Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK1621

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
190181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Notarispraktijk.

Overeenkomst van maatschap. Vordering van een notaris/maat tegen de andere om zich te onthouden van financiële transacties anders dan in de normale praktijkuitoefening en veroordeling om de notarispraktijk te verlaten. Pogingen van de gedaagde om zichzelf aanzienlijk bedragen te doen overmaken, onder andere ten laste van de kwaliteitsrekening. Dat zijn gedragingen van zodanige aard dat van de andere maat in redelijkheid niet voortzetting van de maatschap kan worden gevergd. Vorderingen toegewezen vooruitlopend op ontbinding in arbitrage.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1655
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1661
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1662
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1683
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/807
JRV 2010, 46

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 190181 / KG ZA 09-620

Vonnis in kort geding van 30 oktober 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. W. Aerts te Nijmegen,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.M.T. Coffeng te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiseres] B.V., [eiseres] (gezamenlijk ook wel [eiseres] c.s.), [gedaagde] en [gedaagde sub 2] (gezamenlijk ook wel [gedaagde] c.s.) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding en de daarbij behorende producties

- de door [gedaagde] c.s. overgelegde producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres] c.s.

- de wijziging van eis

- de pleitnota van [gedaagde] c.s.

- de eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is (middellijk) directeur van [eiseres] B.V. Tot 1 januari 2008 oefende [eiseres] B.V. samen met (de praktijkvennootschap van) oud-notaris mr. [betrokkene] de notariële praktijk uit in de vorm van een maatschap onder de naam ‘[betrokkene] [eiseres] Notarissen’ te [woonplaats]. In verband met het bereiken van de 65 jarige leeftijd van mr. [betrokkene] is die maatschap per 31 december 2007 beëindigd.

2.2. [gedaagde] is met ingang van 1 april 2007 als kandidaat-notaris in dienst getreden van [eiseres] B.V. op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 13 april 2007 hebben [eiseres] B.V. en [gedaagde] een overeenkomst van maatschap gesloten ingaande op 1 januari 2008, eveneens (en met toestemming van mr. [betrokkene] voornoemd) onder de naam ‘[betrokkene] [eiseres] Notarissen’ te [woonplaats] (hierna ook wel het notariskantoor te noemen). [gedaagde] heeft met ingang van 1 januari 2008 het protocol overgenomen van de defungerend notaris mr. [betrokkene], die op basis van een (tijdelijke) arbeids- overeenkomst nog tot 1 januari 2010 werkzaamheden voor [eiseres] c.s. verricht.

2.3. In de considerans van de maatschapovereenkomst is onder meer vastgelegd dat [gedaagde] als vergoeding voor de overname van de helft van vorenbedoelde praktijk (in elk geval) een bedrag van € 385.957,39, te vermeerderen met de helft van de boekwaarde van de materiële vaste activa blijkens de balans per 31 december 2007, aan [eiseres] B.V. verschuldigd is en dat betrokkenen zich tot het uiterste zullen inspannen om tot een vruchtbare en langdurige samenwerking te komen mede in het belang van de aan het notariskantoor verbonden medewerkers en de continuering van de bestaande relaties van het notariskantoor. De maatschapovereenkomst bevat voorts - voor zover hier van belang - de volgende bepalingen:

“Artikel 2 (…) De maatschap kan per 1 januari van elk jaar door ieder van de maten worden beëindigd door opzegging bij aangetekende brief met inachtneming van een termijn van ten minste negen maanden. In afwijking van het in de vorige zin bepaalde is opzegging gedurende de eerste twee jaren niet toegestaan

Artikel 4

4. Ieder van de maten is voor een gelijk aandeel in het maatschapsvermogen gerechtigd en wordt voor zijn/haar inbreng aan geld of goederen in de boeken van de maatschap gecrediteerd (…). Het verplichte kapitaal van iedere maat in de maatschap bedraagt (…) € 115.000,-- (…)

Artikel 15

1. Iedere maat is bevoegd voor en namens de maatschap te handelen.

2. De maten zijn jegens elkander verplicht tot goed overleg omtrent aangelegenheden die aanmerkelijke financiële gevolgen voor de maatschap kunnen hebben en verplichtingen met zich kunnen brengen die zich over langere perioden uitstrekken (…)

