Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK2790

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
172822 / 173665
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in twee zaken tussen dezelfde partijen over de afwikkeling van hun samenwerkingsverband c.q. arbeidsovereenkomst. In de ene zaak wordt de vordering van eiser tot vernietiging van een bindend advies - over de waardering van de waarde van de aandelen van eiser - afgewezen.

In de andere zaak wordt geoordeeld dat het ontslag van eiser niet kennelijk onredelijk is. De diverse overige vorderingen in conventie - m.b.t. onder meer salaris, vakantiegeld, pensioenpremies - worden deels toegewezen, deels afgewezen.De vorderingen in reconventie - m.b.t. de afwikkeling van de werkzaamheden - worden eveneens deels toegewezen en deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0842

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis van 21 oktober 2009

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 172822 / HA ZA 08-1213 van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. M. van Riet- Holst te Utrecht,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 173665 / HA ZA 08-1328 van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.P.M. Wijnands te Utrecht.

Eiser in beide zaken zal hierna [eise[eiser]eide zaken] worden genoemd. Gedaagden in de zaak met rolnummer 08-1213 zullen hierna ieder afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]. en gezamenlijk als [gedaagden geamenlijk]

Gedaagde in conventie/eiseres in reconventie in de zaak met rolnummer 08-1328 zal hierna [gedaagde in conventie] worden genoemd.

1. De procedure in de zaak 08-1213

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 oktober 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 25 mei 2009

- de rolverwijzing voor uitlating mediation

- de uitlating mediation van [gedaagden geamenlijk]

- de uitlating mediation van [eise[eiser]eide zaken].

1.2. Omdat partijen geen mediation wensen, is vonnis bepaald.

2. De feiten in de zaak 08-1213

2.1. [eise[eiser]eide zaken] en [gedaagde sub 1] zijn broers. [gedaagde sub 2] is de ex-zwager van [eiser in beide zaken] en [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 2] is directeur van [gedaagde sub 3].

Samen hadden zij een onderneming, een keuken- en badkamerbedrijf. De onderneming exploiteerde ook een bouwmarkt. De onderneming was ondergebracht in [gedaagde in conventie] B.V. (hierna: [gedaagde in conventie]). [gedaagde in conventie] had twee dochtervennootschappen: [dochtervennootschap 1] [woonplaats] B.V. en [dochtervennootschap 2] B.V. [eiser] [gedaagde sub 1] hielden elk 40% van de aandelen in [gedaagde in conventie]; [gedaagde sub 3]. hield 20%.

2.2. In 2006 hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] aan [eiser in beide zaken] te kennen gegeven dat zij niet meer met hem wilden samenwerken en dat zij 40% van de onderneming van hem wilden kopen. Partijen zijn er niet in geslaagd de zaak in der minne af te wikkelen. Er zijn verschillende procedures tussen partijen aanhangig gemaakt.

2.3. De zaak is in kort geding voorgelegd aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Ter zitting van 8 augustus 2007 hebben partijen ter beëindiging van alle tussen hen op dat moment bestaande procedures een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze luidt, voor zover van belang, als volgt.

2. Partijen komen overeen dat zij een accountant van GIBO zullen benoemen tot bindend adviseur met als opdracht de aandelen van [eiser] in [gedaagde in conventie] B.V. – nader: de vennootschap – te waarderen op de peildatum 1 september 2007 en deze waardering uit te voeren volgens algemeen aanvaarde beginselen van accountancy (…).

3. [gedaagde sub 1] [gedaagde sub 2] (GO) B.V. zeggen toe dat de vennootschap de aandelen van [eiser] zal inkopen tegen de door de accountant van GIBO vastgestelde prijs (…).

2.4. Partijen hebben de heer drs. [ ]. [betrokkene] RA (hierna: [betrokkene]), werkzaam bij GIBO Accountants en Adviseurs (hierna: GIBO), benoemd tot bindend adviseur. Tijdens een voorbereidend gesprek tussen partijen en [betrokkene] op 15 oktober 2007 hebben partijen ermee ingestemd dat de waarde van [gedaagde in conventie] zou worden bepaald volgens de Discounted Cash Flowmethode (hierna: de DCF-methode).

2.5. Op 6 december 2007 heeft GIBO een conceptrapport uitgebracht, waarin de waarde van de onderneming op 31 augustus 2007 is begroot op € 433.774,00.

2.6. Bij brief van 17 december 2007 aan GIBO heeft [eiser in beide zaken] commentaar geleverd op het conceptrapport, zowel op de inhoud als op de wijze van totstandkoming ervan. Bij brief van 19 december 2007 aan [gedaagde in conventie] heeft GIBO de kritiek van [eiser in beide zaken] op het conceptrapport samengevat, daarop een korte reactie gegeven en enkele voorstellen gedaan om aan de kritiek tegemoet te komen.

2.7. Partijen hebben vervolgens naar aanleiding van het conceptrapport aanvullende informatie aan GIBO verstrekt. Op 29 januari 2008 heeft GIBO het definitieve rapport uitgebracht. Volgens het definitieve rapport bedroeg de waarde van de onderneming op 31 augustus 2007 € 128.968,00.

2.8. [eiser in beide zaken] heeft geen medewerking verleend aan overdracht van de aandelen tegen de in het definitieve rapport genoemde prijs.

2.9. Op 6 maart 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser in beide zaken] en GIBO over het definitieve rapport. De daarbij door [eiser in beide zaken] gestelde vragen zijn door GIBO beantwoord bij brief van 25 maart 2008. Bij brief van 6 april 2008 is namens [eiser in beide zaken] op de brief van GIBO gereageerd.

2.10. [gedaagden geamenlijk] heeft [eiser in beide zaken] gedagvaard in een kortgedingprocedure voor deze rechtbank en nakoming gevorderd van de vaststellingsovereenkomst van 8 augustus 2007. Bij vonnis van 26 augustus 2008 heeft de voorzieningenrechter [eiser in beide zaken] veroordeeld om – samengevat weergegeven – medewerking te verschaffen aan de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst, meer in het bijzonder aan de uitvoering van de artikelen 2 en 3 van die vaststellingsovereenkomst. [eiser in beide zaken] is van dit vonnis niet in hoger beroep gekomen.

