Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK4480

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/2490
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Het besluit is op een onjuiste wettelijke grondslag gebaseerd. Beroep gegrond. Rechtsgevolgen worden in stand gelaten. De aanvraag is te laat ingediend en geen sprake is van een bijzonder geval, als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/2490

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 30 september 2009

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.A.J. van Laake,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 mei 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2009 heeft verweerder eiseres een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) geweigerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 2 september 2009. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.A.J. van Laake. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels. Als getuige is gehoord de heer [naam].

3. Overwegingen

Eiseres heeft op 16 januari 2009 een aanvraag om een WW-uitkering ingediend. De aanvraag heeft betrekking op een dienstverband dat eiseres heeft gehad bij [werkgever ] te Nijmegen dat op 15 januari 2006 is beëindigd.

Verweerder heeft de gevraagde uitkering geweigerd en heeft deze weigering bij het bestreden besluit van 15 mei 2009 gehandhaafd. Aan dat besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat een recht op WW voor eiseres zeer onzeker is vanwege de onduidelijke gegevens over haar arbeidsverleden. Echter, als er al recht zou bestaan op een volledig recht op een WW- uitkering, is haar aanvraag zodanig laat ingediend dat het recht niet meer opeisbaar is.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zich begin maart 2006 bij het UWV in Nijmegen - bedoeld zal zijn: het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) - heeft gemeld om een aanvraag te doen, maar dat zij is weggestuurd door een medewerker met de mededeling dat zij geen aanvraag kon indienen, omdat ze niet bekend was als werknemer. Zij heeft er op gewezen dat zij de Nederlandse taal niet goed beheerst. Nu het aan verweerder valt te verwijten dat er niet tijdig een schriftelijke aanvraag is ingediend, dienen de gevolgen daarvan in deze bijzondere situatie voor zijn rekening te blijven, aldus eiseres. Zij verzoekt de rechtbank om vernietiging van het bestreden besluit en te bepalen dat aan haar alsnog een uitkering met ingang van 16 januari 2006 wordt toegekend, met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 35 van de WW. Op grond van dat artikel wordt de WW-uitkering niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV is bevoegd om in bijzondere gevallen af te wijken.

Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dienen aanspraken van de verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft. De aanvraag van eiseres moet daarom worden beoordeeld naar de bepalingen van de WW, zoals die luidden op 16 januari 2006. Aangezien artikel 35 van de WW eerst na deze datum, namelijk op 10 oktober 2006, in werking is getreden, heeft verweerder het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag gebaseerd. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.

Ingevolge artikel 23 van de WW, zoals dat luidde ten tijde van de aanspraak kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen hiervan af te wijken.

Ingevolge artikel 42, eerste lid van de WW, zoals dat luidde ten tijde van de aanspraak, is,

te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan, de duur van de loongerelateerde uitkering bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaren en niet meer dan 25 jaren, twee jaar. Op grond van het derde lid wordt het arbeidsverleden berekend door samentelling van:

a. het aantal kalenderjaren, vanaf en met inbegrip van 1998 tot en met het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, waarover de werknemer over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen; en

b. het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot 1998.

De rechtbank gaat er in het navolgende van uit dat eiseres door het bëeindigen van haar werkrelatie met [werkgever] recht had op een WW-uitkering. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de Sector kanton van deze rechtbank bij vonnis van 25 mei 2007 (447310/ HA ZA 06-3343) heeft geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, waarbij eiseres vanaf 2003 dagelijks werkzaamheden voor [werkgever] verrichtte. Verder is niet gebleken dat zich ten aanzien van het recht op WW-uitkering een wettelijke uitsluitingsgrond voordeed.

Onbetwist is echter dat eiseres haar aanvraag niet binnen 26 weken na 15 januari 2006 heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich verder terecht op het standpunt gesteld dat op het tijdstip van 26 weken voorafgaand aan de aanvraag – 18 juli 2008 – geen recht op een uitkering meer bestond. Hoewel de rechtbank geen volledig zicht heeft op het arbeidsverleden van eiseres, staat vast, gelet op het bepaalde in artikel 42 van de WW en de leeftijd van eiseres, dat de uitkeringsduur maximaal twee jaar heeft bedragen en dus op 18 juli 2008 was verstreken.

Het vorenstaande betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres slechts had kunnen honoreren in geval sprake was van een bijzonder geval, als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van de WW.

De aanwezigheid van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld is een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan van, en de uitoefening van, de bevoegdheid van verweerder om van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 23 van de WW af te wijken. De rechter dient volledig te toetsen of in een concreet geval aan die voorwaarde is voldaan, waarbij uit de jurisprudentie van de CRvB - zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 23 december 2003, LJN: AO4502 - volgt dat het begrip 'bijzonder geval' naar zijn aard restrictief dient te worden uitgelegd.

Voor de rechtbank is op grond van de gedingstukken en de ter zitting afgelegde verklaringen aannemelijk dat eiseres zich in maart 2006 tot het CWI heeft gewend met de vraag of zij in aanmerking kon komen om voor een WW-uitkering. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat eiseres bij dat contact te verstaan is gegeven dat zij geen recht op een uitkering had en dat zij op dat moment redelijkerwijs niet de gelegenheid heeft gehad een aanvraag in te dienen. Deze omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank in dit geval echter geen bijzonder geval op als bedoeld in artikel 23 van de WW, zodat verweerder niet de bevoegdheid heeft af te wijken van hetgeen in de eerste volzin van dat artikel is bepaald.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres na het door haar beschreven voorval in maart 2006, geruime tijd heeft laten verstrijken voordat zij zich alsnog met een aanvraag tot verweerder heeft gewend. De rechtbank heeft in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen rechtvaardiging kunnen vinden voor het laten verstrijken van een zodanig lange termijn. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiseres ondanks moeilijke levensomstandigheden wel in staat is gebleken om, bijgestaan door een advocaat, procedures te voeren met betrekking tot haar geschil met [werkgever], hetgeen heeft geresulteerd in voormeld vonnis van 25 mei 2007.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

De kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt voorts dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 30 september 2009