Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK2969

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
AWB 07/1013
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM9649, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een aantal van de in artikel 16b van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: het Vrijstellingsbesluit) genoemde vrijstellingsgronden worden niet genoemd in artikel 16, eerste lid, van Habitatrichtlijn en artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn. Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze richtlijnen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat lidstaten in de nationale wetgeving gronden voor het verlenen van een ontheffing mogen hanteren die niet in die richtlijn zijn genoemd en hiervan ook niet direct zijn af te leiden. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de grondslag voor het vaststellen van de Gedragscode zich niet verdraagt met artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn.

Nu de Gedragscode zou gelden ten aanzien van (overige) beschermde inheemse dier- en plantensoorten, die onder het beschermingsregime van genoemde richtlijnen vallen, heeft verweerder artikel 16b van het Vrijstellingsbesluit niet aan zijn besluit tot goedkeuring van de Gedragscode ten grondslag mogen leggen.

Goedkeuring van de Gedragscode is verder in strijd met het bepaalde in artikel 16, derde lid, aanhef en onder e, van de Habitatrichtlijn en artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn, omdat de Gedragscode niet voorziet in controlemaatregelen.

Wetsverwijzingen
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten 16b
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/144 met annotatie van Boerema
JNA 2009/8 met annotatie van Boerema
BR 2010/25
M en R 2010, 68

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/1013

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 27 oktober 2009

inzake

Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ), eiseres,

gevestigd te Arnhem,

tegen

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

alsmede

Unie van Waterschappen, partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te ‘s-Gravenhage.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 10 juli 2006.

2. Procesverloop

Op 9 november 2005 heeft de Unie van Waterschappen (hierna: de UvW) de “Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen” (hierna: de Gedragscode) ter goedkeuring voorgelegd aan verweerder.

In het kader van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, bedoeld in Afdeling 3.4 van de Awb, heeft verweerder bij ontwerpbesluit van 27 januari 2006 de Gedragscode goedgekeurd.

Het ontwerpbesluit is ter inzage gelegd. Bij brief van 21 maart 2006 heeft eiseres haar zienswijze op het ontwerpbesluit kenbaar gemaakt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder, nadat hij zich een oordeel had gevormd over de ingediende zienswijzen, de Gedragscode onder vermelding van enige aanvullingen goedgekeurd.

Tegen dit besluit is bij de Rechtbank ‘s-Gravenhage beroep ingesteld. Het beroepschrift is

op 8 maart 2007 doorgezonden naar de Rechtbank Arnhem. Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder het door verweerder ingediend verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 5 oktober 2007, waarna het onderzoek ter zitting is gesloten. Op 16 november 2007 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend.

Bij schrijven van 17 december 2008 heeft de UvW zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is verder behandeld ter zitting van de rechtbank van 31 augustus 2009. Namens eiseres zijn aldaar A.H.H.M. Bongers en S.J. Vreugdenhil verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van Dijk en J.A.M. van Spaandonk. Namens de UvW zijn verschenen W.J. Wensink en C. van Bladeren.

3. Overwegingen

procedurele aspecten

Ambtshalve heeft de rechtbank te beoordelen of eiseres, die een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is, is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Zoals blijkt uit artikel 2, eerste lid, van de statuten heeft de VZZ als doel zich nationaal en internationaal in te zetten voor de studie en de bescherming van in het wild levende zoogdieren en hun leefgebieden en voorts het verrichten van al hetgeen daarmee in de meest ruime zin verband houdt of daarvoor bevorderlijk kan zijn. Ten einde dit doel te bereiken verricht de VZZ, naar ook ter zitting is toegelicht, naast het voeren van procedures ook feitelijke werkzaamheden, zoals het uitvoeren van ecologisch onderzoek in opdracht van overheden en het bedrijfsleven, het organiseren van studiedagen en veldwerkkampen en het adviseren van de overheid en terreinbeheerders.

