Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK1745

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-11-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
05/801461-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeeld de 26 jarige militair tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk voor een poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

PROMIS II

Parketnummer : 05/801461-08

Datum zitting : 19 oktober 2009

Datum uitspraak : 02 november 2009

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

korporaal, [nummer], ingedeeld bij: [standplaats].

Raadsman: mr. E.H. van de Pol, advocaat te Purmerend.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk A. [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp) in de (buurt van de) hartstreek, althans in het

bovenlichaam, heeft gestoken en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, aan een persoon genaamd A. [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in de borst(streek) en/of een perforatie van het middenrif), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (met kracht) een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, in de (buurt van de) hartstreek, althans in het bovenlichaam te steken en/of te duwen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan A. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (met kracht) een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, in de (buurt van de) hartstreek, althans in het bovenlichaam, van die A. [slachtoffer] heeft gestoken en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten A. [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal, (met kracht) een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, in de (buurt van de) hartstreek, althans in het bovenlichaam, heeft gestoken en/of geduwd waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 19 oktober 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E.H. van de Pol, advocaat te Purmerend.

De officier van justitie, mr. I.J.M. Monsma, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houd aan de voorwaarden en aanwijzingen die hem door de Reclassering Nederland worden gegeven, ook indien dit inhoudt het volgen van een agressie-reguleringscursus. Voorts heeft de officier van justitie geëist een werkstraf op te leggen voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij A. [slachtoffer] tot een bedrag van € 10.832,50 wordt toegewezen en gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis. De officier van justitie merkt nog op dat mogelijk iets gekort kan worden op het totaalbedrag, maar refereert zich wat dat betreft aan het oordeel van de militaire kamer.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van het primaire:

De feiten:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld:

Op 10 september 2006 heeft verdachte, te Volendam in de gemeente Edam-Volendam, A. [slachtoffer] eenmaal met een mes gestoken.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft betoogd dat het primair (poging tot doodslag) tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, omdat door de gedraging van verdachte – het steken met een mes in de hartstreek van de aangever A. [slachtoffer] – de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] levensbedreigend letsel zou worden toegebracht, welke kans verdachte voor lief heeft genomen.

Het standpunt van de verdediging:

Namens verdachte is aangevoerd – kort weergegeven – dat door het steken met een mes zoals door verdachte gedaan, niet zonder meer gesproken kan worden van een levensbedreigende situatie. Niet met ieder mes kunnen levensbedreigende steken worden toegebracht. In dit geval was sprake van een klein mes, van hoogstens zes centimeter lang. Het steken met een mis in de borststreek wil evenmin per definitie zeggen dat sprake is van zware mishandeling. Verdachte zelf heeft aangegeven dat het niet zijn bedoeling was het slachtoffer te raken.

Laatstbedoelde opmerking van verdachte begrijpt de militaire kamer als een beroep op het ontbreken van de opzet van verdachte om het slachtoffer op een levensbedreigende wijze te raken.

Beoordeling van de standpunten:

Voor een bewezenverklaring van de poging tot doodslag (primair) dient vast te staan dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van A. [slachtoffer]. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet willens en wetens van het leven heeft willen beroven. Dit zo zijnde kan “gewoon” opzet niet worden bewezen en dient te worden onderzocht of sprake is van voorwaardelijk opzet.

Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Onder een aanmerkelijke kans dient volgens de Hoge Raad te worden verstaan een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

De stelling van de verdediging dat het letsel zoals aan [slachtoffer] toegebracht, niet per definitie een levensbedreigende situatie c.q. zware mishandeling, oplevert is derhalve niet van belang. Kernpunt is of door het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van verdachte veroorzaakt en of hij, indien dit het geval is, die kans heeft aanvaard.

De militaire kamer is van oordeel dat in casu vaststaat dat [slachtoffer] door verdachte eenmaal met een mes met een lemmet van ongeveer 7,5 cm is gestoken. .

Uit een deskundigenrapport van het NFI blijkt dat [slachtoffer] een steekwond heeft opgelopen ter hoogte van de linkervoorzijde van de borstkas, ter plaatse van de ruimte tussen de zevende en de achtste rib. Uitgaande van een gemiddeld geproportioneerde lichaamsbouw van aangever is het mogelijk om met een mes met een lemmet van 5,5 cm een acuut levensbedreigend letsel te veroorzaken door penetratie van de borstholte links met ontstaan van een klaplong en een mogelijk bijkomende bloeding. Afhankelijk van de lokalisatie waarop een steekverwonding wordt toegebracht is het mogelijk om met een dergelijk mes het hart te penetreren en daardoor dodelijk letsel te veroorzaken. Tevens is het mogelijk om met een dergelijk mes andersoortig acuut levensbedreigend letsel te veroorzaken, wederom afhankelijk van de lokalisatie. Gedacht kan worden aan penetratie van organen in de buikholte zoals de lever en de milt, resulterend in ernstige en potentieel dodelijke bloedingen.