3. Het geschil in de zaak 08-1213

3.1. [eiser in beide zaken] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) voor recht verklaart dat het door GIBO op 25 maart 2008 uitgebrachte bindend advies, althans nog uit te brengen bindend advies, niet verbindend is en dat [eiser in beide zaken] niet aan dit advies is gebonden;

b) beveelt dat de GIBO GROEP en de bij GIBO GROEP werkzame heer [ ] [betrokkene] ontheven worden van hun taken als deskundige, onder benoeming van een andere deskundige;

c) de bindend adviseur beveelt om bij het opstellen van dat bindend advies gebruik te maken van de waarderingsmethodiek liquiditeitswaarde, althans enige andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen (combinatie van) waarderingsmethoden;

d) [gedaagden geamenlijk] veroordeelt in de proceskosten.

3.2. [eiser in beide zaken] legt aan zijn vordering ten grondslag dat zowel de wijze van totstandkoming als de inhoud van het bindend advies van GIBO zozeer ingaat tegen de redelijkheid en billijkheid, dat hij daaraan niet kan worden gehouden. GIBO heeft volgens [eiser in beide zaken] gebruikgemaakt van een verkeerde waarderingsmethode, waardoor zij in haar bindend advies een te lage waarde aan de onderneming heeft toegekend.

3.3. [gedaagden geamenlijk] voert gemotiveerd verweer.

3.4. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, nader ingaan op de stellingen van partijen.

4. De beoordeling in de zaak 08-1213

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het definitieve rapport van GIBO een bindend advies is, conform het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst, waaraan partijen dus in beginsel zijn gebonden.

4.2. Uit artikel 7:904 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 25 maart 1994, NJ 1995, 23) volgt dat een partij bij een bindend advies niet elke onjuistheid in het advies kan inroepen teneinde de bindende kracht daarvan te bestrijden. Uitsluitend indien het advies uit hoofde van zijn inhoud of wijze van totstandkoming zo zeer indruist tegen de redelijkheid en billijkheid dat het naar de uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende maatstaven onaanvaardbaar zou zijn dat een partij aan dit advies is gebonden, komt het bindend advies voor vernietiging in aanmerking.

4.3. Anders dan [eiser in beide zaken] is de rechtbank van oordeel dat, met inachtneming van het in de vorige rechtsoverweging weergegeven toetsingskader, geen aanleiding bestaat voor vernietiging van het bindend advies zoals neergelegd in het definitieve rapport van GIBO van 29 januari 2008. Zij overweegt daartoe het volgende.

4.4. Voor zover [eiser in beide zaken] aanvoert dat GIBO bij de vaststelling van de waarde van de aandelen niet de juiste waarderingsmethode heeft gebruikt, wordt dit verweer verworpen. Vast staat immers dat alle betrokken partijen tijdens het voorbereidend overleg met GIBO op 15 oktober 2007 ermee hebben ingestemd dat GIBO de DFC-methode zou hanteren. Daarbij komt dat niet is weersproken dat de DFC-methode een in de accountancy algemeen erkende waarderingsmethode van aandelen is. GIBO heeft bovendien nadere informatie van partijen, waaronder ook de opmerkingen van [eiser in beide zaken], naar aanleiding van het conceptrapport betrokken bij de totstandkoming van het definitieve rapport. De stelling van [eiser in beide zaken] dat GIBO “klakkeloos is uitgegaan van de juistheid van de prognoses van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1]” gaat daarom niet op. GIBO heeft kennelijk in de nadere informatie van partijen geen aanleiding gezien alsnog over te gaan op een andere waarderingsmethode en dat stond haar vrij. Ten slotte heeft GIBO in haar brief van 25 maart 2008 de keuze voor de DFC-methode nog eens onderbouwd en daarbij onder meer toegelicht dat deze methode volgens financieel analisten de beste methode is om de waarde van de aandelen te bepalen.

4.5. Gezien het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van de situatie dat het bindend advies gelet op zijn inhoud of de wijze van totstandkoming zo zeer indruist tegen de redelijkheid en billijkheid dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [eiser in beide zaken] aan het advies is gebonden. De gevorderde verklaring voor recht dat het bindend advies niet verbindend is en dat [eiser in beide zaken] er niet aan is gebonden zal daarom worden afgewezen.

4.6. Uit de afwijzing van de vordering tot een verklaring voor recht vloeit voort dat het bindend advies in stand blijft, zodat [eiser in beide zaken] geen belang heeft bij zijn in r.o. 3.1 genoemde vorderingen sub b) en sub c). Deze zullen daarom eveneens worden afgewezen.

4.7. [eiser in beide zaken] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagden geamenlijk] tot op heden begroot op:

- vast recht € 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × factor 1,0 × tarief € 452,00)

Totaal € 1.158,00

5. De procedure in de zaak 08-1328

5.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 november 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 25 mei 2009

- de akte houdende vermeerdering van eis in reconventie tevens houdende uitlating mediation van [gedaagde in conventie]

- de antwoordakte tevens akte uitlating mediation van [gedaagde in conventie].

5.2. Omdat partijen geen mediation wensen, is vonnis bepaald.

6. De feiten in de zaak 08-1328

6.1. Voor de rechtsverhouding tussen partijen verwijst de rechtbank naar hetgeen onder 2.1 staat vermeld. In aanvulling daarop geldt dat [eiser in beide zaken] in 1985 in dienst is getreden bij [dochtervennoots[woonplaats] B.V., sinds 1997 [gedaagde in conventie] B.V. (hierna: [gedaagde in conventie]). Sinds 19 mei 1997 was [eiser in beide zaken] statutair-directeur. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 3.501,39 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld. [eiser in beide zaken] nam deel aan de pensioenregeling van [gedaagde in conventie].