Bij de dieren waarop de Gedragscode ziet zijn in het wild levende zoogdieren vermeld. Reeds om die reden en gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de vereniging is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. Overigens is de VZZ ook belanghebbende voor zover het de in de gedragscode genoemde andere dieren, zoals vogels en reptielen, betreft. De statutaire doelstelling van de VZZ is immers mede gericht op de leefgebieden van in het wild levende zoogdieren en omvat dus tevens hun prooien en predatoren.

Anders dan verweerder in het verweerschrift heeft betoogd, heeft eiseres met betrekking tot de onderdelen waarover zij beroep heeft ingesteld voordien bij verweerder een zienswijze ingediend. Er is daarom geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb.

De rechtbank stelt vast dat ingevolge artikel 6:19 van de Awb, in verbinding met artikel 6:18 van de Awb, het beroep zich mede richt tegen het besluit van 23 augustus 2006 tot aanvulling van het bestreden besluit. Tegelijkertijd stelt de rechtbank echter vast dat de beroepsgronden met betrekking tot het besluit van 23 augustus 2006 door eiseres eerst ter zitting van 31 augustus 2009 zijn ingebracht. In verband met de schending van de goede procesorde blijven deze daarom buiten bespreking.

De rechtbank stelt verder vast dat het beroepschrift op 25 oktober 2006 bij de rechtbank 's-Gravenhage is binnengekomen.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken, welke termijn ingevolge artikel 6:8 van de Awb aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 6:8, vierde lid, van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van Afdeling 3.4 van de Awb aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb ter inzage is gelegd.

Artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb bepaalt dat indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan Afdeling 3.4, de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Awb, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

De artikelen 3:11 en 3:12 van de Awb handelen over de terinzagelegging van het ontwerp-besluit en de openbare kennisgeving van die terinzagelegging.

Het bestreden goedkeuringsbesluit van 10 juli 2006, evenals het wijzigingsbesluit van 23 augustus 2006, is eerst op 21 juni 2007 met voorafgaande kennisgeving ter inzage gelegd. Dat brengt mee dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift, genoemd in artikel 6:8, vierde lid, van de Awb geen aanvang heeft genomen.

Het beroepschrift is daarom prematuur. Artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb bepaalt ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift dat niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ingevolge artikel 6:10, tweede lid, van de Awb aangehouden tot het begin van de genoemde termijn.

Nu het goedkeuringsbesluit bij brief van 14 september 2006 aan eiseres is bekend gemaakt, kon eiseres ten tijde van de indiening van het beroepschrift menen dat het besluit tot stand was gekomen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet-ontvankelijk verklaring achterwege moet blijven.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in het navolgende bespreken of het bestreden besluit op inhoudelijke gronden de rechterlijke toets kan doorstaan.

inhoudelijk

De Gedragscode voorziet in een aantal procesafspraken en een stappenplan voor veel voorkomende werkzaamheden die de waterschappen moeten uitvoeren. Het werken volgens de Gedragscode is slechts verplicht voor de waterschappen, indien de werkzaamheden plaatsvinden op locaties waar de juridisch zwaarder beschermde soorten voorkomen. In dat geval hoeft voor de werkzaamheden geen ontheffing te worden aangevraagd. Het betreft een zogenoemde basisgedragscode, die desgewenst door het waterschap op de specifieke locale situatie kan worden toegespitst.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat door het nemen van de in de Gedragscode genoemde voorzorgsmaatregelen, met inbegrip van een aantal aanvullingen en aanpassingen, wordt gewaarborgd dat schade, en daarmee negatieve wezenlijke invloed, aan beschermde soorten wordt voorkomen. Naar de mening van verweerder voldoet de Gedragscode hiermee aan de vereisten van artikel 16c van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: het Vrijstellingsbesluit).

