Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK3993

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
617945 BH VERZ 09-9703
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klacht over beheer van beschermingsbewindvoerder. Bevoegdheid kantonrechter ex 1:362 jo 445, vierde lid, BW. Ambtshalve kostenveroordeling klager (289 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Arnhem

Zaaknummer 617945 BH VERZ 09-9703, bmnr. 3728

Kenmerk PH/76/MJ

verzoek veroordeling bewindvoerder tot schadevergoeding

op het verzoek van

[rechthebbende ], wonende te [adres],

gemachtigde [naam gemachtigde]

verzoeker

inzake

[bewindvoerder],

gevestigd te [adres]

gerequestreerde,

heeft de kantonrechter te Arnhem, sector kanton, rechtbank Arnhem de volgende beschikking genomen.

Verzoeker en gerequestreerde worden [rechthebbende], respectievelijk [bewindvoerder] genoemd.

Het verloop van de procedure

Bij verzoekschrift van 3 juni 2009 heeft [rechthebbende] de kantonrechter verzocht [bewindvoerder] te veroordelen tot vergoeding van schade ten bedrage van € 14.987, alsmede ten bedrage van niet door [bewindvoerder] afgedragen persoonsgebonden budget en met veroordeling van [bewindvoerder] in alle kosten die gemaakt dienen te worden voor het voeren van deze procedure.

[bewindvoerder] heeft gereageerd bij brief van 21 juli 2009 met bijlagen.

Hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld en na een op zijn verzoek verleend uitstel voor een commentaar op de reactie van [bewindvoerder], heeft [rechthebbende] niet meer gereageerd.

De feiten

Bij beschikking van 23 oktober 2006 heeft de kantonrechter te Nijmegen [bewindvoerder] benoemd tot bewindvoerder over het vermogen van [rechthebbende]. Nadat [rechthebbende] was genezen van zijn kwaal, heeft de kantonrechter te Arnhem het bewind bij beschikking van 7 mei 2009 met ingang van 1 juli 2009 weer opgeheven.

Het verzoek en het verweer

[rechthebbende] verzoekt de kantonrechter zijn totale schade vast te stellen op € 14.937 vermeerderd met het bedrag aan persoonsgebonden budget dat is uitbetaald en [bewindvoerder] te veroordelen tot betaling aan hem.

Daartoe stelt [rechthebbende] dat [bewindvoerder] zijn bedrijfsbus voor de sloop heeft verkocht voor € 200, terwijl er een koper was die € 4.500 wilde betalen. Verder heeft [bewindvoerder] een bedrag van

€ 180.000 gedurende tien maanden niet tegen een rente van 5% vastgezet en een bedrag van

€ 85.000 gedurende negen maanden niet tegen een rente van 5%. De daarmee gemoeide schade aan renteverlies bedraagt € 7.500 en € 3.187.

Tenslotte heeft [bewindvoerder] het voor [rechthebbende] bestemde PGBgeld op een aparte rekening ontvangen. [rechthebbende] heeft het geld nooit op zijn eigen rekening gezien.

[bewindvoerder] heeft gesteld dat haar niet bekend is dat er een gegadigde is geweest die bereid was

€ 4.500 voor de bedrijfsbus te betalen. Voor de gang van zaken verwijst naar haar eerdere brief van een jaar eerder, 2 juni 2008, aan de vrouw van [naam rechthebbende ]. In die brief beschrijft [bewindvoerder] onder meer dat Mevrouw [naam rechthebbende ] samen met de contactpersoon van [bewindvoerder] met de bus bij een garagebedrijf in Bemmel zijn geweest en dat gebleken was dat de bus geen waarde meer had. Met machtiging van de kantonrechter d.d. 13 maart 2007 is de bus voor € 200 verkocht voor de sloop en afgesleept.

Ten aanzien van het geld heeft [bewindvoerder] – zakelijk samengevat - verklaard dat zij als beschermingsbewindvoerder niet gehouden is tot maximalisatie van de vermogensopbrengsten, maar tot een solide beheer. Zij heeft dit geld op rentedragende rekeningen gezet, waar het onmiddellijk opeisbaar was. Dat deed zij omdat eind 2007, toen de bankrekening in Duitsland waar het geld tot dan toe had gestaan, werd opgeheven, al bekend was dat [rechthebbende] een andere woning wilde kopen. Nadat duidelijk was geworden dat niet al het geld voor de nieuwe woning nodig was, heeft [bewindvoerder] een bedrag van € 60.000 op deposito gezet.

