Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK4888

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/5692
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres betoogt dat 24-uurs toezicht noodzakelijk is. Besluit zorgaanspraken AWBZ voorziet niet in een indicatie voor de functie “toezicht”. Leveringsvoorwaarde D (impliceert continu toezicht) is een advies van het CIZ aan het zorgkantoor, daadwerkelijk invulling blijft, bevoegdheid van het zorgkantoor. De hoogte van de uitbetaling van de kosten van zorg is een kwestie tussen zorgbehoevende en zorgkantoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/5692

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 27 oktober 2009

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], te deze handelend in de hoedanigheid van moeder en wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige dochter [naam],

vertegenwoordigd door mr. M.F. Vermaat,

tegen

de stichting Centrum indicatiestelling zorg (CIZ), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 november 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2008 heeft verweerder voor [naam] (hierna: [dochter]) een indicatie afgegeven op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor een zorgzwaartepakket VV08.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar deels gegrond verklaard en het besluit van 11 april 2008 ingetrokken (lees: herroepen). In plaats van het herroepen besluit van 11 april 2008 heeft verweerder een functiegerichte indicatie afgegeven met leveringsvoorwaarde D, ingaande 11 april 2008 en geldend tot 11 april 2009.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld waarbij tevens is verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 27 januari 2009, registratienummer AWB 08/5691, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Door verweerder is naar aanleiding van het ingestelde beroep een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 10 april 2009. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door mr. Vermaat voornoemd, advocaat te Amsterdam, bijgestaa[K]r I. [K] van Interlife Zorgadvies. Verweerder is, met bericht, niet verschenen.

De rechtbank heeft op 14 april 2009 het onderzoek in deze zaak heropend, waarna van de zijde van partijen nog diverse stukken aan de rechtbank zijn toegezonden. Met toestemming van partijen is vervolgens het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.

3. Overwegingen

Naar aanleiding van een namens [dochter] ingediende aanvraag voor 24 uur per dag zorg in de thuissituatie heeft verweerder haar eerst een zorgzwaartepakket ( ZZP) toegekend met code VV08. Dit betekent indicatie voor verblijf in een instelling, echter in casu in de vorm van zorg in natura zonder opnamewens. Verblijf is geïndiceerd vanwege de noodzaak van permanent toezicht. Permanent toezicht kan gericht zijn op het bieden van fysieke zorg, het verlenen van zorg op onregelmatige tijden of het ingrijpen bij gedragsproblemen.

Het CIZ levert zelf geen zorg en [dochter] dient zich om voor zorg in natura in aanmerking te komen bij het Zorgkantoor Arnhem/Twente te melden.

Na ingesteld bezwaar, met name vanwege het ontbreken van voldoende financiële middelen om 24-uurszorg thuis te kunnen inkopen, heeft verweerder besloten dat [dochter] niet naar Verblijf wordt geïndiceerd, maar dat zij een functiegerichte indicatie krijgt. In het bestreden besluit wordt geïndiceerd voor ondersteunende begeleiding algemeen klasse 7 (16 tot 19,9 uur per week), voor persoonlijke verzorging klasse 8 (20 tot 24,9 uur met 6 uur additionele zorg per week), en voor verpleging klasse 1 (1 tot 1,9 uur per week). Hierbij wordt leveringsvoorwaarde D aangegeven, die continu toezicht impliceert. Met deze indicatie gaat [dochter] er ten opzichte van de eerdere besluitvorming volgens verweerder financieel op vooruit.

In beroep stelt eiseres dat de indicatie daartoe moet strekken dat de benodigde 24-uurszorg door een terzake deskundige derde wordt geleverd. Benadering van het Zorgkantoor heeft uitgewezen dat er geen grondslag kan worden gevonden voor het betalen van een persoonsgebonden budget ten behoeve van dergelijk 24-uurstoezicht. Volgens de gemachtigde van eiseres zou derhalve de functie ondersteunende begeleiding moeten worden opgehoogd naar een niveau waarmee 24-uurstoezicht kan worden geboden door een gespecialiseerde kracht.