De goedkeuring geldt voor een periode van vijf jaar, waarna een evaluatie plaatsvindt.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat artikel 16b van het Vrijstellingsbesluit, waarop de Gedragscode is gebaseerd, strijdig is met de Europese richtlijnen. Voorts heeft zij gesteld dat de werking van het Vrijstellingsbesluit in zoverre moet worden uitgesloten. Voorts stelt zij dat de Gedragscode, voor zover deze voorziet in het verlenen van vrijstellingen voor overtreding van de verbodsbepalingen in de Flora- en Faunawet (Ffw), in strijd is met de Ffw en de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Daartoe heeft zij betoogd dat voor het in genoemd artikel introduceren van de vrijstellingsgronden “bestendig beheer en onderhoud” en “bestendig gebruik” geen basis bestaat in artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn) - voor zover het de beschermde soorten van bijlage IV bij de Habitatrichtlijn betreft.

Nu de Gedragscode niet een uitgebreide toets bevat, terwijl de Habitatrichtlijn dit voor de genoemde soorten wel vereist, is deze ook op dit punt strijdig met de Habitatrichtlijn.

Dit geldt evenzeer voor zover het de beschermde vogelsoorten betreft, aldus eiseres.

De introductie van de vrijstellingsgronden “bestendig beheer en onderhoud”, “bestendig gebruik” en “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting” is strijdig met artikel 9, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn).

Tenslotte is de Gedragscode in strijd met artikel 16, derde lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn, omdat deze niet voorziet in controlemaatregelen die met het oog op handhaving moeten worden genomen, aldus eiseres.

wettelijk kader

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn mogen de Lid-Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters a) en b):

a) in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

b) ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom;

c) in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

d) ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;

e) ten einde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Habitatrichtlijn - voor zover in dit geding van belang - zenden de Lid-Staten de Commissie om de twee jaar een verslag toe conform het door het comité opgestelde model over de op grond van lid 1 toegestane afwijkingen.

Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Habitatrichtlijn moet in het verslag het volgende worden vermeld:

e) welke controlemaatregelen er zijn genomen en welke resultaten er zijn verkregen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn mogen de Lid-Staten, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8:

a ) - in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid,

- in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer,

- ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,

- ter bescherming van flora en fauna;

b ) voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt;

c ) ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn, voor zover in dit geding van belang, moet in de afwijkende bepalingen worden vermeld:

- welke controles zullen worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw worden als beschermde inheemse diersoort aangemerkt alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten.

Ingevolge artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 12 van de Ffw is het verboden eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge artikel 13, aanhef en onder a, van de Ffw, voor zover thans van belang, is het verboden dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

Ingevolge artikel 75, derde lid, van de Ffw, voor zover hier van belang, kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a, 15b en 72, vijfde lid.

Ingevolge het vijfde artikellid worden vrijstellingen en ontheffingen tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen, slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Ingevolge het zesde artikellid, worden - onverminderd het vijfde lid - voor soorten genoemd in bijlage IV van richtlijn 92/43/EEG, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat:

a. ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;

b. teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal van bij die maatregel aan te wijzen soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben of,

c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Artikel 2, derde lid, van het Vrijstellingsbesluit bepaalt dat als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, onderdeel c, van de wet zijn aangewezen:

a. de bepalingen inzake de gemeenschappelijke markt en een vrij verkeer van goederen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

b. de bescherming van flora en fauna;

c. de veiligheid van het luchtverkeer;

d. de volksgezondheid of openbare veiligheid;

e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

f. het voorkomen van ernstige schade aan vormen van eigendom, anders dan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

g. belangrijke overlast veroorzaakt door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort;

h. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en in de bosbouw;

i. bestendig gebruik;

j. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.

Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Vrijstellingsbesluit zijn als zulke andere belangen aangewezen: de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.

Ingevolge artikel 2c, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vrijstellingsbesluit kan met betrekking tot de diersoorten, genoemd in bijlage ?van de Habitatrichtlijn, en de diersoorten, genoemd in bijlage 1 bij het Vrijstellingsbesluit, van de artikelen 9 tot en met 12 van de Ffw slechts vrijstelling of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, b, c, d, e of f.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde soorten tevens vrijstelling of ontheffing worden verleend van de artikelen 9, 11 en 12 van de Ffw ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, aanhef en onder h, i en j, mits ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde soorten:

geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en

zorgvuldig wordt gehandeld.

