Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK4136

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
181401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak.

Heeft RVS terecht uitkering van een brandschade geweigerd met een beroep op de wijziging van de bestemming van de woning? Geschil over de uitleg van de polisvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 181401 / HA ZA 09-319

Vonnis van 11 november 2009

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. M.J.H. Mühlstaff te Deventer,

tegen

de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1], [eiser sub 2] en RVS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 april 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 22 juni 2009

- de akte na compartie van partijen van RVS

- de antwoordakte na comparitie van partijen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben bij RVS verschillende verzekeringen afgesloten waaronder een inboedelverzekering met polisnummer 02-22659365. Volgens het polisblad zijn de verzekerde objecten:

1. inboedel in een salonwagen bouwaard hout te [woonplaats], [adres], verzekerde bedrag € 40.200 a 6,6 o/oo en

2. vastgoed van een aanbouw te [woonplaats], [adres], verzekerd bedrag € 21.600 a 5,65 o/oo.

2.2. Op het aanvraagformulier van 19 augustus 1997 staat onder meer het volgende.

Schuur/kelderbox of garage

- meer dan f 10.000 inboedel aanwezig in schuur, kelderbox, garage e.d. ?

nee

Op de aanvraagformulieren van 7 januari 1998 in verband met de verhuizing naar een stacaravan en van 27 augustus 2001 in verband met de plaatsing van een aanbouw tegen de salonwagen staat dezelfde passage.

2.3. Op de inboedelverzekering van RVS zijn de voorwaarden nr. 2926P van toepassing. Die voorwaarden luiden voor zover relevant als volgt.

artikel 1 begripsomschrijvingen

(…)

huurdersbelang

al hetgeen voor rekening van de verzekerde in, op, aan of nabij het door hem/haar gehuurde woonhuis is aangebracht/geïnstalleerd en naar verkeersopvattingen tot het onroerend goed behoort, mits dit tot particulier gebruik dient.

inboedel

alle roerende zaken – (…) – behorende tot de particuliere huishouding van de verzekerde, alsmede eventueel huurdersbelang.

(…)

woonhuis

het op het polisblad omschreven, uitsluitend voor particulier gebruik dienend gebouw van steen met harde dekking (tenzij op het polisblad anders is omschreven) met inbegrip van tot particulier gebruik dienende bergingen, bijgebouwen of gemeenschappelijke ruimten.

(…)

artikel 3 dekking buiten het woonhuis

3.1. Aan de buitenkant, op het terrein en onder afdaken van het woonhuis is gedekt schade aan

a. de inboedel (…)

b. (…)

c. het huurdersbelang(…).

(…)

artikel 16 risico

(…)

16.2 De verzekeringnemer is verplicht de maatschappij binnen 2 maanden schriftelijk in kennis te stellen van

a wijziging van het adres, de bouwaard, de dakbedekking of de bestemming van het woonhuis of een gedeelte daarvan

(…)

tenzij de verzekeringnemer aannemelijk maakt dat hij/zij van het optreden van een van de genoemde wijzigingen niet op de hoogte was en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn.

16.3 Na ontvangst van de kennisgeving als omschreven in artikel 16.2 zal de maatschappij

(…)

c de verzekering beëindigen.

(…)

16.4 Verzuimt de verzekeringnemer tijdig kennis te geven van de risicowijziging omschreven in artikel 16.2 dan vervalt het recht op schadevergoeding 2 maanden na de datum van de betreffende risicowijziging, tenzij de verzekering ook na kennisgeving op dezelfde voorwaarden en tegen hetzelfde of een lager premietarief zou zijn voortgezet. (…).

(…)

artikel 19 einde van de verzekering

De verzekering eindigt

(…)

f in geval van de in artikel 16 en 17 omschreven omstandigheden

(…).

2.4. In 2004 bevond zich in een schuur buiten de woonwagen een hennepkwekerij. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hadden de schuur gebouwd met het oog op die hennepkwekerij.

[eiser sub 2] is op of omstreeks 6 oktober 2004 voor die hennepkweek aangehouden en strafrechtelijk veroordeeld. In de hennepkwekerij zijn door de politie 247 planten aangetroffen.

