Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK3540

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
08/787
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende gebonden aan uitkomst van gezamenljike taxatie van zijn taxateur en die van de inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2464 met annotatie van van derVegt
FutD 2009-1889

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/787

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met nummer [H.16] opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 169.840. Daarbij is € 6.918 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2007 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 29 januari 2008, door de rechtbank ontvangen op 30 januari 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn zoon [A]. Namens verweerder is verschenen [B], bijgestaan door taxateur [c].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser is geboren op 23 oktober 1939 en gehuwd met [Y], geboren op 4 november 1943. In 2001 woonde eiser, samen met zijn echtgenote, op het adres [a straat 1] te [Q].

Eiser dreef tot en met 2001 in de vorm van een eenmanszaak een agrarische onderneming. De onderneming bestond uit het houden van vleesvarkens op voerloonbasis.

Eiser was sinds 31 januari 1973 eigenaar van de onroerende zaken [a straat 1 en 2] bestaande uit een woonhuis met ondergrond, erf en bedrijfsopstallen, totaal 1.84.25 m2. De bedrijfsopstallen met ondergrond en erf, twee varkensschuren van ongeveer 500 en 290 m2 en een wagenloods (175 m2), behoorden tot het ondernemingsvermogen. Het woonhuis, een semi-bungalow van ongeveer 540 m3 groot, met garage/berging, ondergrond, tuin en oprit behoorden tot het privévermogen van eiser. De wagenloods en één van de varkensloodsen waren gelegen op [a straat 2]. Tussen de varkensschuur gelegen op [a straat 2] en de woning van eiser stond een woning van een derde.

Eiser heeft in 2001 de onroerende zaken aan de gemeente [Q] verkocht voor f 1.950.000

(€ 884.871).

Op 2 februari 2001 is door beëdigd rentmeester en taxateur [D] ([E]) hierover namens eiser overeenstemming bereikt met de gemeente [Q]. Daarbij is er door partijen vanuit gegaan dat in de schadeloosstelling van fl. 1.950.000 een bedrag van fl. 1.125.000 voor het privé-gedeelte is begrepen, te weten:

- woonhuis, garage en tuin fl. 1.000.000

- aankoopkosten vervangend huis (10%) - 100.000

- verhuis- en herinrichtingskosten - 25.000.

Bij notariële akte van 11 april 2001 zijn de onroerende zaken geleverd. In die akte staat onder meer vermeld dat eiser en zijn echtgenote tot uiterlijk 31 december 2001 gratis het persoonlijk voortgezet gebruik van de woning met tuin behielden. Eiser en zijn echtgenote zijn op 15 december 2001 verhuisd. De verhuisdatum is door partijen aangemerkt als stakingsdatum.

In opdracht van eiser is door beëdigd rentmeester en taxateur [F] ([E]) ten behoeve van de berekening van de stakingswinst een uitsplitsing van de verkoopsom gemaakt. Daarvan is met dagtekening 16 oktober 2002 een rapport opgemaakt. Hierin staat onder meer het volgende vermeld:

“Taxatieopdracht:

Uitsplitsing van de verkoopsom d.d. 11 april 2001 in de verschillende waardecomponenten.

(…)

Waardering:

Rekening houdend met de van belang zijnde factoren is de schadeloosstelling geschat als volgt:

Vermogenscomponenten:

- Semi-bungalow met garage/berging, tuin, erf en

ondergrond,

groot 20 are f 1.000.000,--

- 24 are 25 centiare bedrijfserf f 85.000,--

- bedrijfsgebouwen f 195.000,--

- 1.40.00 ha. grasland binnen het plan f 490.000,--

Overige vergoedingen:

- aankoopkosten vervangende woonruimte f 100.000,--

- verhuis- en herinrichtingskosten privé f 25.000,--

- kosten tuinaanleg f 15.000,--

- verplaatsingskosten aanloopschade bedrijf f 35.000,--

- hypotheek en extra accountantskosten privé f 2.000,--

- hypotheek en extra accountantskosten bedrijf f 3.000,--

- belastingschade P.M.

f 1.950.000,--

(...)

Voor elke taxatie geldt de waarde als een “moment-opname” ten tijde van de aangegeven taxatiedatum. Later gebruik of toepassing van de waardering vereist overleg met de taxateur.”.

Eiser heeft op 28 januari 2003 aangifte IB/PVV voor het jaar 2001 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.110. Hierin is ter zake van stakingswinst een bedrag van € 268.108 begrepen.