De militaire kamer is van oordeel dat door het steken met het mes in de hartstreek van [slachtoffer], de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] daardoor levensbedreigend letsel zou worden toegebracht.

Van deze kans moet verdachte zich bewust zijn geweest. De militaire kamer is voorts van oordeel dat gelet op de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zich heeft voorgedaan – verdachte heeft immers verklaard dat het een beweging van zijn arm was waardoor het mes in het lichaam van [slachtoffer] terecht is gekomen – het niet anders kan zijn dan dat verdachte die kans heeft aanvaard en zich dus willens en wetens aan die kans heeft blootgesteld.

De omstandigheid dat verdacht naar eigen zeggen in paniek was en niet “gericht” heeft gestoken maar uithaalde met het mes, niet wetende waar hij [slachtoffer] zou raken, doet aan het vorenstaande oordeel niet af, nu verdachte door dusdanig ongecontroleerd richting [slachtoffer] uit te halen juist mede de kans heeft veroorzaakt en aanvaard dat het mes in de hartstreek terecht zou komen.

Het feit dat niet (meer) vastgesteld kan worden of het lemmet volledig in het lichaam van [slachtoffer] terecht is gekomen doet naar het oordeel van de militaire kamer in dit verband niet ter zake.

Het vorenstaande leidt dat het oordeel dat de voorwaardelijk opzet om [slachtoffer] van het leven te beroven is bewezen.

Conclusie:

De militaire kamer komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 10 september 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk A. [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] eenmaal, met kracht een mes, in de hartstreek, heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe¬zen. Verdach¬te moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

Poging tot het misdrijf: doodslag.

4b. De strafbaarheid van het/de feit(en)

Het standpunt van de verdediging

Verdachte stelt zich op het standpunt te hebben gehandeld uit noodweer. Hij krijgt schoppen en klappen en staat tegenover een overmacht aan personen. Naderhand heeft verdachte letsel over zijn gehele lichaam. Door het op hem uitgeoefende geweld komt verdachte op de grond te liggen, staat op en staat dan op straat naast het slachtoffer. Verdachte pakt een mes en steekt het slachtoffer één keer. Verdachte deed dit omdat hij geen kant meer op kon; hij kon niet meer weg omdat de ruimte rondom hem vol was met tegenstanders. Verdachte stelt dat hij eerst wilde dreigen met het wapen, maar daar had hij de tijd niet voor. Er was bij verdachte sprake van pijn, paniek, stress en angst dat hijzelf zou overlijden als gevolg van het op hem uitgeoefende geweld. Op grond van het voorgaande stelt verdachte te hebben gehandeld uit noodweer. Verdachte stond niet letterlijk, maar wel figuurlijk met zijn rug tegen de muur. Daarnaast bestond bij verdachte de indruk dat het slachtoffer op het punt stond verdachte te slaan.

Indien de militaire kamer dit verweer verwerpt wordt een beroep op noodweer-exces gedaan. Door de angst, de paniek, de pijn en de stress is verdachte wellicht te ver gegaan in het zich verdedigen door het gebruiken van een mes. Er was, met andere woorden, sprake van een hevige gemoedsbeweging.

Gepleit wordt voor ontslag van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

Noodweer c.q. noodweerexces dient aannemelijk te worden gemaakt. Naar het oordeel van de officier van justitie is verdachte daarin niet geslaagd. In eerste instantie stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachtes verklaringen niet consistent zijn en daarom onbetrouwbaar. Verdachte had voorts voldoende gelegenheid zich uit de vechtpartij te onttrekken. Dit wordt niet alleen bevestigd door de ter zitting gehoorde getuigen, maar ook door verdachtes broer en neef die wel weg konden komen. De kern van noodweer is dat men zich in een situatie bevindt waaruit men zich niet kan onttrekken. Daar is in deze geen sprake van. Ook voor noodweerexces zijn geen aanknopingspunten voorhanden. Uit niets blijkt dat verdachte verkeerde in een toestand die een beroep op noodweerexces rechtvaardigen.

Bespreking van de standpunten.