6.2. Ter beslechting van het hiervoor onder 2.2 weergegeven geschil hebben partijen op 8 augustus 2007 ten overstaan van de voorzieningenrechter van deze rechtbank een vaststellingsovereenkomst gesloten (zie ook r.o. 2.3). Die vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

5. [gedaagde sub 1] [gedaagde sub 2] (GO) B.V. zullen met de besluitvorming omtrent het ontslag van [eiser] wachten totdat het rapport van GIBO is uitgebracht. Hoewel [eiser] het niet eens is met zijn ontslag, zal hij zich niet verzetten tegen een ontslagbesluit, dat wordt genomen, nadat het rapport van GIBO is uitgebracht. Het ontslagbesluit kan buiten vergadering worden opgenomen in de zin van artikel 17, lid 6 van de statuten, zodat geen oproepingstermijn nodig is. De vennootschap [[gedaagde in conventie] – de rechtbank] zal vanzelfsprekend de wettelijke opzegtermijn in acht nemen. Gedurende de opzegtermijn zal [eiser] vrijgesteld zijn van zijn werkzaamheden, behalve voor zover zijn inbreng nodig is voor de veiling van de keukens en de aflevering daarvan, en voor de afwerking van de orderportefeuille.

6. Als [eiser] gedurende de opzegtermijn een andere baan vindt, zal de vennootschap niettemin het loon van de oorspronkelijke opzegtermijn blijven doorbetalen ten titel van schadeloosstelling. Mocht het nodig zijn om een formele ontbindingsprocedure te voeren, dan zal de vennootschap daaraan medewerking verlenen.

6.3. Bij brief van 8 oktober 2007 heeft de pensioenverzekeraar van [dochtervennoots[woonplaats] B.V., Nationale-Nederlanden, aan haar meegedeeld dat met betrekking tot het collectieve verzekeringscontract een rekening-courantsaldo openstaat van € 27.477,88.

6.4. Bij brief van 17 december 2007 heeft [gedaagde in conventie] aan [eiser in beide zaken] bericht:

We hebben 15 oktober 2007, in aanwezigheid van de accountants (…) afgesproken, dat jij al het (na)werk voortkomend uit het keukenbedrijf zou afronden. Opmerkingen en vragen die wij krijgen van klanten geven ons de indruk, dat je die afspraak niet geheel nakomt. Onduidelijk voor ons is welke werkzaamheden je nog wel hebt uitgevoerd en welke klanten daarvoor hebben betaald dan wel nog moeten betalen.

Hieronder een overzicht van voor ons onduidelijke kwesties.

(…)

Wij vragen cq sommeren je per omgaande duidelijkheid te geven over deze kwesties (…). We vragen cq sommeren je de [bedrijfsauto] voor de dagen, dat je deze niet gebruikt bij het uitvoeren van werkzaamheden voor ons bedrijf, te stallen in het magazijn (…).

Je zult begrijpen, dat wij per omgaande duidelijkheid willen. Mocht je daarin niet voorzien voor het einde deze week, dan zullen wij zelf de betrokken klanten benaderen om deze kwesties op te lossen. Mocht je daar onverhoopt voor kiezen dan vragen cq sommeren we je al hetgeen eigendom is van [gedaagde in conventie] BV en dochterbedrijven en je nu nog onder je hebt, uiterlijk 22 december 2007 in te leveren (…).

6.5. In reactie op voornoemde brief heeft [eiser in beide zaken] bij brief van 21 december 2007 aan [gedaagde in conventie] meegedeeld:

(…) Op 15 oktober 2007 is afgesproken dat [eiser] zorg draagt voor de afwikkeling van service en garantiegevallen van voor 1 september 2007. En zoals jullie weten is service en/of garantie kosteloos.

Onderstaand een overzicht ter verduidelijking van de genoemde service/garantie gevallen (…).

Op dit moment heb ik geen materialen of gereedschappen [van gedaagde in conventie] in bezit (…).

De dossiers zal ik retourneren zodra de service/garantietermijn van 6 maanden is verstreken. Mocht [gedaagde in conventie] aanspraak willen maken op de dossiers en bedrijfsauto dan betekent dit, dat ik niet langer in staat ben om genoemde werkzaamheden uit te voeren cq af te handelen. [gedaagde in conventie] zal dan zorgdragen voor de verdere afwikkeling van de service en garantiegevallen zonder dat daar een verrekening op enig gebied zal plaats vinden (…).

6.6. Bij besluit van 31 januari 2008 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] namens [gedaagde sub 3]. besloten “dat [eiser in beide zaken] per heden is ontslagen als statutair directeur en tegen 31 mei 2008 als werknemer van [gedaagde in conventie] BV.”

6.7. Bij brief van 3 april 2008 heeft [gedaagde in conventie] aan [eiser in beide zaken] meegedeeld dat zijn salaris zal worden doorbetaald tot en met februari 2008. In de brief staat tevens vermeld dat het salaris inclusief vakantiegeld over de maanden oktober 2007 tot en met februari 2008 nog niet wordt uitbetaald, omdat dit zal worden verrekend met geld dat [eiser in beide zaken] heeft ontvangen van klanten voor levering van diensten en producten. Ten slotte wordt [eiser in beide zaken] verzocht om alle bedrijfseigendommen in te leveren, “waaronder de [bedrijfsauto]”.

6.8. In reactie hierop is bij brief van 16 april 2008 namens [eiser in beide zaken] onder meer aanspraak gemaakt op loondoorbetaling tot 1 juni 2008 in verband met de wettelijke opzegtermijn van vier maanden.

6.9. Bij brief van 2 juni 2008 heeft [eiser in beide zaken] [gedaagde in conventie] onder meer gesommeerd opgave te doen van de achterstallige pensioenpremies als bedoeld in de in r.o. 4.3 genoemde brief van Nationale-Nederlanden.

6.10. Bij brief van 23 april 2009 heeft Arendse & Kon accountants – belastingadviseurs aan [gedaagde in conventie] meegedeeld dat uit de jaarstukken blijkt dat [eiser in beide zaken] een rekening-courantschuld heeft aan [gedaagde in conventie] van € 16.394,00.