Ingevolge artikel 2d, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vrijstellingsbesluit kan met betrekking tot de vogelsoorten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw, van de artikelen 9 tot en met 12 van die wet slechts vrijstelling of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, b, c of d.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde soorten tevens vrijstelling of ontheffing worden verleend van de artikelen 9, 11 en 12 van de Ffw ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, aanhef en onder h, i en j, mits ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde soorten:

geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en zorgvuldig wordt gehandeld.

Ingevolge het vijfde artikellid houdt zorgvuldig handelen als bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder b, in elk geval in dat:

van de werkzaamheden of het gebruik geen wezenlijke invloed uitgaat op de in het eerste lid bedoelde soorten en

voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in redelijkheid alles zal worden verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:

de in het eerste lid bedoelde dieren worden gedood, verwond, gevangen, bemachtigd of met het oog daarop worden opgespoord;

nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of verstoord;

eieren van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd of vernield.

Artikel 16b, van het Vrijstellingsbesluit luidt als volgt:

1. De verboden, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 12 van de wet, gelden niet bij:

a. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen en bermen en in het kader van natuurbeheer;

b. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;

c. bestendig gebruik;

d. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.

2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van in het wild levende dieren en planten behorende tot:

a. bij ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse dier- en plantensoorten;

b. overige beschermde inheemse dier- en plantensoorten, mits de werkzaamheden en het gebruik aantoonbaar plaatsvinden overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode.

Ingevolge artikel 16c, eerste lid, van het Vrijstellingsbesluit wordt een gedragscode als bedoeld in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, slechts goedgekeurd, indien hierin een wijze van uitvoering van werkzaamheden of gebruik is beschreven waarmee naar het oordeel van de minister afdoende gewaarborgd is dat ten aanzien van de in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde soorten:

a. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt;

b. zorgvuldig wordt gehandeld, hetgeen inhoudt dat:

1°. slechts werkzaamheden verricht worden of gebruik plaatsvindt waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde soorten;

2°. voor wat betreft dieren voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in redelijkheid alles wordt verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:

i. de in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde dieren worden gedood, verwond, gevangen, bemachtigd of met het oog daarop worden opgespoord;

ii. nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde dieren worden beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of verstoord;

iii. eieren van de in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield.

De rechtbank stelt vast dat de in artikel 16b van het Vrijstellingsbesluit genoemde vrijstellingsgronden “bestendig beheer en onderhoud” en “bestendig gebruik” niet worden genoemd in artikel 16, eerste lid, van Habitatrichtlijn. Evenmin worden de vrijstellings-gronden “bestendig beheer en onderhoud”, “bestendig gebruik” en “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting” genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat lidstaten in de nationale wetgeving gronden voor het verlenen van een ontheffing mogen hanteren die niet in die richtlijn zijn genoemd en hiervan ook niet direct zijn af te leiden. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de grondslag voor het vaststellen van de Gedragscode zich niet verdraagt met artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn.

Nu de Gedragscode zou gelden ten aanzien van (overige) beschermde inheemse dier- en plantensoorten, die onder het beschermingsregime van genoemde richtlijnen vallen, heeft verweerder deze bepaling niet aan zijn besluit tot goedkeuring van de Gedragscode ten grondslag mogen leggen.

Voorts kan worden vastgesteld dat de Gedragscode niet voorziet in te nemen controlemaatregelen dan wel aangeeft welke controles zullen worden uitgevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet tot goedkeuring van de Gedragscode mogen overgaan, aangezien dit in strijd is met het bepaalde in artikel 16, derde lid, aanhef en onder e, van de Habitatrichtlijn en artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn.

Vanwege de boven geconstateerde strijdigheid zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

proceskosten

De door eiseres ter zitting ingebrachte declaratie van de kosten van een advocaat komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien zich in de onderhavige zaak geen advocaat heeft gesteld. Aangezien niet van andere in dit verband relevante kosten is gebleken, geeft de rechtbank geen toepassing aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 141 aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, voorzitter, mr. J.J. Penning en mr. J.M. Neefe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De griffier, de voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2009

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 27 oktober 2009