Ter terechtzitting d.d. 19 oktober 2009 zijn twee getuigen gehoord. Dit waren getuigen die niet bij de vechtpartij op 10 september 2006 waren betrokken en noch tot het “kamp” van verdachte noch tot het “andere kamp” behoorde. Het waren onafhankelijke omstanders die plotseling geconfronteerd werden met een vechtpartij.

De getuige [getuige1] verklaart dat het druk was, er geduwd en getrokken werd, maar het niet zo druk was dat als je weg wilde komen, je daartoe niet de mogelijkheid had. Men had gewoon over de stoep weg kunnen lopen. Getuige [getuige1] stond op 2 meter afstand. De getuige [getuige2] verklaart dat hij op een afstand van 10 tot 15 meter van de vechtpartij stond en, omdat iedereen door het tumult uit elkaar ging, een goed zicht had op het geheel. De getuige ziet iemand op het slachtoffer toelopen die vervolgens het slachtoffer met iets glimmends stak. De persoon die stak kon weg, er was ruimte genoeg.

De militaire kamer acht aannemelijk dat verdachte door tegenstanders uit het “andere kamp” geslagen is. Op zeker moment, terwijl verdachte er ook voor had kunnen kiezen de plaats van het geweld te verlaten, pakt verdachte uit zijn broekzak een mes, klapt dit open en, al dan niet op het slachtoffer toelopend, steekt hij het slachtoffer éénmaal in de hartstreek. De militaire kamer is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het steken met het mes was geboden ter noodzakelijke verdediging. Verdachte had zich aan de voor hem kennelijk dreigende situatie kunnen onttrekken en had dat naar het oordeel van de militaire kamer ook behoren te doen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. Op grond van het voorgaande faalt ook het beroep op noodweerexces. Behalve uit de verklaring van verdachte dat hij angst had en in paniek was blijkt uit niets dat verdachte verkeerde in een toestand die een beroep op noodweerexces rechtvaardigt. Ook de door de verdachte aangevoerde pijn wordt niet onderbouwd door een medische verklaring waaruit blijkt van door verdachte zelf opgelopen letsel tijdens geweld voorafgaand aan het steekincident. Indien verdachte angstig, in paniek en/of gestresst was, zou dit naar het oordeel van de militaire kamer reden te meer zijn om zich aan de situatie te onttrekken. Een zodanig hevige gemoedstoestand van verdachte dat hij zich juist niet aan het geweld kon onttrekken is gebleken noch aannemelijk gemaakt.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om¬stan¬dighe¬den waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 15 september 2009.

De militaire kamer overweegt met betrekking tot de strafmaat in het bijzonder het navolgende.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat verdachte moet worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met reclasseringstoezicht, alsmede het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis. Bij de bepaling van zijn eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de documentatie van verdachte en de omstandigheid dat het hier een oud feit (september 2006) betreft.

Het standpunt van verdachte.

Namens verdachte is gepleit voor het opleggen van uitsluitend een werkstraf. Gelet op het tijdsverloop is een gevangenisstraf, ook in voorwaardelijke vorm, niet juist.

Beoordeling van de standpunten.

Verdachte heeft in een vechtpartij een mes getrokken en daarmee een ander in de borststreek gestoken en daarmee de kans voor lief genomen dat het slachtoffer daaraan zou overlijden. Dat het slachtoffer de penetratie met het mes heeft overleefd is niet aan het handelen van verdachte te danken. Het slachtoffer heeft voorts nog lange tijd de nare gevolgen van de steekwond moeten ondervinden. Anders dan de raadsman is de militaire kamer van oordeel dat er causaal verband is tussen de steekwond zoals op 10 september 2006 toegebracht en de complicaties zoals die in 2008 zijn geconstateerd.

Voor een dergelijk ernstig misdrijf is naar het oordeel van de militaire kamer in beginsel slechts een lange gevangenisstraf op zijn plaats.

Daarbij slaat de militaire kamer mede acht op eerder binnen deze rechtbank gedane uitspraken, waarbij voor een poging doodslag, onder omstandigheden zoals bewezen verklaard, straffen worden opgelegd in de orde van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank echter rekening met de volgende omstandigheden.

Allereerst is tussen 10 september 2006 en 19 oktober 2009 een lange tijd verstreken. Nadat verdachte kort na het misdrijf in vrijheid is gesteld heeft het meer dan twee jaar geduurd voordat de zaak voor het eerst ter zitting werd aangebracht (12 januari 2009). Er is weliswaar geen formeel beroep gedaan op overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, toch is de militaire kamer van oordeel dat in voor verdachte positieve zin wel rekening dient te worden gehouden met dit tijdsverloop.