7. Het geschil in de zaak 08-1328

in conventie

7.1. [eiser in beide zaken] vordert, na wijziging/vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a) verklaart [voor recht] dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door [gedaagde in conventie] met ingang van 1 juni 2008 kennelijk onredelijk is;

b) [gedaagde in conventie] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 94.537,50 bruto, althans een naar billijkheid te bepalen bedrag aan schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het tijdstip waarop het bedrag opeisbaar is tot aan de dag van de algehele voldoening;

c) [gedaagde in conventie] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder overlegging van deugdelijke specificaties te betalen:

i) het salaris over de maanden oktober 2007 tot en met februari 2008, te weten € 17.506,95 bruto;

ii) het salaris over de maanden maart tot en met mei 2008, te weten € 10.504,17 bruto;

iii) het vakantiegeld over de maanden oktober 2007 tot en met februari 2008, te weten € 1.400,56 bruto;

iv) het vakantiegeld over de maanden juli 2007 tot en met mei 2008, te weten € 3.081,22 bruto;

v) de pensioenpremies ad € 13.738,94 bruto, althans een nader door Nationale- Nederlanden vast te stellen bedrag, althans subsidiair [gedaagde in conventie] te veroordelen tot juiste en tijdige afdrachten van de correcte pensioenpremies ter zake [eiser in beide zaken], waarbij de hoogte van de verschuldigde pensioenpremies thans is vastgesteld op een totaalbedrag van € 13.738,94 bruto, althans een nader door Nationale-Nederlanden vast te stellen bedrag, alles op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde in conventie] het voornoemde bevel niet opvolgt;

vi) een bedrag van € 307,00 wegens teveel ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet;

vii) de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW over alle gevorderde loonbedragen;

viii) de wettelijke rente over de som van voornoemde bedragen vanaf het tijdstip waarop zij opeisbaar zijn tot aan de dag van de algehele voldoening;

d) [gedaagde in conventie] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.

7.2. [eiser in beide zaken] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7:681 lid 2 sub a en b BW. Daarnaast voert hij aan dat [gedaagde in conventie] bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet de juiste opzegtermijn in acht heeft genomen en aan hem nog achterstallig salaris en vakantiegeld is verschuldigd. Ten slotte heeft [gedaagde in conventie] volgens [eiser in beide zaken] de voor hem verschuldigde pensioenpremies niet afgedragen aan de pensioenuitvoerder, Nationale-Nederlanden.

7.3. [gedaagde in conventie] erkent de vordering van [eiser in beide zaken] gedeeltelijk, maar voert voor het overige gemotiveerd verweer.

7.4. In het navolgende zal de rechtbank, voor zover van belang, nader ingaan op de stellingen van partijen.

in reconventie

7.5. [gedaagde in conventie] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser in beide zaken] veroordeelt tot betaling aan haar van € 43.331,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 26.937,86 vanaf 29 oktober 2008 en over € 16.394,00 vanaf 17 juni 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede veroordeling van [eiser in beide zaken] in de proceskosten.

7.6. [gedaagde in conventie] legt aan haar vordering – samengevat – ten grondslag dat [eiser in beide zaken] na de beëindiging van zijn werkzaamheden door hem van klanten ontvangen en voor [gedaagde in conventie] bestemde bedragen niet (volledig) aan [gedaagde in conventie] heeft afgedragen. Voorts heeft [eiser in beide zaken] zonder betaling goederen uit de bedrijfsvoorraad weggenomen en na de beëindiging van zijn werkzaamheden ten onrechte de zich onder hem bevindende [bedrijfsauto]bus, eigendom van [gedaagde in conventie], onder zich gehouden, aldus [gedaagde in conventie]. Ten slotte stelt [gedaagde in conventie] dat [eiser in beide zaken] uit hoofde van een rekening-courantverhouding een schuld aan haar heeft.

7.7. [eiser in beide zaken] erkent de vordering van [gedaagde in conventie] gedeeltelijk, maar voert voor het overige gemotiveerd verweer.

7.8. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, nader ingaan op de stellingen van partijen.

8. De beoordeling in de zaak 08-1328

in conventie

8.1. De vordering van [eiser in beide zaken] bestaat uit verschillende onderdelen. De rechtbank zal deze achtereenvolgens behandelen.

Verklaring voor recht dat ontslag kennelijk onredelijk is

8.2. [eiser in beide zaken] legt aan deze vordering ten eerste ten grondslag dat hij is ontslagen zonder opgave van redenen dan wel onder opgave van valse redenen (artikel 7:681 lid 2 sub a BW). [gedaagde in conventie] voert hiertegen terecht aan dat [eiser in beide zaken] zijn stellingen op dit punt in het geheel niet heeft onderbouwd. Bovendien, zo voert [gedaagde in conventie] eveneens terecht aan, was overduidelijk dat de ontwrichte samenwerking tussen partijen de reden was voor het ontslag. Het standpunt van [gedaagde in conventie] vindt steun in de verklaring van [eiser in beide zaken] ter comparitie: “Deze ontwrichting staat wel vast. Dat een bedrijfseconomische noodzaak bestond voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, bestrijd ik ook niet.” Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vordering van [eiser in beide zaken] niet op grond van artikel 7:681 lid 2 sub a BW toewijsbaar is.

8.3. [eiser in beide zaken] legt voorts aan zijn vordering ten grondslag dat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde in conventie] (artikel 7:681 lid 2 sub b BW). Hiertoe voert hij aan dat hij, gelet op zijn leeftijd en zijn eenzijdige arbeidsverleden, waarschijnlijk gedurende langere tijd niet in staat zal zijn elders eenzelfde soort functie te vinden. Volgens [eiser in beide zaken] had [gedaagde in conventie] hiermee rekening moeten houden en voor hem een passende financiële voorziening moeten treffen.