Artikel 18

1. Uitgaande van een voor ieder van de maten evenredig aandeel in de werkzaamheden en een gelijkwaardige inzet, werkbelasting en tijdsbesteding als bedoeld in artikel 8 is ieder van de maten voor de helft in de netto resultaten van de maatschap gerechtigd

2. (…)

Artikel 19

In mindering van hun winstaandeel zullen de maten in de loop van het boekjaar opnamen kunnen doen, waarvan de hoogte jaarlijks door de gezamenlijke maten zal worden vastgesteld. De opnamen zullen plaatshebben met inachtneming van daartoe in nader overleg vast te stellen normen, rekening houdende met de ten laste van de maatschap te verwachten uitgaven (…)

Artikel 20

De maatschap wordt ontbonden:

(…)

e. door ontbinding middels arbitrage overeenkomstig artikel 24 op grond van een zodanige veroordeling door enig college of van zodanige wanprestatie of zodanig gedrag van een maat dat voortzetting van de maatschap redelijkerwijze van de andere maat niet kan worden verlangd (…)

Artikel 21

Ingeval van ontbinding van de maatschap in één van de gevallen in artikel 20 vermeld heeft de maat bij wie niet de oorzaak van de ontbinding is gelegen (…) het recht de maatschap voort te zetten door daartoe binnen één maand na ontbinding van de maatschap schriftelijk de wens te kennen te geven.

Artikel 24

Alle geschillen, ook die welke slechts door één van partijen als zodanig worden beschouwd, welke uit deze overeenkomst voor de maten of hun erfgenamen of rechtverkrijgenden mochten voortvloeien zowel betreffende de uitleg van de bepalingen van deze overeenkomst als alle andere ter zake van de maatschap, zowel juridische als feitelijke, zomede de vraag of zich omstandigheden voortdoen als bedoeld in artikel 20 sub e, zullen uitsluitend en in hoogste ressort worden beslist door drie scheidslieden te benoemen door partijen in onderling overleg of – bij gebreke van overeenstemming daaromtrent – op schriftelijk verzoek van de meest gerede partij door de voorzitter van de Kamer van Toezicht over de Notarissen en kandidaat-notarissen te [woonplaats], dan wel, indien deze niet bereid is de benoeming te doen, door de Kantonrechter te [woonplaats] (…).”

2.4. Eveneens op 13 april 2007 hebben [eiseres] B.V. en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening gesloten krachtens welke [eiseres] B.V. aan [gedaagde] een geldlening heeft verstrekt tot het onder 2.3. genoemde bedrag van € 385.957,39, te vermeerderen met de helft van de boekwaarde van de materiële vaste activa blijkens de balans per 31 december 2007. Daarbij is (onder meer) overeengekomen dat het opeisbare bedrag van die geldlening na afloop van het boekjaar 2008 50% en na afloop van het boekjaar 2009 40% van het aandeel van [gedaagde] in de netto resultaten van de maatschap over het desbetreffende boekjaar bedraagt en zo verder totdat het restant van de lening in 2012 geheel opeisbaar is.

2.5. Bij een aanvullende overeenkomst van 31 december 2007 is bepaald dat in plaats van [gedaagde] zijn praktijkvennootschap [gedaagde sub 2] B.V., waarvan [gedaagde] ‘middellijk’ via [ ] B.V. enige directeur en aandeelhouder is, voortaan partij bij de maatschapovereenkomst met [eisere[eiseres] B.V. zal zijn. Bij aanvullende overeenkomst van geldlening van 31 december 2007 zijn [eiseres] B.V. en [gedaagde] overeengekomen dat alle voor [gedaagde] uit de overeenkomst van geldlening voortvloeiende verplichtingen worden overgenomen door [gedaagde sub 2].

2.6. [eiseres] en [gedaagde] hebben in onderling overleg het door ieder van hen op te nemen voorschotbedrag zoals bedoeld in artikel 19 van de maatschapovereenkomst voor het jaar 2009 vastgesteld op € 2.750,-- per maand exclusief de daarover verschuldigde loonheffing.

2.7. Bij aan [gedaagde] c.s. gerichte brief van 7 juli 2009 heeft [eiseres] de onder 2.4. genoemde geldlening opgezegd en [gedaagde] c.s. gesommeerd om die geldlening met lopende rente uiterlijk per 17 juli 2009 af te lossen. Als reden van die opzegging wordt in die brief vermeld dat [gedaagde] c.s. de bepalingen van de akte van geldlening niet zijn nagekomen, in het bijzonder niet de bepaling dat [gedaagde] c.q. [gedaagde sub 2] na afloop van het boekjaar 2008 de helft van het aandeel van [gedaagde]/[gedaagde sub 2] in de netto resultaten van de maatschap over dat jaar diende aan te wenden ter aflossing van de geldlening.

