Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK4865

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
09/263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het verzoek tot wraking afgewezen. Het feit dat de kantonrechter heeft beslist dat geen nieuwe comparitie zal worden bepaald leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de rechterlijke onpartijdigheid van de kantonrechter in het geding is, in objectieve of in subjectieve zin. Van een beslissing die afwijkt van hetgeen in dezen gebruikelijk is is immers geen sprake, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat van enige vooringenomenheid sprake is. Ook het feit dat de kantonrechter zou hebben gezegd “dat haar tijdens de comparitie genoeg duidelijk was geworden” kan hiertoe niet leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

zaaknummer / rolnummer: 09/263

Beschikking van 24 november 2009

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster tot wraking,

hierna te noemen: verzoekster,

en

[rechter Y]

in hoedanigheid van kantonrechter te Nijmegen inzake de procedure [nummer procedure], [partij X] tegen [verzoekster].

1. Het verzoek om aanhouding

Bij de stukken bevindt zich een brief van [persoon A], gedateerd 16 november 2009, waarin deze namens verzoekster verzoekt om aanhouding van de zitting, omdat verzoekster op 14 november 2009 is getroffen door een CVA.

De rechtbank overweegt het volgende.

De behandeling van het wrakingsverzoek is reeds eenmaal eerder aangehouden op verzoek van verzoekster. Inmiddels zijn er ruim twee maanden verstreken sinds de indiening van het wrakingsverzoek op 19 september 2009. Gelet op het in de wet neergelegde uitgangspunt dat wrakingsverzoeken zo spoedig mogelijk worden behandeld, zulks met het oog op het belang van de voortgang van de onderliggende procedure en de belangen van de wederpartij, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot aanhouding dient te worden afgewezen.

De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de zitting af.

2. De procedure

2.1. Op 19 september 2009 heeft verzoekster een verzoek tot wraking ingediend gericht tegen [rechter Y] kantonrechter te Nijmegen inzake de procedure [nummer procedure], [partij X] tegen [verzoekster].

2.2. [rechter Y] heeft niet in de wraking berust. Zij heeft haar verweer aan de rechtbank toegezonden. Dit is voor de mondelinge behandeling aan verzoekster toegezonden.

2.3. Op 18 september 2009 heeft een medewerkster van de wrakingskamer schriftelijk aan verzoekster medegedeeld dat haar verzoek tot wraking van [rechter Y] door de wrakingskamer zal worden behandeld op maandag 28 september 2009 om 16.15 uur.

2.4. Op 28 september 2009 heeft [persoon B], namens verzoekster, schriftelijk verzocht om aanhouding van de zitting van 28 september 2009 in verband met de opname van verzoekster in het ziekenhuis met een acuut hartinfarct. Dit verzoek is toegewezen, hetgeen is vastgelegd in een proces-verbaal van de zitting van 28 september 2009.

2.5. De wrakingskamer heeft hierop het verzoek ter openbare terechtzitting van 16 november 2009 behandeld. Verzoekster noch [rechter Y] is verschenen.

2.6. Ten slotte is de beslissing bepaald op heden.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. Verzoekster stelt dat de rechterlijke onpartijdigheid van [rechter Y] in het geding is en heeft hiertoe het volgende aangevoerd:

Op 31 augustus 2009 heeft verzoekster aan de griffie van de rechtbank een adreswijziging doorgegeven. Hierop is door de griffie niet gereageerd. Op 8 september 2009 heeft verzoekster derhalve een reminder gestuurd. De griffie deelde haar toen mee dat er op 4 september 2009 een comparitie van partijen had plaatsgevonden in de procedure [nummer procedure], [partij X] tegen verzoekster. Verzoekster heeft vervolgens verzocht om haar visie op deze zaak te mogen geven naar aanleiding van de comparitie doch de kantonrechter, [rechter Y], heeft dit geweigerd, omdat tijdens de comparitie haar genoeg duidelijk was geworden. Verzoekster meent dat hierdoor het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Bovendien had de griffie zonder meer verzoekster telefonisch dan wel schriftelijk kunnen informeren over de datum van de comparitie nu dit om heel duidelijke redenen niet in het bezit was van verzoekster. Verzoekster heeft op grond van vorenstaande de objectief gerechtvaardigde vrees dat [rechter Y] parti-pris is en dat verzoekster derhalve geen eerlijk proces krijgt.