8.4. [gedaagde in conventie] voert verweer. Zij stelt dat zij geen mogelijkheden had om aan [eiser in beide zaken] een vergoeding toe te kennen en dat daarvoor bovendien geen reden bestond. Voorts voert zij aan dat [eiser in beide zaken] inmiddels een andere werkkring heeft, met vermoedelijk een hoger salaris dan bij haar. Bij een afweging van de wederzijdse belangen is volgens [gedaagde in conventie] geen sprake van nadelige gevolgen van het ontslag voor [eiser in beide zaken]. Zij stelt voorts dat zij wel degelijk voorzieningen heeft getroffen: [eiser in beide zaken] is immers pas ontslagen nadat het GIBO-rapport is uitgebracht, [gedaagde in conventie] heeft de opzegtermijn in acht genomen en [eiser in beide zaken] is vrijgesteld van zijn werkzaamheden met behoud van salaris.

8.5. De betaling van loon gedurende de opzegtermijn heeft niet zonder meer het karakter van een voorziening of vergoeding in de zin van artikel 7:681 BW, ook niet als de werknemer is vrijgesteld van werkzaamheden. Partijen kunnen wel overeenkomen dat een dergelijke doorbetaling van loon tijdens non-activiteit dat karakter heeft, maar daarvan is hier geen sprake. De rechtbank volgt [gedaagde in conventie] daarom ook niet in haar standpunt dat de doorbetaling van salaris tijdens deze vrijstelling gezien moet worden als een voorziening als bedoeld in artikel 7:681 BW.

8.6. [gedaagde in conventie] heeft verder nog aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst die tot stand is gekomen tijdens het kort geding op 8 augustus 2007 mede betrekking heeft op vorderingen van [eiser in beide zaken] tot het verkrijgen van een vergoeding in verband met zijn ontslag. [eiser in beide zaken] zou op grond daarvan hebben afgezien van het instellen van een vordering ter zake van een vergoeding na ontslag. Dat is door [eiser in beide zaken] tijdens de comparitie van partijen gemotiveerd betwist.

8.7. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de tekst van de overeenkomst niet dat is overeengekomen dat [eiser in beide zaken] afziet van zijn aanspraken op een vergoeding na ontslag. Dat [eiser in beide zaken] zich neerlegt bij zijn ontslag, zoals in de overeenkomst is opgenomen, is niet hetzelfde als het laten varen van aanspraken op een vergoeding. Op grond hetgeen [gedaagde in conventie] ter comparitie daarover heeft verklaard, stelt de rechtbank vast dat tijdens het kort geding wel is gesproken over een eventuele vergoeding na ontslag, maar dat daarover niets is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [eiser in beide zaken] bij het treffen van de vaststellingsovereenkomst niet heeft afgezien van een vordering tot het verkrijgen van een vergoeding na ontslag.

8.8. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het ontslag kennelijk onredelijk is. Daarbij dient de rechtbank de gevolgen van het ontslag af te wegen tegen het belang van [gedaagde in conventie] bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Vast staat dat de reden van het ontslag was dat de arbeidsrelatie ontwricht was en dat een bedrijfseconomische noodzaak bestond. Dit vormt dan ook het belang van [gedaagde in conventie]. [eiser in beide zaken] heeft gesteld dat de gevolgen van het ontslag voor hem bestaan uit zijn leeftijd van 41 jaar ten tijde van het ontslag en zijn eenzijdig arbeidsverleden. [gedaagde in conventie] heeft dit gemotiveerd bestreden en voert aan dat zijn leeftijd en eenzijdig arbeidsverleden niet in de weg staan aan de mogelijkheden van [eiser in beide zaken] om weer ander werk te vinden. Dat heeft zich ook gerealiseerd, nu [eiser in beide zaken] al voor zijn ontslag ander werk had gevonden, buiten de branche. Dat heeft [eiser in beide zaken] niet bestreden. Nu tussen partijen vast staat dat het noodzakelijk was dat de arbeidsrelatie werd beëindigd, omdat deze ontwricht was en daar ook bedrijfseconomische redenen voor bestonden, en gebleken is dat [eiser in beide zaken] al voor het einde van zijn dienstverband met [gedaagde in conventie] ander werk had gevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Dat [eiser in beide zaken] thans een tijdelijk dienstverband met meer reistijd heeft, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Dat de functie die [eiser in beide zaken] thans bekleedt bij zijn nieuwe werkgever niet een soortgelijke functie is als hij bekleedde bij [gedaagde in conventie] is door [eiser in beide zaken] niet gesteld en is ook overigens niet gebleken. De gevolgen van het ontslag zijn dan ook voor [eiser in beide zaken] naar het oordeel van de rechtbank niet te ernstig in verhouding tot het belang van [gedaagde in conventie] bij het ontslag. Het ontslag is dan ook niet kennelijk onredelijk. Nu het ontslag niet kennelijk onredelijk is, komt [eiser in beide zaken] geen vergoeding toe.

Salaris oktober 2007 – februari 2008

8.9. [eiser in beide zaken] vordert betaling van salaris over de maanden oktober 2007 tot maart 2008, in totaal € 17.506,95 bruto. Deze vordering is door [gedaagde in conventie] niet betwist, zodat deze aan [eiser in beide zaken] zal worden toegewezen. De over dit bedrag gevorderde vakantiebijslag zal hierna worden beoordeeld.

Salaris maart 2008 – mei 2008

8.10. Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst eind januari 2008 is opgezegd tegen 31 mei 2008. [gedaagde in conventie] erkent dat [eiser in beide zaken] aanspraak heeft op het salaris over de maanden maart tot en met mei 2008. Zij voert echter aan dat niet het door [eiser in beide zaken] gevorderde bruto bedrag van € 3.501,39 per maand toewijsbaar is, maar dat moet worden uitgegaan van het netto bedrag van € 1.763,91 per maand, dat geldt sinds januari 2008 omdat vanaf toen de loonheffingskorting niet langer is toegepast.