2.8. Bij brief van 21 juli 2009 hebben [gedaagde] c.s. aan [eiseres] c.s. onder meer bericht dat de geldlening niet opeisbaar is geworden, omdat er geen sprake is van verzuim, nu de jaarrekening van de maatschap over 2008 nog niet is vastgesteld, zodat het aandeel van [gedaagde]/[gedaagde sub 2] in de netto resultaten van de maatschap over dat jaar evenmin vast staat.

2.9. Bij brief van 28 juli 2009 heeft de advocaat van [eiseres] c.s. aan [gedaagde] onder meer meegedeeld dat volgens [eiseres] van een normale, vruchtbare samenwerking tussen [eiseres] en [gedaagde] geen sprake meer is wegens gebrek aan communicatie en meningsverschillen, waardoor een onhoudbare situatie op het notariskantoor is ontstaan.

De advocaat van [eiseres] c.s. heeft in die brief tevens aangedrongen op een spoedige ontvlechting van de maatschap via een minnelijke regeling en [gedaagde] geadviseerd zich daarvoor tot een advocaat te wenden.

2.10. Bij brief van 11 augustus 2009 heeft [gedaagde] als reactie op de onder 2.7. genoemde brief de advocaat van [eiseres] c.s. er onder meer op gewezen dat, voor zover [eiseres] in die brief tevens de maatschapovereenkomst wenst op te zeggen, die opzegging in strijd is met artikel 2 van de overeenkomst waarin is vermeld dat opzegging van de maatschap gedurende de eerste twee jaren niet is toegestaan. Voorts heeft [gedaagde] in die brief meegedeeld dat hij zich tot een raadsman zal wenden.

2.11. Op 18 augustus 2009 heeft [gedaagde] aan juridisch medewerkster van het notariskantoor mevrouw [X] verzocht om een bedrag van € 325.000,-- van de bankrekening van het notariskantoor naar de (privé) bankrekening van [gedaagde sub 2] over te maken althans, als zij dat niet wilde, hem de pincode van de Postbank te verstrekken, opdat hij zelf de overboeking kon (laten) uitvoeren. Mevrouw [X] heeft beide verzoeken geweigerd.

2.12. Op 21 augustus 2009 heeft [gedaagde] tijdens een bezoek aan de relatiemanager van het notariskantoor bij de [bank], de heer [Y], de volgende schriftelijke opdracht verstrekt: “(…) Hierbij verzoek ik u om vandaag vóór 15.00 uur (in verband met andere betalingsopdrachten) de volgende overboekingsopdracht uit te (laten) voeren van rekeningnummer

[rekeningnummer B] (t.n.v. [betrokkene] [eiseres] Notarissen te [woonplaats]):

Bedrag : € 327.137,03

Naam begunstigde: [gedaagde] B.V. te [woonplaats]

Rekeningnummer begunstigde: [rekeningnummer A]

(…)

mr. [voorletters] [gedaagde], notaris”.

[gedaagde] heeft daarbij het maatschapcontract overhandigd en er op gewezen dat ieder der maten afzonderlijk bevoegd is om de maatschap te vertegenwoordigen en dat [Y] daarom gehouden was uitvoering te geven aan het verzoek/de opdracht. Tevens heeft [gedaagde] toen aan [Y] meegedeeld dat geen van de bevoegde medewerkers van het notariskantoor die dag aanwezig was om de opdracht te bevestigen.

[Y] noch diens leidinggevende [Z] hebben aan het verzoek/die opdracht voldaan, omdat op grond van een volmachtverklaring van 21 april/13 mei 2008 [gedaagde] slechts gezamenlijk met een ander uit de daarin genoemde groep van personen gemachtigd is om over bankrekeningen bij ING te beschikken. De rekening met nummer [rekeningnummer B] is een derdengeldrekening/kwaliteitsrekening van het notariskantoor als bedoeld in art. 25 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna) .

