Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK4855

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
05/600816-09 en 05/509100-07 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een litteken is geen letsel en kan daarom op zichzelf geen zwaar lichamelijk letsel opleveren. Het kan wel, tezamen met het letsel waarvan het een overblijvend teken is, onderdeel van het juridische begrip zwaar lichamelijk letsel uitmaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer: 05/600816-09 en 05/509100-07 (tul)

Datum zitting : 17 november 2009

Datum uitspraak : 1 december 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsvrouw : mr. L.K. de Ronde, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 27 juni 2009 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, aan een persoon genaamd zijn levensgezel [slachtoffer] (zijn toenmalige levensgezel), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gezichtsontsierend litteken op/over haar neus), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) met gebalde vuist in/op/tegen/ haar neus/gezicht te stompen/slaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 27 juni 2009 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan zijn toenmalige levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer] (met kracht) met gebalde vuist op/in/tegen haar neus/gezicht heeft gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 27 juni 2009 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, opzettelijk

mishandelend zijn toenmalige levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer], (met kracht) met gebalde vuist in/op/tegen haar neus/gezicht heeft

gestompt/geslagen, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, namelijk

een gezichtsontsierend litteken op/over haar neus . althans enig lichamelijk letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 17 november 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. L.K. de Ronde, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: [slachtoffer]

De officier van justitie, mr. E.H. Köhne-Hoegen, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden op te leggen:

• reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling, en

• een verbod om contact te hebben met [slachtoffer] voor de duur van 2 jaren;

en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 2.111,04 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie gevorderd de tenuitvoerlegging van 2 weken gevangenisstraf die door de politierechter te Arnhem op 23 oktober 2007 voorwaardelijk is opgelegd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Bewijsmiddelen

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat vastgesteld:

Verdachte heeft op 27 juni 2009 te Lobith zijn toenmalige levensgezel [slachtoffer] met zijn vuist opzettelijk in haar gezicht gestompt tengevolge waarvan zij letsel, te weten een fractuur van de neus op drie plaatsen, een beschadigde traanbuis, afgebroken hoekstukjes van drie tanden, een 8cm lange wond en pijn heeft ondervonden.

Standpunten van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het primair tenlastegelegde bewezen is. Er is door verdachte zeer hard geslagen en er is sprake van een duidelijk zichtbaar, en mogelijk blijvend, litteken in het gezicht van het slachtoffer.

Standpunten van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde nu het letsel van het slachtoffer niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel en de enkelvoudige klap in het gezicht naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De raadsvrouw refereert zich voor wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde.

Beoordeling van de standpunten

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, stelt de rechtbank het volgende voorop. In het primair tenlastegelegde is het zwaar lichamelijk letsel nader gespecificeerd als ‘(een gezichtsontsierend litteken op/over haar neus)’. Nu deze specificatie de feitelijke grenzen van het tenlastegelegde begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’ aangeeft en weglating van die specificatie een ruimere uitleg van het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’ mogelijk maakt, is de rechtbank van oordeel dat deze specificatie niet van bijkomstige aard is en derhalve niet kan worden weggestreept zonder de grondslag van de tenlastelegging te verlaten.

De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of een gezichtsontsierend litteken op zichzelf als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd. Naar algemeen spraakgebruik is een litteken een overblijvend teken van letsel. Dit letsel kan, afhankelijk van de aard en de ernst ervan, juridisch als ‘zwaar lichamelijk letsel’ gekwalificeerd worden. Een litteken is geen letsel en kan daarom op zichzelf geen zwaar lichamelijk letsel opleveren. Het kan wel, tezamen met het letsel waarvan het een overblijvend teken is, onderdeel van het juridische begrip zwaar lichamelijk letsel uitmaken. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit, in het onderhavige geval, dat het door verdachte toegebrachte letsel, te weten een fractuur van de neus op drie plaatsen, een beschadigde traanbuis, afgebroken hoekstukjes van drie tanden, een 8 cm lange wond en een gezichtsontsierend litteken, als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd. Dit is echter niet tenlastegelegd. Het enkele litteken kan naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig gekwalificeerd worden.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het tenlastegelegde bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ niet bewezen acht en dat zij verdachte derhalve van het primair tenlastegelegde zal vrijspreken.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank tevens van oordeel dat geen sprake geweest is van een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu uit de feiten kan worden afgeleid dat er sprake is van een voltooid delict. Van het subsidiair ten laste gelegde dient verdachte daarom eveneens worden vrijgesproken. Het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde, behoeft daarom geen bespreking meer.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 27 juni 2009 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, opzettelijk

mishandelend zijn toenmalige levensgezel, [slachtoffer], (met kracht) met gebalde vuist in haar gezicht heeft

gestompt, ten gevolge waarvan deze lichamelijk letsel

heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn levensgezel.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 29 juni 2009;

• een voorgeleidingsconsult betreffende verdachte, opgemaakt d.d. 17 juli 2009 door het NIFP;

• een pro justitia rapportage betreffende verdachte, opgemaakt door drs. I.I. van der Klaauw, psycholoog, gedateerd 7 september 2009; en

• een adviesrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 12 november 2009, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn toenmalige partner in haar gezicht gestompt waardoor zij – onder meer –

een gebroken neus heeft opgelopen. Aan die gebroken neus heeft het slachtoffer een

gezichtontsierend litteken op haar neus overgehouden. Dit geweld, zeker nu dit plaatsvond

binnen een relatie waarin men op de hoogte was van elkaars fysieke vermogens en beperkingen,

is buitenproportioneel en laf te noemen.