2.5. Op 28 juli 2006 heeft er brand gewoed in de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bewoonde woonwagen.

2.6. RVS heeft Onderzoeksbureau CRITO (hierna CRITO) ingeschakeld om de schade en de claim te onderzoeken. Bij de stukken bevindt zich een gedeelte van het schriftelijk verslag van het onderzoek van CRITO van 4 augustus 2006 (productie 4 dagvaarding). Daarin staat onder meer het volgende.

Politie/Justitie

(…)

Mijn partner is eerder met de politie en/of justitie in aanraking gewest, te weten (…).

In 2004 is mijn partner aangehouden voor de opiumwet. Hij teelde weed in een zelfgebouwde bijschuur.

(…)

Inspectie risico-adres:

(…)

Algemeen

De woning van verzekeringneemster betreft een woonwagen (vaste standplaats). Daarnaast bevindt zich een van steen opgetrokken sanitaire unit. Het gedeelte tussen de woonwagen en de sanitaire unit is door verzekeringneemster en haar partner zelf aangebouwd. In dit gedeelte bevindt zich de entree, de keuken en aan de achterzijde een slaapkamer. Dit gedeelte is voor wat betreft de opstalverzekering bij u verzekerd.

(…)

Via de keuken komt men in een soort gang. Deze geeft toegang tot de voormalige sanitaire unit (…). Direct achter de sanitaire unit bevindt zich een zelfgebouwde bijgebouw. Wij constateerden later dat er een gat tussen de unit en het bijgebouw in de stenen muur zat. Tijdens ons eerste bezoek was het gat afgeschermd. Het bijgebouw heeft een buitendeur en deze vormt de enige toegang tot dit bijgebouw.

2.7. RVS heeft in een brief van 16 augustus 2006 de schadeclaim van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] afgewezen omdat uit het onderzoek van CRITO was gebleken dat op het risicoadres in 2004 een hennepkwekerij aanwezig was. Verder heeft RVS toen de schadeverzekeringen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] opgezegd. Behalve de inboedelverzekering gaat het om een aansprakelijkheidsverzekering met polisnummer 04-24705504 en een ongevallenverzekering met polisnummer 02-25251105.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen samengevat - veroordeling van RVS tot betaling van € 61.800,--, vermeerderd met € 1.000,-- buitengerechtelijke kosten en met rente en proceskosten. Verder vorderen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te verklaren voor recht dat RVS ten onrechte de verzekeringen met polisnummers 02-22659365, 04-24705504 en 02-25251105 heeft beëindigd en te verklaren voor recht dat de verzekeringen voortduren totdat deze op reguliere wijze worden opgezegd.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat RVS op grond van de inboedelverzekering verplicht is de brandschade van de door hen bewoonde woonwagen te vergoeden. De schade wordt door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] begroot op de verzekerde bedragen voor de salonwagen (€ 40.200,--) en de aanbouw (€ 21.600,--), zijnde in totaal

€ 61.800,--. Verder wordt aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke kosten.

3.2. RVS voert verweer. Zij voert daartoe primair aan dat [eiser sub 1] heeft verzuimd door te geven dat in 2004 sprake was van risicowijziging bestaande uit een wijziging van de bestemming van een deel van de woning omdat daarin een hennepkwekerij was gevestigd. RVS beroept zich in verband hiermee op het bepaalde in artikel 16.4 van de polisvoorwaarden. Volgens RVS hoort de schuur waarin de hennepkwekerij was gevestigd tot de opstallen waar een verzekerde inboedel aanwezig was. Zij verwijst daartoe naar het aanvraagformulier waar een specifieke vraag staat over de schuur/kelderbox of garage en naar artikel 1 van de polisvoorwaarden.

RVS voert aan dat het hebben van een hennepkwekerij in een woonhuis een wijziging van de bestemming oplevert (vgl. HR 1 mei 1998, NJ 1998, 604 en Rb. Arnhem 25 januari 2006).

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat de verzekeringsovereenkomst tussen partijen wordt beheerst door de sinds 1 januari 2006 geldende bepalingen van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek omdat die bepalingen in beginsel onmiddellijke werking hebben.

4.2. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben op de comparitie van partijen aangevoerd dat de vragen van de expert van CRITO over het strafrechtelijk verleden van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een schending oplevert van artikel 10 van de Grondwet en van artikel 8 EVRM. In deze artikelen is – kort gezegd – het recht op privacy geregeld.

