelfstandig verzorgen van haar kind. Ze bezoeken hun dochter daartoe een aantal keren per week. Op 28 november 2008 heeft eiser een parkeervergunning aangevraagd voor het centrum van Ede.

Bij besluit van 30 december 2008 heeft verweerder geweigerd een parkeervergunning te verlenen. In dat besluit, dat gericht is aan de dochter van eiser, [naam dochter], heeft verweerder onder verwijzing naar de toepasselijke regelgeving het standpunt ingenomen dat er geen grond is om een parkeervergunning te verlenen.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaarschrift voor advies in handen gesteld van de Commissie voor de Bezwaarschriften (hierna: de commissie). De commissie heeft geconcludeerd dat de aanvraag terecht is afgewezen. De commissie heeft verweerder voorts in overweging gegeven om eiser in het kader van een overgangssituatie een parkeervergunning te verlenen tot en met 31 december 2009. De commissie beoogde eiser aldus in de gelegenheid te stellen om in de loop van het jaar te zoeken naar een alternatieve voorziening.

Verweerder heeft het advies van de commissie overgenomen en heeft eiser tot en met

31 december 2009 alsnog een parkeervergunning verleend. Verweerder heeft daarbij overwogen dat zij deze periode aanmerkt als een overgangssituatie. In het kader van een toekomstige aanvraag zal worden onderzocht of op de situatie van eiser de hardheidsclausule van toepassing is, aldus verweerder.

Eiser kan zich niet verenigen met het feit dat de parkeervergunning is verleend in het kader van een overgangssituatie.

Nu eiser in bezwaar een vergunning is verleend, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog een belang heeft bij de beoordeling van het beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan geen uitspraak van de rechter worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. Vereist is dat datgene wat eiser met het beroep probeert te bewerkstelligen ook daadwerkelijk kan worden bereikt. Als er een reële kans bestaat dat een soortgelijk besluit wederom tot een geschil zal kunnen leiden, kan eiser daaraan een procesbelang ontlenen. Procesbelang dient voorts te worden aangenomen indien tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat als gevolg van het bestreden besluit schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel E van de Parkeerverordening 2009 van de gemeente Ede wordt elke parkeervergunning ten hoogste voor de duur van een jaar verleend, met ingang van de dag na verlening tot uiterlijk 1 januari van het volgende jaar. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze bepaling sinds 1 januari 2009 strikt wordt toegepast en dat alle nadien verleende parkeervergunningen een maximale looptijd hebben van een jaar. Dit betekent dat ongeacht de grondslag, verweerder eiser geen parkeervergunning had kunnen verlenen voor een langere periode dan thans het geval is. Voorzover eiser met het beroep beoogt te bereiken dat hij een parkeervergunning verkrijgt voor langere duur, kan dat niet slagen. Hij heeft in dit opzicht dus geen belang bij het beroep.

Hoewel er een reële kans is dat eiser voor het komende jaar wederom een parkeervergunning aanvraagt, wordt daarmee nog niet voldaan aan de in de rechtspraak geldende criteria voor het aannemen van procesbelang. De rechtbank overweegt dat een dergelijke aanvraag kan uitmonden in het afwijzen van de aanvraag of in het verlenen van een parkeervergunning. Als verweerder zou weigeren eiser voor het jaar 2010 een parkeervergunning te verlenen, gaat het niet om een soortgelijk besluit als thans aan de orde is. In dat geval is sprake van een afwijzend besluit, waarbij verweerder zich - naar valt aan te nemen - op standpunt zal stellen dat eiser niet valt onder hardheidsclausule. In een eventueel beroep zal dan de toepasselijkheid van de hardheidsclausule aan de orde zijn, terwijl dat thans niet het geval is.

Indien verweerder ertoe zou overgaan om eiser voor aankomend jaar onder toepassing van de hardheidsclausule wel een vergunning te verlenen, ligt er in een eventuele beroepsprocedure eveneens een andersoortig besluit voor, omdat ook dan – anders dan nu – een toets ten aanzien van de hardheidsclausule aan de orde is. In zoverre is er dus evenmin een procesbelang.

Nu eiser ten slotte niet heeft gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit, kan de rechtbank in zoverre evenmin procesbelang aannemen.

Conclusie is dat eiser geen procesbelang heeft en dat het beroep om die reden

niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 21 oktober 2009