Bij fax van 1 juli 2004 is de stakingswinst door eiser als volgt gespecificeerd:

“varkensrechten € 61.091

ammoniakrechten € 3.314

grond (…) € 260.923 uit verkoop gemeente

gebouwen (…) € 88.487 uit verkoop gemeente

brijbakken € 1.248

€ 415.063

af:

boekwaarde afgevoerde machines € 3.182-

boekwaarde grond € 7.773-

boekwaarde gebouwen € 26.473-

landbouwvrijstelling cultuurgrond € 109.527- 1)

BELASTE STAKINGSWINST € 268.108

1) Berekend als volgt:

WEVAB waarde erfperceel 2.425 m2 fl. 20 fl 48.500

Waarde cultuurgrond 1.40 hectare fl. 15 fl. 210.000

fl. 258.000

in euro € 117.302

boekwaarde € 7.773-

landbouwvrijstelling cultuurgrond € 109.529”.

Het bedrag van € 260.923 voor de grond is het totaal van de volgende bedragen:

- 24 are 25 centiare bedrijfserf f 85.000,--

- 1.40.00 ha. grasland binnen het plan f 490.000,--

In het kader van de aanslagregeling is door Register-Taxateur [c], werkzaam bij de Belastingdienst, een uitsplitsing van de koopsom van de onroerende zaken gemaakt. In het rapport van 28 april 2004 dat daarvan is opgemaakt, staat onder meer het volgende vermeld:

“Uitsplitsing verkoopsom

(…)

WEV WEVAB

1. woonhuis met garage € 187.000

woonkavel ca 10.00 aren € 70.000 € 70.000

2. bedrijfsopstallen en verhardingen € 165.000

3. erfkavel ca. 25.00 aren € 55.641 € 33.000

4. overige cultuurgronden groot ca. 1.49.25 ha. € 332.230 € 67.000

€ 809.871

(...)

Bijkomende schades:

* aankoopkosten vervangende woonruimte € 30.000

* verhuis- en inrichtingskosten prive € 10.000

* kosten tuinaanleg € 7.000

* verplaatsingskosten bedrijf € 25.000

* hypotheek en extra accountantskosten prive € 1.000

* hypotheek en extra accountantskosten bedrijf € 2.000

€ 884.871

Taxatie per 31 maart 1986:

Per 31 maart 1986 was er geen sprake van een naderende planologische bestemmingswijziging terwijl er evenmin sprake was van een potentieel stakend bdrijf. Per 31 maart 1986 is er derhalve geen sprake van een verschil tussen de WEV en de WEVAB.”.

Naar aanleiding van dit rapport heeft verweerder bij brief van 6 juli 2004 aan de gemachtigde van eiser meegedeeld voornemens te zijn de aangegeven stakingswinst van € 268.108 met

€ 247.761 te verhogen tot € 515.869.

In zijn reactie daarop van 8 juli 2004 schrijft de toenmalige belastingadviseur van eiser, mr. [G] van [H] (hierna ook: [H]), aan verweerder het volgende:

“Naar aanleiding van uw schrijven van d.d. 6 juli 2004, deel ik u hierbij mee dat wij zeker niet akkoord gaan met de voorgenomen afwijking in de aangifte 2001 van de heer [X] (...). Zonder de afwijkingen feitelijk te beoordelen zien wij bij uw uitwerking dat er een fors verschil in de taxatiewaarden zit. Het lijkt mij dan ook verstandig om beide makelaars / taxateurs het probleem met elkaar te laten bespreken, teneinde tot de juiste waardevaststelling te komen.

In verband met mijn vakantie tot 2 augustus, verzoek ik tot die datum nog geen aanpassing te doen in de aangifte. Ik zal vervolgens met de belastingplichtige en de door belastingplichtige aangewezen makelaar contact opnemen, en zal u in week 32 hieromtrent informeren.”.

Op 6 september 2004 hebben [C] en [D] als voornoemd overeenstemming bereikt over de uitsplitsing van de verkoopsom. De uitkomst is vastgelegd in een door beiden ondertekend rapport van 6 september 2004. Hierin staat onder meer het volgende vermeld:

“Ondergetekenden:

1. N. [C] (…)

2. H.Ch. [D] (…)

Overwegende:

• dat de heer [X], (…) in april 2001 zijn vleesverwerkingsbedrijf met toebehoren heeft verkocht aan de gemeente [Q] voor f 1.950.000,-- (…)

• Dat deze opbrengst fiscaal dient te worden opgesplitst.

komen de volgende uitsplitsing overeen:

WEV WEVAB

woonkavel 10 are € 140.000,-- € 70.000,--

woonhuis 540 m3 met garage € 202.500,--

25 are bedrijfserf € 55.641,-- € 33.000,--

bedrijfsgebouwen incl. verharding € 160.000,--

1.49.25 ha. cultuurgrond € 251.730,-- € 67.000,--

Subtotaal: € 809.871,--

Bijkomende schades:

aankoopkosten vervangend object € 35.000,--

verhuis- en inrichtingskosten privé € 10.000,--

kosten tuinaanleg € 7.000,--

verplaatsingskosten bedrijf € 20.000,--

accountantskosten privé € 1.000,--

accountantskosten bedrijf € 2.000,--

Totaal: € 884.871,--”.