3.2. [rechter Y] heeft het volgende verweer gevoerd:

Op 14 juli 2009 is per aangetekend schrijven een comparitievonnis aan verzoekster gezonden, welk schrijven niet retour is gekomen. In het comparitievonnis is vermeld dat de comparitie zou worden gehouden op 4 september 2009. Verzoekster is vervolgens niet verschenen op de comparitie, waarna de zaak op de rol van 25 september 2009 is geplaatst voor vonnis. Op 14 september 2009 heeft verzoekster een faxbericht gestuurd naar de griffie met het verzoek alsnog gehoord te worden. Zij stelde daarin dat zij op 31 augustus 2009 reeds een adreswijziging had gestuurd en dat de rechtbank derhalve ten onrechte post had gestuurd naar haar oude adres. [rechter Y] heeft hierop beslist dat geen nieuwe comparitie zou worden bepaald, daarbij in overweging nemend dat het comparitievonnis ruim voor 31 augustus 2009 per aangetekend schrijven aan verzoekster was toegestuurd en dat dit aangetekende schrijven niet retour was gekomen. Voorts is het vermeende faxbericht van 31 augustus 2009 ook niet in het dossier aangetroffen en is dit faxbericht ook niet bij de griffie bekend.

3. De motivering van de beslissing

3.1. Gelet op artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het (Europees) Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.3. De onpartijdigheid van de rechter moet worden beoordeeld aan de hand van een subjectieve toets, waarbij het gaat om de persoonlijke overtuiging van een bepaalde rechter in een bepaalde zaak, en aan de hand van een objectieve toets, waarbij moet worden vastgesteld of de rechter voldoende waarborgen bood om iedere gerechtvaardigde twijfel te zijnen opzichte uit te sluiten. Wat laatstgenoemde toets betreft, kan zelfs schijn van partijdigheid van belang zijn. Het gaat om het vertrouwen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving het publiek moet inboezemen. De vrees voor partijdigheid moet wel objectief gerechtvaardigd geacht kunnen worden.

3.4. De rechtbank overweegt dat op 14 juli 2009 zowel per aangetekend schrijven als per gewone brief het comparitievonnis aan verzoekster is gezonden. Het aangetekende schrijven is niet retour gekomen. De rechtbank leidt hieruit af dat verzoekster het vonnis moet hebben ontvangen nu het tegendeel niet is gebleken.

3.5. Voorts heeft verzoekster, naar zij zelf stelt, pas op 31 augustus 2009 een adreswijziging doorgegeven aan de rechtbank. Het desbetreffende faxbericht bevindt zich niet in het procesdossier. Evenmin heeft verzoekster aangetoond dat zij dit bericht op die dag heeft verzonden. Los daarvan moet worden vastgesteld dat deze datum ligt na de datum waarop de rechtbank het comparitievonnis aan verzoekster heeft toegezonden. Op het moment van de verzending van het vonnis was de adreswijziging dus nog niet bij de rechtbank bekend. Nu het de verantwoordelijkheid van verzoekster is om tijdig haar adreswijziging aan de rechtbank bekend te maken, is de rechtbank van oordeel dat mogelijke gevolgen van het niet tijdig bekend maken niet de kantonrechter verweten kunnen worden.

Het feit dat de kantonrechter vervolgens heeft beslist dat geen nieuwe comparitie zal worden bepaald leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de rechterlijke onpartijdigheid van [rechter Y] in het geding is, in objectieve of in subjectieve zin. Van een beslissing die afwijkt van hetgeen in dezen gebruikelijk is is immers geen sprake, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat van enige vooringenomenheid sprake is.

Ook het feit dat [rechter Y] zou hebben gezegd “dat haar tijdens de comparitie genoeg duidelijk was geworden” kan hiertoe niet leiden. Verzoekster heeft niet aangegeven wanneer of in welke context [rechter Y] deze uitlating heeft gedaan. Uit het proces-verbaal van de comparitie blijkt voorts dat de eisende partij zich niet over de inhoud van de zaak heeft uitgelaten. Gelet hierop kan aan deze uitlating van [rechter Y] geen andere betekenis worden gehecht, dan dat zij zich in staat achtte op basis van de in het proces-dossier aanwezige stukken tot een beslissing te komen. Het stond haar vrij tot deze conclusie te komen en deze getuigt niet van enige vooringenomenheid.

3.6. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

Wijst af het verzoek tot wraking van mr. [naam rechter ].

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.A. den Tonkelaar (voorzitter), E.A.A.M. Pfeil en C. van Linschoten, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.B. Wichman op 24 november 2009.

de griffier de voorzitter