Het CIZ is van mening dat het gegeven dat [dochter] 24-uurs toezicht nodig heeft, niet betekent dat er ook een indicatie voor 24-uurs zorg kan worden vastgesteld. Hierbij verwijst het CIZ naar het Zorgindicatiebesluit. Ook al is indiceren met ZZP doelmatiger, in casu wordt gekozen, zoals mogelijk gemaakt door verweerders beleidsregels, voor enige ondoelmatigheid en daarom worden de zorgsoorten nu geïndiceerd. Het permanente toezicht zit verdisconteerd in leveringsvoorwaarde D. De zorgaanbieder wordt geadviseerd deze zorg te laten verlenen door een zorgverlener die 24 uur per dag dichtbij de verzekerde is. De hulpverlener moet direct zorg kunnen leveren als dat nodig is, aangezien anders gevaar ontstaat. Er hoeft geen gekwalificeerd toezicht te zijn, voldoende is een betrokken, empathische volwassene. Dit is volgens verweerder ook voldoende gelet op de aanleiding van de onderhavige aanvraag, namelijk het wegvallen van de ouder die mantelzorg gaf. Voorts wijst verweerder op de mogelijke overlap met de ZZP-indicatie van de moeder van [dochter]. Overigens kan in een geschil als het onderhavige, betreffende indicatiestelling, niet met vrucht een beroep worden gedaan op problemen met het effectueren van de geïndiceerde zorg. Eventueel bestaat er voor het Zorgkantoor de vrijheid het netto persoonsgebonden budget op te hogen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

De rechtbank stelt vast dat dit orgaan het CIZ is.

Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

Als vormen van zorg bedoeld in voormeld artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ worden op grond van artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit aangewezen de vormen van zorg bedoeld in de artikelen 4 tot en met 10 en 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.

Artikel 2, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ bepaalt dat de aanspraak op zorg slechts bestaat voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

Artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ bepaalt dat verblijf omvat het verblijven in een instelling indien de zorg, bedoeld in de artikelen 4, 5, 6, 7 of 8 noodzakelijkerwijs gepaald gaat met een beschermende woonomgeving, therapeutisch leefklimaat dan wel permanent toezicht.

Ter invulling van de in de artikelen 2, tweede lid, en 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ heeft verweerder beleid ontwikkeld. Dat beleid – voor zover hier van belang – was ten tijde hier in geding neergelegd in het Protocol Indicatiestelling voor Verblijf.

De rechtbank stelt allereerst vast dat in dit geding naar haar oordeel slechts de indicatiestelling ter beoordeling voorligt.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de omvang van de in het bestreden besluit geïndiceerde zorg niet in overeenstemming zou zijn met de bij [dochter] aanwezige zorgbehoefte.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat voor [dochter] aanvankelijk Verblijf is geïndiceerd, maar dat namens haar is verzocht om functiegerichte indicatie. Verweerder heeft hier met toepassing van voornoemd beleid en het daarin genoemde stappenplan positief op gereageerd bij het bestreden besluit.

Namens eiseres is volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vaststelling van de zorgsituatie van [dochter] en de benodigde zorgbehoefte niet als juist kan worden bestempeld. Met name heeft eiseres onvoldoende gemotiveerd dat [dochter] 24 uur per dag gekwalificeerd toezicht nodig heeft. Bovendien voorziet het Besluit zorgaanspraken AWBZ niet in een indicatie voor de functie “toezicht”.

Wel is vervolgens als vervolgonderdeel van dit stappenplan door verweerder leveringsvoorwaarde D vastgesteld, inhoudende een advies aan het zorgkantoor als hiervoor omschreven. De daadwerkelijke invulling daarvan blijft een bevoegdheid van het Zorgkantoor.

Als laatste stap is ten aanzien van [dochter] de benodigde AWBZ-zorg in termen van functies en klassen vertaald. Voor de namens eiseres gevraagde ophoging van de functie ondersteunende begeleiding ziet de rechtbank in de hier van toepassing zijnde wet- en regelgeving geen mogelijkheden.

Ten aanzien van de vraag of de hoogte van uitbetaling van de kosten van zorg voldoende is wijst de rechtbank op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld LJN BI5266), inhoudende dat dit een kwestie is tussen zorgbehoevende en zorgkantoor. Daarin kan de rechtbank in het thans ter beoordeling voorliggende geschil niet treden.

Naar aanleiding van het beroep van de gemachtigde van eiseres tegen het in het bestreden besluit ten onrechte niet vergoeden van de kosten die mevrouw [K] heeft gemaakt voor het indienen van het bezwaarschrift merkt de rechtbank op, dat hiertoe volgens haar geen gehoudenheid voor verweerder bestond nu niet is komen vast te staan dat mevrouw [K] hier in het bezwaarschrift dan wel in de periode daarna tot datum bestreden besluit uitdrukkelijk om heeft gevraagd. Een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond blijft derhalve achterwege.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Osch-Leysma, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. P.L. de Vos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier.

De griffier, De voorzittter,

In het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2009

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 27 oktober 2009