In een brief van 30 september 2004 gericht aan [I] van [H] schrijft verweerder onder meer:

“ In mijn brief van 6 juli 2004 heb ik u geïnformeerd over mijn voornemen af te wijken van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2001 van de heer [X] (...). In brief van 8 juli 2004 heeft u hierop gereageerd. Naar aanleiding vanuw reactie is er opnieuw getaxeerd door de heren [C] en [D]. Dit heeft (...) nieuwe informatie opgeleverd, waardoor ik een deel van de voorgenomen afwijkingen zal herzien.

(...)

1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte

Inkomen uit werk en woning (box 1)

Winst uit onderneming

Doordat de taxatie anders is dan in eerste instantie door mij is aangenomen wordt de correctie op de aangifte € 157.216 (zie bijlage)”.

In genoemde bijlage is de correctie als volgt gespecificeerd:

Waarde economisch verkeer: vrije waarde/bewoonde waarde

Bedrijfsgedeelte € 160.000

Ondergrond bedrijfsgedeelte € 55.641

Cultuurgrond € 251.730

Totaal € 467.371

Boekwaarde bedrijfsgedeelte € 26.473

Boekwinst € 440.898

WEVAB: vrije waarde/bewoonde waarde

Ondergrond bedrijfsgedeelte € 33.000

Cultuurgrond € 67.000

Totaal € 100.000

€ 340.898

Overige stakingsopbrengsten:

Brijvakken € 1.248

Afgevoerde machines € 3.182

Varkensrechten € 61.091

Kosten hypotheek en accountant€ 22.000

Mestrechten € 3.314

Totaal overige opbrengsten € 84.471

Totale stakingswinst € 425.369

Aangegeven € 268.108 -/-

Correctie € 157.261

Verweerder heeft het belastbare inkomen uit werk en woning vervolgens als volgt berekend:

Aangegeven inkomen uit werk en woning € 47.110

Bij: stakingswinst € 157.261

Vastgesteld inkomen uit werk en woning € 204.371

Af: verrekenbare verliezen € 34.531 -/-

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 169.840

Met dagtekening 28 oktober 2004 is de definitieve aanslag IB/PVV over het jaar 2001 dienovereenkomstig opgelegd.

Bij brief van 2 november 2004, ontvangen door verweerder op 3 november 2004, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen voormelde aanslag.

Het bezwaar is bij brief van 31 januari 2005 door [J] FB ([H] Adviesgroep Belastingen) gemotiveerd. [J] schrijft hierin onder meer het volgende:

“ Reden van bezwaar

In de brief van 30 september 2004 (...) wordt het voornemen af te wijken van de aangifte Ib/pvv 2001 toegelicht door uw collega de heer [K]. Aan zijn berekeningen ligt een taxatierapport van de heer [C] (R&S taxateur) en de heer [D] (makelaarskantoor [E]) ten grondsslag. Deze taxatie wekt de indruk dat het hier gaat om een gezamenlijke taxatie. Echter door de belastingplichtige is niet verzocht noch opdracht gegeven tot een gezamenlijke taxatie zodat hij zich niet gebonden acht aan de uitkomst”.

Bij brief van 23 november 2007 schrijft [J] FB aan verweerder onder meer het volgende:

“ Naar aanleiding van uw reactie inzake het lopend bezwaarschrift van de heer [X] hierbij onze reactie.

In geschil zijn de volgende punten:

Bij de woning is slechts 1.000 m2 (onder)grond en tuin gerekend. Met een luchtfoto kan beargumenteert worden dat 2.000 m2 voor de hand ligt.

U stelt als compromis voor 2.000 m2 (onder)grond en tuin tot de woning te rekenen.

(...)

U gaf aan niets te zien in een gezamenlijke taxatie waarbij dit keer wel door de heer [X] vooraf daartoe opdracht wordt gegeven.

(...)

Een andere en wellicht mogelijk wenselijker oplossing dan de woning opnieuw te taxeren is het volgende voorstel.

(...)

Wij stellen voor de winst met dit bedrag ad € 86.800 te verminderen ter compromis (...).”.

Dit voorstel is door verweerder niet aanvaard.

Bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

In een brief van 3 april 2008 schrijft taxateur [C] aan verweerder onder meer het volgende:

“ Gezamenlijk overleg [D]/[C]

Op 2 september 2004 is mij door [K] van de Belastingdienst Oost/kantoor [Q] verzocht om contact op te nemen met dhr. [D] in verband met taxatie van de onroerende zaak eigendom van dhr. [X]. Op 6 september 2004 heb ik met dhr. [D] overeenstemming bereikt over de uitsplitsing van de verkoopsom. De uitkomst van dit overleg is door ons vastgelegd in een taxatierapport d.d. 6 september 2004.

Op dat moment is mij uit niets gebleken dat Dhr. [D] niet namens dhr. [X] handelde. In soortgelijke overlegsituaties wordt door de makelaar van partijen uitdrukkelijk vermeld indien men NIET namens de opdrachtgever handelt.” .

3. Geschil

In geschil is in de eerste plaats of eiser gebonden is aan de uitkomst van de gezamenlijke taxatie door [D] en [C]. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder beantwoordt die vraag bevestigend.

Wanneer het gelijk op dit punt aan eiser is, is voorts in geschil of de stakingswinst door verweerder op het juiste bedrag is berekend.

Tenslotte is in geschil of de heffingsrente die in rekening is gebracht, gelet op de behandeltijd van het dossier, niet te hoog is.

Eiser heeft aangevoerd dat hij zich niet gebonden acht aan de gezamenlijk taxatie van [D] en [C]. Volgens eiser was het doel daarvan niet in een opdracht vastgelegd. In het beroepschrift schrijft eiser dat hij alleen gehoor heeft gegeven aan de oproep van verweerder in diens brief van 6 juli 2004 om de twee taxateurs met elkaar te laten praten, om uiteindelijk vast te stellen hoe verweerder tot zijn correctie van de stakingswinst kwam. Eiser wijst erop dat volgens het taxatierapport van 16 oktober 1992 van [F] later gebruik of toepassing van de waardering overleg vereiste met de taxateur. Volgens eiser heeft hij zich daaraan gehouden.

Volgens eiser wordt in het rapport dat door taxateurs [D] en [C] gezamenlijk is opgemaakt ten onrechte ervan uit gegaan dat de ondergrond van de woning 10 are is in plaats van 20 are. Volgens eiser is bovendien door verweerder het vertrouwen gewekt dat uitgegaan zou worden van 20 are. Eiser stelt voorts dat gelet op andere verkopen in de omgeving daarin voor wat betreft de ondergrond van de woning van een te lage prijs per vierkante meter, namelijk € 70, is uitgegaan. Volgens eiser heeft verweerder aldus gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiser wijst er ook op dat verweerder niet heeft gereageerd op zijn compromisvoorstel.

Volgens verweerder is uitvoering gegeven aan het voorstel van eiser en heeft het overleg tussen de taxateurs van eiser en van verweerder geleid tot overeenstemming over de uitsplitsing van de koopsom. Verweerder wijst erop dat dat overleg mede heeft plaatsgevonden op verzoek van [H], de toenmalige gemachtigde van eiser.

Volgens verweerder is terecht uitgegaan van 10 are en heeft [J] van [H] de situatie ter plaatse zelf bekeken en naar aanleiding daarvan op 5 december 2007 aan hem meegedeeld dat hij ook niet verder kwam dan 10 are. Volgens verweerder is door hem niet toegezegd dat voor de ondergrond van de woning zou worden uitgegaan van een oppervlakte van 20 are.

Voor wat betreft de heffingsrente stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen reden is om die te verminderen nu deze alleen over de periode 1 januari 2002 tot en met 28 oktober 2004 in rekening is gebracht en de behandeltijd van het bezwaar daarop geen invloed heeft gehad.

Ter zitting is in aanvulling daarop onder meer nog het volgende naar voren gebracht:

-door eiser:

De taxatie is op een rare manier tot stand gekomen. Door mijn belastingadviseur is aan verweerder gevraagd of beide taxateurs met elkaar wilden gaan praten. Ik ben niet akkoord met de uitkomsten daarvan en voel me dan ook niet daaraan gebonden. De Belastingdienst wilde na de gezamenlijke taxatie door [D] en [C] niet meer aan een hertaxatie meewerken.

De gemeente [Q] wilde voor de onroerende zaken één bedrag geven en niet splitsen. De uitsplitsing van de koopprijs is pas naderhand opgemaakt in een vervolgtraject. Door [H] is meteen na de vaststelling van de overeenkomst aan verweerder een brief geschreven. Noch ik, noch mijn zoon zijn bij de gesprekken tussen [H] en de taxateur aanwezig geweest. Er is niet teruggekoppeld met de opdrachtgever.