8.11. De rechtbank verwerpt dit verweer van [gedaagde in conventie]. Het salaris wordt immers nu eenmaal uitgedrukt in een bruto bedrag en dat is ook wat [eiser in beide zaken] vordert. Aangezien [gedaagde in conventie] erkent dat [eiser in beide zaken] aanspraak heeft op het salaris van maart tot en met mei 2008, zal de vordering op dit punt worden toegewezen, dus in totaal € 10.504,17 bruto.

Van Putten beroept zich daarnaast op artikel 7:632 lid 1 BW en voert aan dat deze vordering van [eiser in beide zaken] teniet is gegaan door verrekening met de vorderingen van [gedaagde in conventie], zoals deze in reconventie worden gevorderd. Artikel 7:632 lid 1 BW is echter niet van toepassing op de verrekening bij het einde van de arbeidsovereenkomst. De verrekening kan dan ook niet op deze grondslag worden toegewezen. Voor zover [gedaagde in conventie] bedoeld heeft zich eveneens te beroepen op een algemene verrekeningsbevoegdheid, zal haar beroep op verrekening op grond van artikel 6:136 BW worden afgewezen, nu haar vorderingen niet eenvoudig zijn vast te stellen.

Vakantiegeld juli 2007 – mei 2008

8.12. [gedaagde in conventie] erkent dat zij het vakantiegeld over de periode juli 2007 – mei 2008 aan [eiser in beide zaken] is verschuldigd, zodat de vordering ad € 3.081,22 bruto zal worden toegewezen. Ook ten aanzien van deze vordering heeft [gedaagde in conventie] zich beroepen op verrekening met haar vordering in reconventie en ook dit beroep zal op grond van artikel 6:136 BW worden afgewezen.

Pensioenpremies

8.13. [eiser in beide zaken] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde in conventie] ten onrechte de pensioenpremies niet heeft afgedragen aan Nationale-Nederlanden. Hij vordert primair de helft van het totale openstaande saldo dat staat vermeld op het rekening-courantoverzicht van Nationale-Nederlanden (zie onder 6.3). Subsidiair vordert [eiser in beide zaken] dat [gedaagde in conventie] wordt veroordeeld tot juiste en tijdige afdrachten van de correcte pensioenpremies. [gedaagde in conventie] voert primair ten verwere aan dat partijen zijn overeengekomen dat de premieafdracht zou worden gestaakt en dat [eiser in beide zaken] afstand heeft gedaan van zijn pensioenaanspraken. [eiser in beide zaken] betwist op zijn beurt echter dat hij afstand heeft gedaan. Het subsidiaire verweer van [gedaagde in conventie] houdt in dat niet [eiser in beide zaken], maar Nationale-Nederlanden rechthebbende is van de pensioenpremies.

8.14. [gedaagde in conventie] heeft erkend dat met [eiser in beide zaken] een pensioenovereenkomst bestond, zoals door [eiser in beide zaken] is gesteld. Haar standpunt dat [eiser in beide zaken] mondeling heeft afgezien van voortzetting daarvan, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd met feiten. Het had op de weg van [gedaagde in conventie] gelegen om dit nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door overlegging van een verklaring van de accountant die volgens haar bij dat gesprek aanwezig was. De vordering van [eiser in beide zaken] zal dan ook worden toegewezen. [gedaagde in conventie] heeft terecht aangevoerd dat de premies niet aan [eiser in beide zaken] zelf toekomen, maar dat [gedaagde in conventie] deze dient af te dragen aan Nationale-Nederlanden. Het primair gevorderde kan dan ook niet worden toegewezen. De subsidiaire vordering komt wel voor toewijzing in aanmerking. Het beroep op verrekening dat [gedaagde in conventie] heeft gedaan, wordt ook ter zake van deze vordering op grond van artikel 6:136 BW afgewezen.

De door [eiser in beide zaken] gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, zij het dat de rechtbank in de omstandigheden van het geval aanleiding ziet om deze te matigen tot € 500,00 per dag en aan een maximum te verbinden van € 20.000,00.

Bijdrage Zorgverzekeringswet

8.15. [eiser in beide zaken] vordert een bedrag van € 307,00 wegens door [gedaagde in conventie] te veel ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet, dat inmiddels door de Belastingdienst aan [gedaagde in conventie] zou zijn terugbetaald. [gedaagde in conventie] heeft dit niet weersproken, zodat de vordering op dit punt toewijsbaar is.

Wettelijke verhoging

8.16. De door [eiser in beide zaken] gevorderde wettelijke verhoging zal door de rechtbank, gelet op de omstandigheden van het geval, worden gematigd tot 25%. De wettelijke verhoging is niet toewijsbaar over de af te dragen pensioenpremies, nu deze premies geen loon vormen in de zin van artikel 7:625 BW.

Wettelijke rente

8.17. [eiser in beide zaken] vordert wettelijke rente over salaris, vakantiegeld, zorgverzekeringsbijdrage en pensioenpremies. Met betrekking tot de pensioenpremies zal de wettelijke rente worden afgewezen, nu de vordering die wordt toegewezen niet ziet op betaling van een geldsom, maar op de verplichting tot afdracht van premies aan een derde.

[gedaagde in conventie] voert aan dat de wettelijke rente wegens ontbreken van een ingebrekestelling pas toewijsbaar kan zijn vanaf datum dagvaarding. Dat laatste acht de rechtbank niet juist. Met betrekking tot de loonbetalingen geldt dat deze op grond van artikel 7:623 lid 1 BW, kort gezegd, verschuldigd zijn na afloop van een tijdvak van een week tot een maand. Dat brengt met zich dat [gedaagde in conventie] van rechtswege in verzuim is geraakt na afloop van dat tijdvak en de wettelijke rente vanaf dat moment ook verschuldigd is. De wettelijke rente zal over de toe te wijzen bedragen aan salaris, zorgverzekeringsbijdrage en vakantiegeld eveneens worden toegewezen, en wel vanaf de vervaldata van de loonbetalingen.