2.13. Op 24 augustus 2009 heeft [gedaagde] aan de kantoormanager van het notariskantoor, de heer [Q], schriftelijk opdracht gegeven om die dag vóór 15.00 uur een bedrag van € 99.208,50 van de bankrekening van het notariskantoor over te maken naar de (privé) bankrekening van [gedaagde sub 2]. De laatste alinea van die schriftelijke opdracht luidt als volgt: “Het betreft het bedrag dat door mevrouw [voorletters] [eiseres] in 2008 tot en met 10 augustus 2009 (€ 74.686 + € 24.522,50) meer is opgenomen in rekening-courant dan door ondergetekende.” [Q] heeft geweigerd die opdracht uit te voeren.

Bij brief van 25 augustus 2009 heeft [gedaagde] [Q] voor die weigering persoonlijk aansprakelijk gesteld.

2.14. Naar aanleiding van de onder 2.11. en 2.13. omschreven gebeurtenissen en de overige tussen partijen in de loop der tijd gerezen geschillen en daardoor ontstane spanningen heeft op 25 augustus 2009 een gesprek plaatsgevonden tussen de voorzitter van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen (hierna Kamer van Toezicht te noemen) te [woonplaats], [gedaagde] en [eiseres] en haar raadsman. Tijdens dat gesprek is de onder 2.12. genoemde opdracht van [gedaagde] niet aan de orde geweest, omdat dit feit behalve bij [gedaagde], aan de overige gesprekspartners (nog) niet bekend was.

Het gesprek heeft niet tot een oplossing voor de tussen partijen gerezen geschillen en spanningen geleid.

2.15. Bij brief van 3 september 2009 heeft de advocaat van [eiseres] c.s. aan [gedaagde] onder meer meegedeeld dat van [eisere[eiseres] c.s. niet kan worden gevergd de samenwerking met [gedaagde] voort te zetten in afwachting van de beslissing in de nog op te starten arbitrageprocedure. [gedaagde] wordt in die brief verzocht het notariskantoor op een termijn van twee maanden te verlaten en zich elders te vestigen. Tevens heeft de advocaat van [eiseres] c.s. [gedaagde] gesommeerd om binnen tweemaal 24 uur schriftelijk te bevestigen dat hij zich met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk zal onthouden van iedere poging om kantoorgelden naar zijn privé rekening over te maken anders dan de overeengekomen voorschotten en loonheffingen, dan wel winstaandelen op grond van de goedgekeurde jaarstukken overeenkomstig de inverdienbepalingen van het maatschapcontract. Tevens heeft die advocaat [gedaagde] verzocht c.q. gesommeerd binnen twee maanden in der minne mee te werken aan een ontvlechting van de gemeenschappelijke praktijk.

2.16. [eiseres] c.s. hebben op of omstreeks 3 september 2009 via hun advocaat bij de voorzitter van de Kamer van Toezicht te [woonplaats] een klacht ingediend over de hiervoor onder 2.11 tot en met 2.13 geschetste handelwijze van [gedaagde] en daarbij verzocht om op korte termijn passende maatregelen tegen [gedaagde] te nemen.

Genoemde voorzitter heeft bij brief van 4 september 2009 aan de president van het gerechtshof te Amsterdam tevens voorzitter van de Notariskamer verzocht om op de voet van het bepaalde in artikel 98, lid 3 Wna (een voorzitter van) een andere Kamer van Toezicht aan te wijzen teneinde zich met de behandeling van de tussen [eiseres] en [gedaagde] gerezen zakelijke en persoonlijke geschillen te belasten, zulks op de grond dat [eiseres] plaatsvervangend lid is van voormelde Kamer van Toezicht te [woonplaats].

Naar aanleiding van dit verzoek heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij beslissing van 22 september 2009 de Kamer van Toezicht te Zutphen belast met de uitoefening van het toezicht als bedoeld in voormeld artikel van de Wna.

2.17. Bij brief van 6 oktober 2009 heeft de voorzitter van de Kamer van Toezicht van de rechtbank Zutphen aan het Bureau Financieel Toezicht (BFT) te Utrecht verzocht een onderzoek in te stellen naar de feitelijke toedracht van de op 21 augustus 2009 door [gedaagde] gedane poging tot overboeking van gelden van de kwaliteitsrekening van het notariskantoor. Tevens heeft die voorzitter toen aan BFT verzocht hem te adviseren over de vraag of, en zo ja welke maatregelen door de Kamer van Toezicht moeten worden genomen ter bescherming van de bewaringspositie van het notariskantoor gelet op de door [eiseres] c.s. geuite vrees voor herhaling, en hem te berichten over eventuele andere door BFT tijdens het onderzoek te constateren tuchtrechtelijke overtredingen. Ten tijde van de mondelinge behandeling had BFT nog geen rapport uitgebracht.