Het ontvangen persoonsgebonden budget heeft [bewindvoerder] inderdaad op een andere rekening dan de gewone beheersrekening ontvangen. Dat heeft zij gedaan om de besteding van deze doelgebonden gelden beter te kunnen verantwoorden tegenover de subsidieverstrekker. Bij brief van 7 juli 2009, een week na het einde van het bewind, heeft [bewindvoerder] [rechthebbende] op de hoogte gebracht van de stand van zaken van het PGB en hem geïnformeerd hoe hij verder moest handelen.

Overigens meent [bewindvoerder] dat de kantonrechter niet bevoegd is om de vordering te beoordelen, nu deze boven zijn competentie uitgaat.

De beoordeling

1. Het verzoek tot vaststelling van door de bewindvoerder aan rechthebbende toegebrachte schade en tot veroordeling van bewindvoerder tot betaling daarvan, is gebaseerd op de artikelen 1:362 jo 445, vierde lid, BW.

Deze bepalingen scheppen bevoegdheid voor de kantonrechter om de schade die een bewindvoerder door slecht beheer aan de rechthebbende toebrengt, vast te stellen en de bewindvoerder tot vergoeding te veroordelen. Aan de omvang van de schade die de kantonrechter op deze grondslag vermag vast te stellen is in artikel 1:362 BW geen beperking gesteld. De hier geschapen competentie staat los van de elders in de wet geregelde bevoegdheid van de kantonrechter.

Op grond hiervan acht de kantonrechter zich bevoegd de vordering te beoordelen, ook nu deze een bedrag van € 5.000 te boven gaat.

2. In haar reactie heeft [bewindvoerder] de verwijten van [rechthebbende] afdoende weersproken.

Nadat [rechthebbende] aanvankelijk uitstel had verzocht voor het geven van commentaar op het betoog van [bewindvoerder], heeft hij naderhand niets meer van zich laten horen.

Omdat [bewindvoerder] de verwijten van [rechthebbende] voldoende heeft weerlegd, is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen.

3. In zijn verzoek heeft [rechthebbende] ook om veroordeling van [bewindvoerder] in de proceskosten gevraagd. [bewindvoerder] heeft in haar reactie niet om een kostenveroordeling van [rechthebbende] verzocht.

De kantonrechter ziet op grond van artikel 289Rv aanleiding ambtshalve te onderzoeken of [bewindvoerder] in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten die zij tot haar verdediging heeft gemaakt.

4. Ambtshalve is het de kantonrechter bekend dat [bewindvoerder] een professionele bewindvoerder is die haar bedrijfsvoering bekostigt met de vergoedingen die zij ontvangt voor de door haar gevoerde bewinden en het beheer van inkomens. Wat de bewinden betreft, ontvangt zij een forfaitaire vergoeding overeenkomstig de door het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters geadviseerde tarieven. Deze tarieven zijn gebaseerd op de benodigde werkzaamheden in een gemiddelde bewindszaak.

Tot die werkzaamheden behoort niet het voeren van verweer in een gerechtelijke procedure tegen een tegen de bewindvoerder zelf ingestelde vordering. [bewindvoerder] heeft door zich in deze procedure te verweren schade geleden door de besteding van uren die zij niet via de reguliere bewindvoerdersbeloning vergoed krijgt.

De kantonrechter is daarom van oordeel dat [bewindvoerder] een vergoeding toekomt voor door haar ten behoeve van haar verdediging gemaakte bedrijfskosten gelijk aan de gebruikelijke vergoeding van proceskosten volgens het rapport Voorwerk II. In dit geval betekent dat een vergoeding van één punt ad € 300,-.

BESCHIKKING

De kantonrechter

wijst het verzoek af;

veroordeelt [rechthebbende] tot betaling tegen behoorlijke kwijting aan [bewindvoerder] van de proceskosten tot aan deze uitspraak begroot op € 300,-;

verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.A. Huidekoper, kantonrechter, en in het openbaar in aanwezigheid van de griffier uitgesproken op 21 oktober 2009

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker(s) en door degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening ervan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroep dient te worden ingesteld door de indiening van een beroepschrift ter griffie van het gerechtshof te Arnhem, welk beroepschrift opgesteld dient te worden door een procureur (advocaat).