Buitengerechtelijke kosten

8.18. [eiser in beide zaken] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten te hebben gemaakt en ter zake daarvan een bedrag gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser in beide zaken] echter, gelet op de betwisting door [gedaagde in conventie], onvoldoende onderbouwd gesteld dat de verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op de kosten waarvoor de in artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De rechtbank zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.

Proceskosten

8.19. Over de proceskosten zal hierna worden beslist.

in reconventie

8.20. Ter zitting heeft van Putten Holding gesteld dat haar vorderingen in reconventie gegrond zijn op nakoming van de vaststellingsovereenkomst tot afwikkeling van de werkzaamheden, strijd met artikel 7:611 BW en ongerechtvaardigde verrijking.

Rekening- courant verhouding

8.21. [eiser in beide zaken] heeft de vordering met betrekking tot de rekening-courantverhouding erkend en deze vordering is dan ook toewijsbaar. De vordering bedraagt € 16.394,00. De wettelijke rente over dat bedrag is, zoals gevorderd, toewijsbaar vanaf 17 juni 2009.

Afdracht kasgelden

8.22. [gedaagde in conventie] stelt dat [eiser in beide zaken] de vaststellingsovereenkomst van 15 oktober 2007 niet correct is nagekomen door bij de afwikkeling van de werkzaamheden de gelden die derden aan [gedaagde in conventie] hadden moeten betalen, zelf te behouden. [eiser in beide zaken] heeft van enkele bedragen erkend dat dat het geval is geweest, nu hij zich genoodzaakt zag op deze wijze inkomen te verkrijgen omdat [gedaagde in conventie] de salarisbetalingen had gestaakt. Nu de vordering van [eiser in beide zaken] ter zake zal worden toegewezen, ontvalt deze reden – wat daar ook van zij – aan deze handelwijze van [eiser in beide zaken]. Voor zover [eiser in beide zaken] deze vordering erkent, dient deze dan ook aan [gedaagde in conventie] te worden toegewezen. Het gaat daarbij om een bedrag van € 10.500,00 zoals dat door [eiser in beide zaken] uiteen is gezet in productie 15 bij conclusie van antwoord in reconventie.

Fam. Boon

8.23. [eiser in beide zaken] heeft gemotiveerd betwist meer dan € 3.395,00 te hebben achtergehouden van de betalingen die deze familie aan hem heeft gedaan, door te stellen dat nog bedragen verrekend dienden te worden met een betaling van de kookplaat en een creditnota. Die uitleg is door [gedaagde in conventie] niet bestreden. [eiser in beide zaken] voert verder aan dat hij de keuken niet zelf heeft gemonteerd, maar dat een montagebedrijf dat heeft gedaan. [gedaagde in conventie] heeft ook dat niet betwist. Het bedrag dat het door [eiser in beide zaken] erkende bedrag overstijgt zal dan ook worden afgewezen. Het erkende bedrag van € 3.395,00 is al begrepen in het toe te wijzen bedrag van € 10.500,00 (r.o. 8.22).

Fam. Potters

8.24. [gedaagde in conventie] vordert betaling van een bedrag van € 350,50 omdat [eiser in beide zaken] in strijd met de vaststellingsovereenkomst zou hebben nagelaten een werkblad te vervangen. Ter zitting is door [gedaagde in conventie] gesteld dat de betaling van dit bedrag van € 350,50 berustte op een afspraak tussen [gedaagde in conventie] en het montagebedrijf [X]. [X] heeft het werkblad vervangen, hoewel [eiser in beide zaken] dat had behoren te doen, volgens [gedaagde in conventie]. De rechtbank is evenwel niet gebleken dat [eiser in beide zaken] in gebreke is gesteld ter zake van het vervangen van het werkblad. Dat leidt ertoe dat de vordering van [gedaagde in conventie] niet toegewezen kan worden, omdat [eiser in beide zaken] niet in verzuim was.

Atag

8.25. [gedaagde in conventie] verwijt [eiser in beide zaken] dat hij de afwikkeling van een overeenkomst met Atag, ter zake van een vergoeding voor apparatuur, heeft verwaarloosd. Daardoor is door Atag een incassobureau ingeschakeld, dat incassokosten heeft berekend aan [gedaagde in conventie]. Uiteindelijk heeft [gedaagde in conventie] hierover een schikking bereikt met Atag en in dat kader een bedrag van € 1.375,00 aan incassokosten betaald aan Atag. [eiser in beide zaken] heeft aangevoerd dat hij deze afwikkeling niet heeft verwaarloosd en heeft voldaan aan hetgeen ter zake van hem mocht worden verwacht. [eiser in beide zaken] stelt dat hij, nadat hem dat was verzocht bij e-mail van 13 november 2007, telefonisch contact heeft opgenomen met de administratie van [gedaagde in conventie]. Hij heeft toen gesproken met [Y]. Dat in verband met Atag meer van [eiser in beide zaken] werd verlangd is gesteld noch gebleken. [gedaagde in conventie] heeft aangevoerd dat zij niet heeft vernomen van de administratie dat [eiser in beide zaken] daar telefonisch contact mee heeft gehad. Dat sluit echter niet uit dat [eiser in beide zaken] contact heeft gehad met de administratie. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde in conventie] dit is nagegaan bij [Y] van de administratie. Een en ander is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om de vordering ter zake van Atag op te baseren. Deze zal dan ook worden afgewezen.

