Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK3286

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
636129 VV Expl 09-10153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. CAO ABN AMRO Bank. Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd volgens CAO slechts toegestaan in specifieke, limitatief opgesomde situaties, die zich te dezen geen van alle voordoen. Vordering tot wedertewerkstelling toegewezen, nu de arbeidsovereenkomst op grond van de CAO geacht moet worden voor onbepaalde tijd te zijn gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0857
RAR 2010, 21

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 636129 \ VV EXPL 09-10153 \ 282fh

uitspraak van

vonnis in kort geding

in de zaak van

[werkneemster]

wonende te Oosterhout-Nijmegen

eisende partij

gemachtigden mrs. S. Kropman en I. Staps-Geenen

tegen

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde partij

gemachtigde mr. G.C.F.M. Nadaud

Partijen worden hierna [werkneemster] en de bank genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 oktober 2009 met producties;

- de brief van mr. Kropman voornoemd aan de griffier van 14 oktober 2009 met producties;

- een kopie van de brief van de bank aan mr. Kropman van 16 oktober 2009 met producties;

- de pleitnota van mrs. Kropman en Staps voornoemd;

- de pleitaantekeningen van mr. Nadaud voornoemd;

- de aantekeningen van de griffier van het verhandelde ter zitting.

1. De feiten

1.1. [werkneemster] heeft voor de bank gewerkt als adviseur Customer Contact Center (CCC), laatstelijk tegen een loon van € 2.206,- bruto per maand inclusief toeslagen, gedurende de periode van 26 september 2005 tot en met 25 september 2006 op basis van een uitzendovereenkomst met [naam uitzendbureau] te Nijmegen, en aansluitend tot en met 25 september 2009 op basis van drie achtereenvolgende arbeidsovereenkomsten tussen haar en de bank, telkens voor de duur van één jaar. Zij heeft steeds als adviseur particulieren gewerkt.

1.2. Deze arbeidsverhouding wordt mede beheerst door de CAO ABN AMRO (verder te noemen: de CAO). Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“Het vaste dienstverband, voor onbepaalde tijd, is de regel. Het tijdelijke contract, voor bepaalde tijd, is de uitzondering. Voor de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gelden regels, die soms afwijken van de wettelijke regels.

(…)

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag alleen bij:

• piekvorming in het werk;

• tijdelijke vervanging van een collega;

• een project;

• een overgangsfase bij een reorganisatie; of

• een opleidingsperiode voor een trainee.

De duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is maximaal drie jaren. In afwijking van wettelijke bepalingen wordt bij het aangaan of verlengen van zo'n arbeidsovereenkomst geen rekening gehouden met alle uitzend- en detacheringsperiodes bij de Bank, die liggen in het halfjaar voorafgaand aan de eerste arbeidsovereenkomst.”

1.3. De bank heeft bij brief van 4 september 2007 aan [werkneemster] meegedeeld, voor zover hier van belang:

“Hierbij bevestigen wij met u te zijn overeengekomen uw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, neergelegd in de overeenkomst van 26 september 2006, met ingang van 26 september 2007 te verlengen tot 26 september 2008, vanwege één van de volgende situaties: piekvorming in het werk, tijdelijke vervanging van collega's, een project, een overgangsfase bij een reorganisatie of een opleidingsfase in het kader van een traineeship.

Voor het overige blijven de voorwaarden van de hierboven genoemde arbeidsovereenkomst ongewijzigd van kracht.

Op de overeenkomst zijn van toepassing de regels neergelegd in de voor de werkgever geldende Collectieve Arbeidsovereenkomst, verder te noemen CAO('s), zoals de Employability-CAO, zoals deze nu luiden en in de toekomst kunnen worden gewijzigd en/of aangevuld en voor zover in deze overeenkomst daarvan niet is afgeweken. (…)

Met u is besproken dat dit verlengde tijdelijke dienstverband op grond van het bepaalde in de ABN AMRO CAO van rechtswege eindigt zonder dat opzegging daarvoor noodzakelijk is.”