2.18. [eiseres] c.s. hebben inmiddels op grond van het bepaalde in artikel 24 van de maatschapovereenkomst aan de kantonrechter te [woonplaats] verzocht drie arbiters te benoemen die over de tussen partijen gerezen geschillen zullen beslissen. Op dit verzoek is nog niet beslist.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiseres] c.s. stellen zich op het standpunt dat sprake is van een zo onhoudbare situatie in de samenwerking tussen [eiseres] c.s. en de medewerkers van het notariskantoor enerzijds en [gedaagde] anderzijds dat voortzetting van de maatschap van [eiseres] c.s. niet langer kan worden gevergd. [eiseres] c.s. hebben in dat verband onder meer gewezen op het gebrek aan vertrouwen en communicatie tussen de beide maten, het gebrek aan besluitvorming binnen de maatschap, het tuchtrechtelijk laakbaar handelen van [gedaagde] door zijn pogingen tot het overboeken van cliëntengelden waardoor een negatieve bewaringspositie van het notariskantoor zou zijn ontstaan en het in diskrediet brengen van het notariskantoor bij medewerkers, cliënten, banken en derden.

3.2. [eiseres] c.s. vorderen daarom thans - na wijziging van hun oorspronkelijke eis -samengevat [gedaagde] c.s. te verbieden betalingen en pogingen daartoe te verrichten anders dan in de normale praktijkuitoefening van een notaris al dan niet door/met inschakeling van kantoorgenoten of werknemers van het notariskantoor alsmede hen te gebieden uiterlijk op 31 december 2009 de praktijk van [betrokkene] [eiseres] Notarissen fysiek te verlaten en verlaten te houden, telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom.

[eiseres] c.s. stellen daarbij een spoedeisend belang te hebben, omdat de situatie zo onhoudbaar is geworden dat voortzetting van de maatschap van hen niet langer gevergd kan worden.

3.3. [gedaagde] c.s. voeren verweer. [gedaagde] ontkent in grote lijnen de jegens hem geuite aantijgingen. De door [eiseres] c.s. gestelde pogingen tot overboeking van gelden naar zijn privé rekening en/of die van [gedaagde sub 2] zijn door [gedaagde] op zichzelf niet weersproken. [gedaagde] stelt echter dat die gelden hem rechtens toekomen en dat het zeker niet de bedoeling is geweest om de maatschap en/of derden te schaden. Bovendien stelt hij niet geweten te hebben dat de rekening waarvoor hij een overboeking instructie aan de [bank] gaf, een kwaliteitsrekening van het notariskantoor betrof.

Van zijn kant stelt [gedaagde] dat van de beoogde overdracht van de zaken van mr. [betrokkene] aan hem van begin af aan nauwelijks sprake is geweest, dat hij nauwelijks inhoudelijk wordt betrokken bij zaken en dat hij regelmatig door [eiseres] c.s. wordt gekleineerd en geschoffeerd.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] c.s. stellen zich op het standpunt dat [gedaagde sub 2] ingevolge het bepaalde in artikel 4 lid 4 van de maatschapovereenkomst voor de helft gerechtigd is in het vermogen van de maatschap. Dit vermogen beloopt volgens de concept jaarrekening over 2008 € 443.142,--. Na aftrek van de door [gedaagde] opgenomen voorschotten en met inachtneming van het door [gedaagde] ingebrachte kapitaal in de maatschap ad € 115.000,-- becijferen [gedaagde] c.s. het aandeel van [gedaagde sub 2] in het vermogen van de maatschap op € 253.768,--.

4.2. [gedaagde] c.s. vorderen bij wijze van voorschot op dit aandeel betaling door [eiseres] c.s. van een bedrag ad € 40.000,-- binnen 8 dagen na de betekening van dit vonnis.