Uit de aangehaalde justitiële documentatie blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van

misdrijven, waaronder soortgelijke geweldsdelicten, is veroordeeld. Bovendien heeft verdachte

het onderhavige feit gepleegd terwijl hij nog in de proeftijd liep ter zake van een veroordeling

wegens een poging tot zware mishandeling.

Door de psycholoog is gerapporteerd dat verdachte ongenuanceerd is, over weinig reflectievermogen beschikt en zich niet goed in een ander kan verplaatsen. Er is sprake van borderline problematiek. Verdachte heeft de neiging om overmatig en inadequaat op stressvolle situaties te reageren. Hij heeft een gebrekkig zelfinzicht en reflectievernogen. Op sociaal-emotioneel gebied stagneert zijn ontwikkeling en hij heeft daardoor weinig inzicht in eigen en andermans handelen. In relaties is verdachte bang om in de steek gelaten te worden en is hij continu onzeker over de liefde van zijn partner. Dit gaat gepaard met een grote behoefte aan controle, moeite om de partner een eigen leven toe te staan, bemoeizucht en achterdocht. Verdachte wordt enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Volgens de psycholoog is verdachte gebaat bij een poliklinische behandeling in een forensische polikliniek, waar hij kan leren om beter met zijn agressie om te gaan, zijn impulsen beter te beheersen en om zich op sociaal-emotioneel gebied verder te ontwikkelen.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair

tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft gesteld dat het slachtoffer in de onderhavige zaak, en overigens

ook al eerder, ook geweld heeft gebruikt tegen verdachte. De raadsvrouw verzoekt daarmee

rekening te houden, evenals met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De raadsvrouw

heeft een werkstraf bepleit.

De rechtbank zal de eis van de officier van justitie niet volgen, nu zij tot een

bewezenverklaring komt van een minder zwaar strafbaar feit dan de officier van justitie. De rechtbank neemt de oriëntatiepunten voor feiten als de onderhavige, en zoals afgesproken door het Landelijk overleg van de voorzitters van de strafsectoren van de rechtbanken en de gerechtshoven, als uitgangspunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank houdt geen rekening met mogelijke geweldshandelingen van het slachtoffer, nu niet is gebleken dat verdachte hiervan gevolgen heeft ondervonden. Bovendien had verdachte ervoor kunnen kiezen om weg te gaan, in plaats van het slachtoffer te slaan.

Hoewel de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke straf noemen, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van hierna vermelde duur passend zijn. De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaarde¬lijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclasse¬ring, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of soortgelijke instelling, teneinde te leren beter om te gaan met zijn agressie en impulsen, en om zich op sociaal-emotioneel gebied verder te ontwikkelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de voorwaardelijke gevangenisstraf ook de bijzondere voorwaarde van een contactverbod op te leggen omdat niet is gebleken dat verdachte na 27 juni 2009 op enigerlei wijze contact met het slachtoffer heeft gezocht.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.111,04, te weten € 411,04 ter zake van vergoeding voor materiële schade en € 1700,00 ter zake van vergoeding voor immateriële schade.

De rechtbank zal de civiele vordering tot een bedrag van € 411,04 aan materiële schade toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken naar billijkheid op dat bedrag is begroot. De stelling van de raadsvrouw dat er geen sprake van inkomstenderving is geweest bij de benadeelde partij omdat zij bij een pizzeria gewerkt zou hebben, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd nu uit het door de raadsvrouw overgelegde briefje van [naam] niet blijkt hoeveel uren de benadeelde partij daar heeft gewerkt noch wat daarvoor haar verdiensten zijn geweest.

De rechtbank acht daarnaast voldoende bewezen dat de benadeelde partij door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. De rechtbank is van oordeel dat de in de Smartengeldgids vermelde casus, waarnaar ter vergelijking door de benadeelde partij wordt verwezen, niet vergelijkbaar is met de onderhavige casus nu er in die casus sprake is van meer letsel en grotere gevolgen dan in casu het geval is. De rechtbank is echter wel van oordeel dat in de onderhavige zaak in ieder geval een bedrag van € 1.000,00 aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voorzo¬ver zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Voor het toewijsbare deel van de vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan de door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen.

6b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie juist. Zij zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Arnhem d.d. 23 oktober 2007 onder parketnummer 05/509100-07.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22c, 22d, 27, 36f, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiaire tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, (ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of een andere vergelijkbare instelling) voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

het verrichten van een werkstraf gedurende honderdentachtig ( 180) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op negentig (90) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten zes (6) uren, zijnde drie (3) dagen hechtenis.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], p/a [adres], te betalen € 1.411,04 (zegge duizend vierhonderd en elf euro en vier cenrt), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2009.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1.411,04, subsidiair 24 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], per adres [adres], te betalen € 1.411,04, (zegge duizend vierhonderd en elf euro en vier cenr), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2009, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

DE BESLISSING OP DE VORDERING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van twee (2) weken voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter, d.d. 23 oktober 2007, onder parketnummer 05/509100-07.

Aldus gewezen door:

mrs.

B.F.M. Klappe, voorzitter, C.N. Dijkstra en E. De Boer,

in tegenwoordigheid van mr. H.G. Eskes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2009.