Bedrijfsvoorraad

8.26. [gedaagde in conventie] stelt dat [eiser in beide zaken] uit de bedrijfsvoorraad een natuurstenen aanrechtblad ter waarde van € 1.321,69 en een Amerikaanse koelkast ter waarde van € 3.521,69 heeft meegenomen. [eiser in beide zaken] voert aan dat hij de factuur ter zake van het aanrechtblad niet heeft voldaan omdat de kwaliteit van het blad onvoldoende was. [gedaagde in conventie] heeft onweersproken gesteld dat [eiser in beide zaken] bij haar niet heeft geklaagd over de kwaliteit van het blad. Dat [eiser in beide zaken] wellicht wel bij de leverancier van het blad heeft geklaagd brengt niet met zich dat hij de factuur van [gedaagde in conventie] niet behoeft te betalen. [gedaagde in conventie] is immers door [eiser in beide zaken] niet in gebreke gesteld. De factuur dient dan ook door [eiser in beide zaken] voldaan te worden. Dat geldt niet voor de koelkast, nu door [eiser in beide zaken] daarover is aangevoerd dat [gedaagde in conventie] geen bezwaar heeft gemaakt tegen zijn mededeling dat hij de koelkast mee zou nemen en zijn [gedaagde sub 1] na uitverkoop en sluiting (ook) een gratis koelkast heeft gekregen. [gedaagde in conventie] heeft de stelling van [eiser in beide zaken] dat hem stilzwijgend toestemming is gegeven slechts met een enkele ontkenning betwist en heeft erkend dat [gedaagde sub 1] een gratis koelkast heeft gekregen. Die enkele ontkenning is onvoldoende, zeker gelet op het feit dat [gedaagde sub 1] een gratis koelkast heeft gekregen en dat voor de koelkast aan [eiser in beide zaken] (kennelijk) geen factuur is gezonden. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

De bedrijfsauto

8.27. [gedaagde in conventie] stelt dat [eiser in beide zaken] de bedrijfsauto tot begin augustus 2008 onder zich heeft gehouden, terwijl hem bij brief van 3 april 2008 was verzocht deze per omgaande in te leveren bij [gedaagde in conventie]. [eiser in beide zaken] ontkent dit niet, maar voert aan dat [gedaagde in conventie] geen dringende behoefte had de bus te gebruiken, nu de keukenafdeling was gesloten en voor de sanitairafdeling nooit een bus beschikbaar was. Verder betwist [eiser in beide zaken] de bedragen die van hem worden gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat [eiser in beide zaken] met zijn verweer miskent dat hij na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gehouden is de bedrijfsauto – die hij daarna zonder recht of titel gebruikt – in te leveren. Nu ter zake van de bedrijfsauto niet is gesteld of gebleken dat [eiser in beide zaken] deze op grond van zijn arbeidsovereenkomst tijdens non-activiteit diende in te leveren, moet het ervoor worden gehouden dat hij de bedrijfsauto mocht gebruiken tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2008. Daarna had [eiser in beide zaken] de auto moeten inleveren. Dat heeft hij nagelaten, zodat hij aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde in conventie] in de periode tussen 1 juni 2008 en begin augustus 2008 daardoor heeft geleden. [gedaagde in conventie] stelt dat haar schade bestaat uit de huur van een vervangende bus, door de vennootschap die de bus van haar per 1 mei 2008 had gekocht. Die huur bedroeg over een periode van ongeveer drie maanden € 5.497,80. Nu de bus gedurende ongeveer twee maanden ten onrechte is gebruikt door [eiser in beide zaken] begroot de rechtbank de schade op grond van artikel 6:97 BW op 2/3 deel van € 5.497,80, te weten € 3.665,20. Dat bedrag dient door [eiser in beide zaken] aan [gedaagde in conventie] te worden voldaan.

Proceskosten

8.28. Over de proceskosten zal hierna worden beslist.

in conventie en in reconventie

8.29. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.

9. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 08-1213

9.1. wijst de vorderingen af,

9.2. veroordeel [eiser in beide zaken] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden geamenlijk] tot op heden begroot op € 1.158,00,

in de zaak 08-1328

in conventie

9.3. veroordeelt [gedaagde in conventie] tot betaling aan [eiser in beide zaken] van € 17.506,95 bruto ter zake van het salaris in de periode oktober 2007 tot en met februari 2008,

9.4. veroordeelt [gedaagde in conventie] tot betaling aan [eiser in beide zaken] van € 10.504,17 bruto ter zaken van het salaris in de periode maart 2008 tot en met mei 2008,

9.5. veroordeelt [gedaagde in conventie] tot betaling aan [eiser in beide zaken] van € 3.081,22 bruto ter zake van het vakantiegeld in de periode juli 2007 tot en met mei 2008,

9.6. veroordeelt [gedaagde in conventie] tot juiste en tijdige afdrachten van de correcte pensioenpremies ter zake van [eiser in beide zaken], waarbij de hoogte thans is vastgesteld op een totaalbedrag van € 13.738,94, althans een nader door Nationale-Nederlanden vast te stellen bedrag, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde in conventie] na twee weken na de betekening van dit vonnis in gebreke blijft met de afdrachten van deze premies, met een maximum van € 20.000,00,

9.7. veroordeelt [gedaagde in conventie] tot betaling aan [eiser in beide zaken] van € 307,00 ter zake van teveel ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet,

9.8. veroordeelt [gedaagde in conventie] tot betaling aan [eiser in beide zaken] van de wettelijke rente vanaf de data van verschuldigdheid van de respectievelijke bedragen tot de dag der algehele voldoening en van de wettelijke verhoging van 25%, een en ander over de onder 9.3, 9.4, 9.5 en 9.7 toegewezen bedragen,

9.9. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

9.10. wijst het meer of anders gevorderde af,

9.11. compenseert de proceskosten in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen,

in reconventie

9.12. veroordeelt [eiser in beide zaken] tot betaling aan [gedaagde in conventie] van een bedrag van € 16.394,00 ter zake van de rekening-courantverhouding, vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 17 juni 2009 tot de dag der algehele voldoening,

9.13. veroordeelt [eiser in beide zaken] tot betaling aan [gedaagde in conventie] van een bedrag van € 10.500,00 ter zake van niet afgedragen kasgelden,

9.14. veroordeelt [eiser in beide zaken] tot betaling aan [gedaagde in conventie] van een bedrag van € 1.321,69 ter zake van het aanrechtblad,

9.15. veroordeelt [eiser in beide zaken] tot betaling aan [gedaagde in conventie] van een bedrag van € 3.665,20 ter zake van de bedrijfsauto,

9.16. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

9.17. wijst het meer of anders gevorderde af,

9.18. compenseert de proceskosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2009.

Coll.: JC/SBM