Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK4469

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/4505
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het op de Wmo-verordening gebaseerde artikel 1.5 van de Nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Nijkerk is het vereiste opgenomen dat de vaststelling (van de ziekte of het gebrek) op objectieve wijze moet plaatsvinden. De rechtbank constateert dat in navolging van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, onderdeel 6, van de Wmo, in artikel 1, aanhef en onder b en d van de Verordening een dergelijk vereiste van objectivering - terecht - niet is gesteld. Artikel 1.5 van de Nadere regels is daarom in zoverre onverbindend, wegens strijd met artikel 1, aanhef en onder b en d van de Verordening.

Naar het oordeel van de rechtbank dient onder het voeren van een huishouden begrepen te worden het aanwezig zijn in de woning. Nu eiser stelt daarbij beperkingen te ondervinden, is het aan verweerder om ter zake zonodig maatwerk te leveren. Het standpunt dat eiser belemmeringen op het gebied van wonen ervaart die niet in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de woning en diens aanvraag om een (woon)voorziening op grond van de Wmo deswege dient te worden afgewezen, getuigt van een te beperkte opvatting van het compensatiebeginsel en kan dan ook niet gevolgd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/4505

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 19 mei 2009

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 25 augustus 2008.

2. Procesverloop

Op 17 juli 2007 heeft eiser – voor zover thans van belang – een woonvoorziening aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van beschermende raamfolie.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft verweerder – voor zover thans van belang – de aanvraag afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder het verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 april 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M.M.M. Schrijver, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

3.1 Eiser is bekend met overgevoeligheid van de huid voor zonlicht en ter zake is de diagnose chronische polymorfe lichtdermatose (CPLD) gesteld. Hij geeft daarnaast aan andere gezondheidsklachten te ervaren, waaronder huidverbranding, jeuk, vermoeidheid, pijnlijke gewrichten en een geprikkelde darm.

3.2 Bij zijn aanvraag heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten, ad € 514,08, van de folie die hij op de ramen van zijn woning heeft laten aanbrengen om zich te beschermen tegen zonlicht en elektromagnetische straling van de zendmast die zich in de nabijheid van zijn woning bevindt.

standpunten van partijen

3.3 Verweerder heeft aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering de kosten van deze folie te vergoeden ten grondslag gelegd dat uit artikel 1.5 van de Nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Nijkerk (hierna: de Nadere regels) volgt dat als voorwaarde voor de toekenning van een voorziening of vergoeding op grond van de Wmo heeft te gelden dat de aanvrager, als gevolg van ziekte of gebrek, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woning.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in de situatie van eiser niet met voldoende zekerheid en objectiviteit is vast te stellen dat er een oorzakelijk verband is tussen de beperkingen die eiser aangeeft te ervaren en de elektromagnetische velden die eiser daarvoor aanwijst.

3.4 Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij geeft aan veel baat te hebben bij de folie die hij heeft laten aanbrengen en acht zich gesteund in zijn standpunt door dr. M.H. Otten, maag-darm-leverarts. Eiser wijst ook op het door verweerder ingewonnen advies van de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Hierin geeft W. Schonewille, arts, aan dat een tegemoetkoming van de door eiser gemaakte kosten te rechtvaardigen zou zijn. Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder zich bij de beoordeling van de aanvraag uitsluitend heeft gericht op zijn gevoeligheid voor straling, terwijl niet is bezien of de klachten die het gevolg zijn van CPLD, en welke objectief aantoonbaar zijn, aanleiding geven de folie voor vergoeding in aanmerking te brengen.

wettelijke voorschriften

3.5 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, onderdeel 6, van de Wmo wordt onder maatschappelijke ondersteuning verstaan: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a van de Wmo is bepaald – voor zover hier van belang – dat het college ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel houdt het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

3.6 Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Nijkerk uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Nijkerk (hierna: de Verordening)

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b en d, van de Verordening wordt in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving verstaan onder:

Compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam en in staat tot maatschappelijke participatie zijn.

Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosiociale (lees: psychosociale) problemen aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden.

3.7 Op grond van artikel 38 van de Verordening geeft het college nadere regels ten aanzien van de uitvoering van deze verordening en kan het college voorts nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken voorzieningen en voorwaarden waaronder deze voorzieningen worden verstrekt.