4.3. De rechtbank onderschrijft het standpunt van RVS dat geen sprake is van enige schending van die bepalingen. Door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is niet geconcretiseerd in hoeverre CRITO, door het stellen van een vraag over het strafrechtelijk verleden in strijd zou handelen met regels die de privacy van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] beschermen. Daar komt nog bij dat een dergelijke gestelde schending nog niet betekent dat RVS niet gerechtigd zou zijn de verzekeringsovereenkomsten te beëindigen op basis van de verkregen informatie. Van uitsluiting van op onrechtmatige wijze verkregen informatie is overigens

– anders dan in strafzaken – in civiele zaken in beginsel geen sprake.

Deze stelling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] wordt daarom verworpen.

4.4. In de antwoordakte na de comparitie hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] nog aangevoerd dat RVS misbruik maakt van recht door de informatie over het strafrechtelijk verleden van [eiser sub 2] te gebruiken. Aan dit standpunt van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gaat de rechtbank voorbij. Uit wat hiervoor in rov. 4.3 is overwogen volgt dat RVS alle verkregen informatie mag gebruiken terwijl [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geen bijzondere feiten of omstandigheden hebben gesteld die dat in dit geval anders maken. Daar komt nog bij dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in strijd met een goede procesorde handelen door in de akte na de comparitie een nieuw standpunt op te werpen. Ook om die reden gaat de rechtbank hieraan voorbij.

4.5. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of RVS terecht de uitkering van de brandschade heeft geweigerd met een beroep op de wijziging van de bestemming van de woning.

4.6. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen zich op het standpunt dat zij de wijziging van de bestemming van de schuur niet hoefden te melden aan RVS omdat de schuur niet verzekerd was onder de inboedelverzekering. Volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft de schuur nooit tot het verzekerde object behoord omdat die schuur is gebouwd op grond die niet bij het gehuurde hoort. Die grond zou eigendom zijn van Staatsbosbeheer of NS.

4.7. RVS meent dat de schuur wel degelijk hoort tot de opstallen waar een verzekerde inboedel in aanwezig was en zij verwijst daartoe naar het aanvraagformulier en naar artikel 1 van de polisvoorwaarden.

4.8. Dit geschil tussen partijen gaat over de uitleg van de polisvoorwaarden. Nu over dergelijke voorwaarden niet tussen partijen onderhandeld pleegt te worden (en uit de stukken van het geding geen andere conclusie getrokken kan worden dan dat niet gesteld is dat zulks in dit geval anders is), is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting (HR 16 mei 2008, NJ 2008, 284).

4.9. Gelet op de bewoordingen van artikel 1 van de polisvoorwaarden valt de bewuste schuur onder het begrip woonhuis zoals omschreven in dat artikel. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben die schuur zelf gebouwd voor de hennepkwekerij. Daarom diende die schuur hen tot gebruik. Dat de schuur was gebouwd op grond van Staatsbosbeheer of NS en niet op het gehuurde terrein van de woning, zoals [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aanvoeren, doet hier niet aan af. Omdat de schuur tot het woonhuis in de zin van de polisvoorwaarden hoort, is de in de schuur aanwezige inboedel in principe verzekerd volgens de inboedelverzekering waar het in deze zaak over gaat.

4.10. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voeren verder aan dat het hebben van een hennepkwekerij geen wijziging van de bestemming van het woonhuis oplevert.

4.11. Uit het rapport van CRITO volgt dat bij de inval in 2004 in de schuur 247 hennepplanten zijn aangetroffen en dat er illegaal stroom is gebruikt. Hennepteelt op een dergelijke schaal kan niet worden aangemerkt als het normale gebruik van een woonhuis. Omdat er illegaal stroom is afgetapt, wordt aangenomen dat de in verband met de teelt noodzakelijke elektrische voorzieningen niet zijn goedgekeurd. De kans op brand is daardoor aanmerkelijk vergroot. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een duidelijk sprekend geval van bestemmingswijziging, waardoor de kans op brand aanmerkelijk werd vergroot. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] waren daarom overeenkomstig artikel 16.2 van de polisvoorwaarden verplicht RVS in kennis te stellen van de wijziging van de bestemming.