1.4. Een woordelijk gelijkluidende brief is door de bank aan [werkneemster] gezonden op 22 juli 2008 voor de periode van 26 september 2008 tot en met 25 september 2009, onder toevoeging van de mededeling: “De laatste dag van uw arbeidsovereenkomst is 25 september 2009.”

1.5. De bank heeft bij brief van 17 augustus 2008 aan [werkneemster] meegedeeld, voor zover hier relevant:

“Hierbij maken wij u erop attent dat uw tijdelijke arbeidsovereenkomst met onze instelling,

die inging op 26 september 2005, van rechtswege eindigt. De laatste dag van uw dienstverband is 25 september 2009. Het dienstverband zal niet worden verlengd.”

2. De vordering en het verweer

2.1. [werkneemster] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de bank zal veroordelen:

1. tot doorbetaling van het loon ten bedrage van € 2.206,13 bruto per maand, met ingang van 25 september 2009 voor de 25e van elke maand, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd, met bepaling dat de bank aan [werkneemster] de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW alsmede de wettelijke rente ex art. 6:120 BW verschuldigd zal zijn indien het salaris niet uiterlijk drie werkdagen na voornoemde datum op de bankrekening van [werkneemster] zal zijn bijgeschreven;

2. om [werkneemster] na 25 september 2009 binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis toe te laten tot de bedongen werkzaamheden en (de kantonrechter leest: om) deze ongestoord te kunnen uitoefenen, zulks op straffe van een door de bank aan [werkneemster] te verbeuren dwangsom van € 2.000,00 per dag dat de bank weigert aan het te wijzen vonnis te voldoen, met een door de kantonrechter te bepalen maximum;

3. in de proceskosten.

2.2. De vordering is, tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, gegrond op de stellingen, kort gezegd, dat sprake is van vier achtereenvolgende arbeidsovereenkomsten, zodat op grond van de wet de laatste geacht moet worden voor onbepaalde tijd te zijn gesloten, althans dat de bank in strijd met de CAO arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met haar ([werkneemster]) heeft gesloten, zonder dat sprake was van een omstandigheid waarin dat de bank krachtens de CAO was toegestaan.

2.3. De bank heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het verweer zal hierna worden besproken, voor zover het van belang is voor de beslissing.

3. De beoordeling

3.1. De bank heeft betoogd, dat [werkneemster] heeft ingestemd met de arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, en dat in de CAO uitdrukkelijk wordt afgeweken van de regeling van artikel 7:668a lid 1 Burgerlijk wetboek (BW). De bank beroept zich op de CAO-bepaling dat de duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd maximaal drie jaren is, en dat bij het aangaan of verlengen van zo'n arbeidsovereenkomst geen rekening gehouden wordt met alle uitzend- en detacheringsperiodes bij de Bank in het halfjaar voorafgaand aan de eerste arbeidsovereenkomst.

3.2. [werkneemster] heeft deze uitleg van de CAO betwist en zich daartegenover op het standpunt gesteld, dat de omstandigheden waaronder het de bank is toegestaan arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan, in de CAO limitatief worden opgesomd, en dat geen van die omstandigheden zich in het gegeven geval voordoet. Zij stelt vier jaar in dezelfde functie te hebben gewerkt en wijst erop, dat de bank voor deze en vergelijkbare functies nog steeds personeel werft.

3.3. Volgens de bank is er wel degelijk sprake van piekvorming in het werk, terwijl de omstandigheden waarin zij zich momenteel bevindt, te beschouwen zijn als een overgangsfase bij een reorganisatie.

3.4. De kantonrechter is van oordeel dat dit voorshands niet aannemelijk is geworden. Uit een grafiek die de bank in het geding heeft gebracht (“callrealisatie per maand per businessline”) valt wel af te leiden, dat het werkaanbod bij het CCC niet constant is, maar pieken en dalen vertoont. Daaruit blijkt echter niet, dat het gaat om een piek in het werkaanbod in de periode waarin [werkneemster] voor de bank heeft gewerkt in vergelijking met het werkaanbod in de tijd daarvoor. In het bijzonder valt daarbij op dat in september 2007 de “callrealisatie” bij de “businessline” particulier op het op één na laagste niveau stond, vergeleken met de periode daarvóór vanaf januari 2006. De stelling van de bank, dat er sprake is van piekvorming in het werk en dat om die reden per 26 september 2007 een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van een jaar is gesloten, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, voorshands daar niet mee te rijmen.