In artikel 1.5 van de Nadere regels is bepaald dat voor de toekenning van voorzieningen sprake moet zijn van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. De ziekte of het gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan moet op objectieve wijze plaatsvinden.

beoordeling

3.8 De rechtbank stelt voorop dat de doelgroep van de Wmo uitdrukkelijk niet beperkt is tot personen die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen hebben, maar uitgebreid tot de ruimere groep van mensen die gelet op de kenmerken van de persoon beperkingen in hun zelfredzaamheid ondervinden. Daarbij heeft de wetgever bewust gekozen voor de brede begrippen “met een beperking”, “chronisch psychisch probleem” en “mensen met een psychosociaal probleem”. De rechtbank wijst in dit verband op haar uitspraak van 10 september 2008, LJN: BF1542. De verplichting tot het verstrekken van voorzieningen aan personen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, onderdeel 6, van de Wmo is derhalve niet beperkt tot die gevallen waarin iemand daar op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, op aangewezen is.

In het door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde – en op de Verordening gebaseerde – artikel 1.5 van de Nadere regels is het vereiste opgenomen dat de vaststelling op objectieve wijze moet plaatsvinden. De rechtbank constateert evenwel dat in navolging van de hierboven aangehaalde wetsbepaling in artikel 1, aanhef en onder b en d van de Verordening een dergelijk vereiste van objectivering - terecht - niet is gesteld. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat artikel 1.5 van de Nadere regels in zoverre onverbindend is, wegens strijd met artikel 1, aanhef en onder b en d van de Verordening.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder artikel 1.5 van de Nadere regels in zoverre niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank zal het beroep om die reden gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Met betrekking tot hetgeen partijen overigens verdeeld houdt, overweegt de rechtbank het volgende.

3.9 Op grond van artikel 4 van de Wmo heeft verweerder de rechtsplicht om in elk concreet geval, ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6, van de Wmo ondervindt, een voorziening te treffen die hem in staat stelt een huishouden te voeren en die kwalificeert als compensatie van die beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft overwogen in zijn uitspraak van 10 december 2008, LJN: BG6612, dient een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk te zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank dient onder het voeren van een huishouden begrepen te worden het aanwezig zijn in de woning. Nu eiser stelt daarbij beperkingen te ondervinden, is het aan verweerder om terzake zonodig maatwerk te leveren. Het in het verweerschrift ingenomen standpunt dat eiser belemmeringen op het gebied van wonen ervaart die niet in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de woning en diens aanvraag om een (woon)voorziening op grond van de Wmo deswege dient te worden afgewezen, getuigt van een te beperkte opvatting van het compensatiebeginsel en kan dan ook niet gevolgd worden.

3.10 Eiser heeft bij zijn aanvraag verzocht om een woonvoorziening “welke ervoor zorgt dat straling en zonlicht buiten gehouden worden”. Naast overgevoeligheid voor elektromagnetische straling, is hierbij door hem aangegeven dat hij (onder meer) lijdt aan CPLD.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:2 van de Awb voortvloeit dat verweerder, zijnde het bestuursorgaan dat met de uitvoering van artikel 4 van de Wmo is belast, ervoor zorg dient te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor die uitvoering relevante feiten en omstandigheden. Bij de beoordeling van een aanvraag als de onderhavige is het enerzijds aan verweerder om – in het licht van artikel 4 van de Wmo – de beperkingen van de aanvrager te inventariseren en anderzijds – gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb – aan de aanvrager om verweerder de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

3.11 Met oog op het te nemen nieuwe besluit op bezwaar overweegt de rechtbank dat uit het vorenstaande voortvloeit dat verweerder gehouden is te onderzoeken of en in hoeverre de door eiser naar voren gebrachte klachten – waaronder CPLD – een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem in de zin van de Wmo betreffen. Mogelijk is het aangewezen in dat verband nader medisch advies in te winnen. Het is dan vervolgens aan verweerder om met inachtneming daarvan te bezien óf aan eiser een voorziening wordt toegekend en zo ja welke voorziening kwalificeert als compensatie van de ondervonden beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

Tot slot wordt overwogen dat voor zover verweerder zich daarbij – zoals in het verweerschrift reeds is gedaan – op het standpunt stelt dat de aanschaf van zonwerende voorzieningen een algemeen gebruikelijke voorziening is die eiser zelf dient te bekostigen, dat standpunt niet kan worden ingenomen zonder nader onderzoek in vorenbedoelde zin.

proceskosten

3.12 De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Eiser heeft verzocht om vergoeding van reiskosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op basis van openbaar vervoer, tweede klasse, en begroot op € 22,48.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 22,48 en wijst de gemeente Nijkerk aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de gemeente Nijkerk het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. L. van Gijn, rechter, in tegenwoordigheid van

J.M.A. Koster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 19 mei 2009