4.12. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben op de comparitie voor het eerst gesteld dat zij de wijziging van de bestemming hebben meegedeeld aan hun assurantieadviseur [betrokkene] (hierna [betrokkene]). Zij stellen dat zij binnen twee maanden na de aanhouding van [eiser sub 2] de wijziging van de bestemming hebben doorgegeven aan [betrokkene] toen zij een spaarverzekering bij RVS hebben afgekocht om de boete die [eiser sub 2] was opgelegd te kunnen betalen.

4.13. RVS heeft, onder overlegging van bescheiden uit mei 2005 over de afkoop door [eiser sub 1] van een verzekering, het door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gestelde gemotiveerd betwist.

4.14. De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de wijziging van de bestemming binnen 2 maanden na de aanhouding van [eiser sub 2] zouden hebben meegedeeld aan [betrokkene], nog niet betekent dat zij volgens de polisvoorwaarden tijdig mededeling hebben gedaan van de bestemmingswijziging. Van belang is namelijk dat de mededeling wordt gedaan binnen 2 maanden na de wijziging van de bestemming en dat was niet het moment waarop [eiser sub 2] is aangehouden maar het moment waarop de hennepkwekerij is gestart. Dat de bewuste mededeling binnen 2 maanden na de start van de kwekerij zou zijn gedaan is niet gesteld en ook niet gebleken. Daarom gaat de rechtbank aan deze stelling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voorbij. In verband hiermee komt de rechtbank niet toe aan het door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aangeboden bewijs van de bewuste mededeling aan [betrokkene].

4.15. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben op de comparitie verder nog aangevoerd dat RVS de verzekeringsovereenkomstig na ontvangst van de melding aan [betrokkene] tijdig had moeten beëindigen en niet pas in 2006 nadat er brand was ontstaan in de woonwagen.

Voorzover [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bedoelen dat RVS het recht heeft verwerkt om de verzekeringsovereenkomsten te beëindigen, wordt dit standpunt van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] verworpen omdat enkel tijdsverloop of stilzitten daarvoor onvoldoende is.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben evenmin geconcretiseerd dat zij uit verklaringen of gedragingen van RVS en/of [betrokkene] redelijkerwijze hebben mogen begrijpen dat RVS zich niet op artikel 16 van de polisvoorwaarden zou beroepen.

4.16. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben tot slot aangevoerd dat de bestemmingswijziging is teruggedraaid voordat de brand is ontstaan, maar zij verbinden geen duidelijk rechtsgevolg aan deze stelling.

Voorzover zij hiermee bedoelen dat RVS zich daarom niet op het bepaalde in artikel 16.4 van de polisvoorwaarden kan beroepen, overweegt de rechtbank het volgende.

4.17. De rechtbank stelt voorop dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben verzuimd RVS tijdig in kennis te stellen van de wijziging van de bestemming van het woonhuis. Volgens het bepaalde in artikel 16.4 van de polisvoorwaarden vervalt dan het recht op schadevergoeding. Dat RVS de verzekering ook na kennisgeving op dezelfde voorwaarden en tegen hetzelfde of een lager premietarief zou hebben voortgezet, is door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet geconcretiseerd en dat is ook niet aannemelijk.

Uit de bewoordingen van de polisvoorwaarden volgt niet dat het recht op schadevergoeding herleeft als een bepaalde bestemmings- of risicowijziging is teruggedraaid voordat er schade is ontstaan. Het standpunt van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ondergraaft bovendien te veel de positie van de verzekeraar die er belang bij heeft dat hij gedurende de looptijd van de verzekering er op kan vertrouwen dat het risico dat hij heeft geaccepteerd niet zonder zijn medeweten aldus wordt gewijzigd dat dit wordt verzwaard in een mate waaraan de polisvoorwaarden bevrijding van de aansprakelijkheid van de verzekeraar verbindt.

4.18. De rechtbank overweegt tot slot dat uit wat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben aangevoerd niet volgt dat het beroep van RVS op artikel 16 van de polisvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid een billijkheid onaanvaardbaar is.

4.19. De slotsom luidt dan ook dat de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen worden afgewezen.

4.20. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten en nakosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van RVS worden begroot op:

- vast recht € 1.580,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.815,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van RVS tot op heden begroot op € 3.815,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tevens in de nakosten, aan de zijde van RVS bepaald op € 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,00 voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Vanhommerig en in het openbaar uitgesproken op

11 november 2009.