3.5. Verder is wel van algemene bekendheid dat de toestand op de financiële markten, met de banken als grote en belangrijke marktpartijen, momenteel verre van kalm en stabiel is, maar daaruit volgt niet dat de bank geacht kan worden in een overgangsfase bij een reorganisatie te verkeren. De bank heeft wel in algemene termen aangevoerd dat er sprake is van een gestage terugloop van het werkaanbod in de functie waarin [werkneemster] werkzaam is, maar niets concreets gesteld over reeds in uitvoering genomen organisatorische maatregelen die daar noodzakelijkerwijs uit voortvloeien. Met dit algemene verweer is ook overigens moeilijk verklaarbaar dat intussen personeel wordt geworven voor functies, vergelijkbaar met die van [werkneemster], zoals [werkneemster] onweersproken heeft gesteld.

3.6. De kantonrechter is het voorshands dan ook eens met [werkneemster], dat de bank in strijd met de CAO heeft gehandeld door met haar achtereenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan, zonder dat sprake is van een omstandigheid waarin dat de bank krachtens de CAO is toegestaan. Kennelijk heeft de bank miskend, dat het vaste dienstverband, voor onbepaalde tijd, de regel is en de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de uitzondering. De hiervoor onder 2.3 en 2.4 bedoelde brieven van de bank aan [werkneemster] doen vermoeden, dat de bank zich heeft willen indekken door alle in de CAO genoemde omstandigheden aan te voeren als reden voor de voortzetting ervan voor een beperkte duur; uit die brieven blijkt immers niet, dat de bank er (voldoende) bij stilgestaan heeft dat voor een uitzondering op de algemene regel deze redenen gerechtvaardigd moeten worden door de feiten en omstandigheden in het concrete geval van [werkneemster]. Dat [werkneemster] die brieven voor akkoord heeft getekend, zoals de bank onweersproken heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

3.7. Gelet op de hiervoor onder 2.2 aangehaalde CAO-bepalingen moet er met [werkneemster] van uitgegaan worden, dat de arbeidsverhouding tussen haar en de bank is aangegaan voor onbepaalde tijd. Haar vordering tot wedertewerkstelling is dan ook toewijsbaar. Het verweer van de bank dat uitgaat van het bestaan van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waarbij geen rekening moet worden gehouden met de voorafgaande uitzendovereenkomst, behoeft geen bespreking meer.

3.8. De gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente zullen worden afgewezen, omdat op dit moment geen sprake is van achterstallig loon.

3.9. Er zijn termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te matigen tot € 1.000,- voor iedere dag dat de bank zal nalaten aan de veroordeling tot wedertewerkstelling te voldoen.

3.10. De bank zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De aan de zijde van [werkneemster] gevallen kosten worden begroot op € 85,98 inclusief BTW voor de betekening van de dagvaarding, € 208,- voor vastrecht en twee punten à € 200,- volgens het liquidatietarief voor salaris gemachtigde, totaal € 693,98.

BESLISSING

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding,

- veroordeelt de bank tot doorbetaling aan [werkneemster] van het loon ten bedrage van € 2.206,13 bruto per maand, met ingang van 25 september 2009 voor de 25e van elke maand, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

- veroordeelt de bank om [werkneemster] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis toe te laten tot de bedongen werkzaamheden om deze ongestoord te kunnen uitoefenen, zulks op straffe van een door de bank aan [werkneemster] te verbeuren dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat de bank weigert aan dit bevel te voldoen, met een maximum van € 50.000,-;

- veroordeelt de bank in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [werkneemster] begroot op € 693,98.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op