Ook dient in verdachtes voordeel mee te wegen het feit dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld en dat hij na dit gebeuren niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest.

Dit alles maakt echter nog niet dat naar het oordeel van de militaire kamer kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist of het slechts opleggen van een werkstraf. De militaire kamer acht daarvoor het feit te ernstig.

De militaire kamer komt dus tot een lagere, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf dan voornoemd uitgangspunt, maar aanzienlijk hoger dan door de officier van justitie geëist c.q. door de verdediging is voorgesteld.

De officier van justitie heef voorts verzocht verdachte reclasseringstoezicht op te leggen. De militaire kamer zal dat verzoek niet volgen. Omtrent verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt en daarnaast is niet gebleken van feiten of omstandigheden, na de poging doodslag in september 2006, die oplegging van reclasseringscontact nodig maken.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij D. [slachtoffer] vordert een bedrag van € 10.832,50.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt, behoudens mogelijk enkele posten, dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen. Namens verdachte is op diverse posten verweer gevoerd. Dit maakt dat de militaire kamer de vordering post voor post zal bespreken.

Materiele schade bestaande uit kleding.

De schade aan de jas en schoenen acht de militaire kamer niet eenvoudig van aard. De benadeelde partij zal voor wat dat betreft niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor wat betreft de overige kleding is geen verweer gevoerd met uitzondering van de opmerking dat de 50% regeling, nieuw voor oud, moet worden toegepast.

De militaire kamer volgt de verdediging hierin en acht het redelijk dat voor de kleding met een opgegeven waarde van € 200,00 50% , te weten € 100,00 kan worden toegewezen. Het meerdere is niet eenvoudig vast te stellen. Benadeelde zal voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Reiskosten:

De reiskosten ad € 100,80 en € 24,00 acht de militaire kamer in voldoende mate aannemelijk gemaakt. Dit geldt niet voor de reiskosten ad € 108,00. Dit is niet eenvoudig vast te stellen. Voor dit deel zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Verlies aan verdienvermogen.

De militaire kamer is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij ook daadwerkelijk vanaf september 2008 daadwerkelijk in dienst zou kunnen treden van [naam]. Weliswaar is sprake van een intentieverklaring maar daaruit volgt niet dat de benadeelde partij ook daadwerkelijk vanaf september 2008 bij [naam] in dienst kon treden. Dit deel van de vordering acht de militaire kamer niet eenvoudig van aard. De benadeelde partij zal ook hiervoor niet-ontvankelijk worden verklaard.

Sport:

Dit onderdeel van de vordering is niet weersproken en kan worden toegewezen.

Medische kosten:

Dit onderdeel van de vordering is niet weersproken en kan worden toegewezen.

Daggeldvergoeding ziekenhuis:

De verdediging stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is wat met deze posten wordt bedoeld. De militaire kamer is van oordeel dat deze posten in voldoende mate aannemelijk zijn geworden. Dit zijn algemeen te maken kosten die gemaakt worden wanneer iemand in een ziekenhuis verblijft. Te denken valt daarbij aan het huren van een tv en/of telefoon. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden toegewezen.

Kosten rechtsbijstand.

Anders dan de verdediging is de militaire kamer van oordeel dat deze post wel aannemelijk is. Gelet op het bedrag is duidelijk dat dit een eigen bijdrage betreft die de benadeelde partij heeft moeten voldoen om juridische ondersteuning van een raadsman te krijgen. Ook dit onderdeel van de vordering zal daarom worden toegewezen.

Immateriële schade.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat symbolisch een kleine vergoeding kan worden toegewezen. Gelet op de bewezenverklaring, de duur dat het slachtoffer last heeft gehad van die verwonding is de militaire kamer van oordeel, zich daarbij tevens baserend op de smartengeldgids, dat hier een vergoeding van € 3000,-- aan immateriële schade op zijn plaats is. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij A. [slachtoffer]..

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan A. [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 3.969,50 (zegge: drieduizendnegenhonderdnegenenzestig euro en vijftig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 3.969,50, subsidiair 45 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer A. [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 3.969,50 (zegge drieduizendnegenhonderdnegenenzestig euro en vijftig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 49 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mrs. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), E. de Boer en kolonel mr B.F.M. Klappe, militair lid,

in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze militaire kamer op 02 november 2009.