-namens verweerder:

Ik ga ervan uit dat een gerenommeerd kantoor als [H] overleg pleegt met de klant.

Bij de taxateurs was het doel van het overleg bekend.

[H] heeft verklaard dat bij de overname van de cijfers betreffende de grond een vergissing is gemaakt. We probeerden er uit te komen.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag overeenkomstig de ingediende aangifte. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

In de eerste plaats is in geschil of eiser gebonden is aan de uitsplitsing van de koopsom zoals neergelegd in het rapport van rijkstaxateur [C] en beëdigd rentmeester en register-taxateur [D] van 6 september 2004.

De rechtbank acht hiervoor het volgende van belang. Eiser heeft in het betrokken jaar zijn bedrijf gestaakt. In dat kader heeft eiser zijn onroerende zaken verkocht aan de gemeente [Q] voor een bedrag van fl. 1.950.000. In opdracht van eiser is door beëdigd rentmeester en taxateur [F] ([E]) ten behoeve van de berekening van de stakingswinst in zijn aangifte een uitsplitsing gemaakt van die koopsom. In opdracht van verweerder is door taxateur [C] een tweede berekening gemaakt, die leidde tot een veel hogere stakingswinst. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder aangekondigd het aangegeven belastbare inkomen te verhogen. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens in zijn brief van 8 juli 2004 aan verweerder voorgesteld om de taxateurs van partijen met elkaar in overleg te laten treden teneinde tot een juiste waardevaststelling te komen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder, mede gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, daaruit redelijkerwijs afleiden dat het de bedoeling van partijen was dat een gezamenlijk oordeel van die taxateurs voor hen bindend zou zijn.

Uit hetgeen eiser hieromtrent heeft aangevoerd, namelijk dat hij alleen gehoor heeft gegeven aan de oproep van de inspecteur in de brief van 6 juli 2004 van verweerder om de twee taxateurs met elkaar te laten praten teneinde vast te stellen hoe verweerder tot zijn correctie van de stakingswinst kwam, leidt de rechtbank af dat de adviseur en taxateur van eiser handelden in opdracht van eiser.

Nu aangenomen moet worden dat het overleg tussen beide taxateurs erop gericht was om tot overeenstemming te komen en zij in opdracht van eiser en verweerder handelden, is eiser reeds daarom aan de uitkomsten van dat overleg gebonden. Wanneer eiser de mogelijkheid had willen openlaten dat hij daardoor niet gebonden zou worden, had het op de weg van eiser gelegen om op dat punt uitdrukkelijk een voorbehoud te –laten- maken. Nu dat niet is gebeurd, komt dit voor rekening van eiser.

Het voorgaande zou niet anders zijn wanneer de gemachtigde van eiser met zijn verzoek aan verweerder, neergelegd in de brief van 8 juli 2004, de grenzen van zijn volmacht zou hebben overschreden. Verweerder heeft aangenomen dat de belastingadviseur van eiser een toereikende volmacht had. Omstandigheden die erop wijzen dat verweerder moest beseffen dat de gemachtigde van eiser zijn volmacht te buiten ging, zijn door eiser niet gesteld. Ingevolge artikel 3:61 van het Burgerlijk Wetboek geldt dan dat de wederpartij, op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep kan doen.

Aan het voorgaande doet evenmin af dat, nadat de taxateurs van beide partijen overeenstemming hadden bereikt over de uitsplitsing van de koopsom, beide partijen met elkaar in overleg zijn getreden over een nieuw compromis. Dat compromis is immers niet tot stand gekomen.

Ook het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel kan hem niet baten. Weliswaar blijkt uit de brief van [H] van 23 juli 2004 aan verweerder dat door verweerder bij wijze van compromis is voorgesteld om 1.000 m2 meer aan de woning toe te rekenen, maar dat voorstel is door eiser niet aanvaard. Verweerder kan daarom niet daaraan gebonden worden geacht.

Ook de grief over de heffingsrente kan niet slagen. Ingevolge artikel 30f, eerste en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst voor het jaar 2004) wordt ingeval een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld heffingsrente berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. De aanslag betreft het jaar 2001. De aanslag is vastgesteld op 28 oktober 2004. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de heffingsrente is berekend over een langere periode dan die van 1 januari 2002 tot en met 28 oktober 2004. De duur van de aanslagregeling is zonder bijkomende omstandigheden geen reden om de heffingsrente te verminderen.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. A.M.F. Geerling en mr. I. Linssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

In het openbaar uitgesproken op:

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.