Zij stellen een spoedeisend belang bij de betaling van dat bedrag te hebben, omdat zij thans genoodzaakt zijn zich van rechtskundige bijstand en van bijstand van een fiscalist en accountant te voorzien en dat de daaraan verbonden kosten niet kunnen worden voldaan uit de maandelijks van het notariskantoor ontvangen voorschotten, terwijl zij bovendien niet kunnen beschikken over de banktegoeden van het notariskantoor.

4.3. Daarnaast vorderen [gedaagde] c.s. voorwaardelijk, namelijk indien en voor zover [gedaagde] c.s. bij vonnis in kort geding in conventie gedwongen worden de notarispraktijk te verlaten, [eiseres] c.s. te veroordelen om uiterlijk een dag vóór hun vertrek aan [gedaagde] c.s. een voorschot te betalen van € 156.688,-- wegens het door [gedaagde] in de maatschap ingelegde gebonden kapitaal ad € 115.000,-- en wegens het verschil in de door partijen opgenomen en op te nemen voorschotten over 2009 ten bedrage van € 41.688,--.

4.4. [eiseres] c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Uitgangspunt van de beoordeling is artikel 20 sub e van de maatschap- overeenkomst tussen partijen. Dit artikel bepaalt dat de maatschap wordt ontbonden door middel van arbitrage overeenkomstig artikel 24 van de overeenkomst onder meer op grond van zodanige wanprestatie of zodanig gedrag van een maat dat voortzetting van de maatschap redelijkerwijze van de andere maat niet kan worden verlangd. [eiseres] c.s. zijn voornemens om op die grond in de arbitrageprocedure ontbinding van de tussen partijen gesloten maatschap te vorderen, waartoe de benoeming van arbiters in gang is gezet.

Zij stellen dat [gedaagde] zich van aanvang af zodanig heeft gedragen jegens [eiseres] c.s. en de medewerkers van het notariskantoor dat voortzetting van de maatschap van hen in redelijkheid niet kan worden gevergd. Vooruitlopende op de beslissing in de arbitrageprocedure vorderen [eiseres] c.s. in dit kort geding een voorlopige voorziening te treffen die erop neerkomt dat [gedaagde] c.s. per 31 december 2009 het veld dienen te ruimen en de praktijk van [betrokkene] [eiseres] Notarissen (fysiek) dienen te verlaten en - naar de voorzieningenrechter begrijpt vanaf heden - niet meer bevoegd zijn betalingen te verrichten anders dan gebruikelijk in de normale praktijkvoering van een notaris.

5.2. In dit kort geding staat dan de vraag centraal of [gedaagde] c.s. zich hebben schuldig gemaakt aan wanprestatie en/of aan zodanige gedragingen als bedoeld in artikel 20 sub e van de maatschapovereenkomst dat in de arbitrageprocedure hoogst waarschijnlijk zal worden geoordeeld dat de maatschap op grond van dat artikel moet worden ontbonden.

Bij een bevestigend antwoord op deze vraag dient nog te worden beoordeeld of die wanprestatie/gedragingen van zodanige aard is/zijn dat vooruitlopend op de ontbinding van de maatschap het opleggen van een maatregel in kort geding, die er (onder meer) toe leidt dat [gedaagde] c.s. de notarispraktijk per 31 december a.s. dienen te verlaten en dat [eiseres] c.s. de maatschap alleen voortzetten, gerechtvaardigd is.

5.3. Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat er tussen partijen het nodige is voorgevallen, dat vooral door [gedaagde] breed is uitgemeten.

De vorderingen van [eiseres] c.s. in dit kort geding zijn echter - zoals tijdens de behandeling door de advocaat van [eiseres] c.s. is benadrukt - in feite enkel gebaseerd op de drie concrete gedragingen/pogingen van [gedaagde] om kantoorgelden naar zijn eigen rekening over te (laten) maken zoals deze onder 2.11. tot en met 2.13. zijn omschreven. Voor zover de stellingen van partijen geen betrekking hebben op die gedragingen/pogingen van [gedaagde], kunnen deze daarom in dit kort geding onbesproken worden gelaten. Het gaat daarom thans alleen om de pogingen van [gedaagde] om gelden van de bankrekening(en) en/of kwaliteitsrekening van het notariskantoor naar zijn privé rekening en/of de rekening van [gedaagde sub 2] over te maken. Die pogingen zijn door/namens [gedaagde] c.s. ook erkend en staan daarmee vast. De vraag is dan of die pogingen moeten worden aangemerkt als zodanige gedragingen (als bedoeld in artikel 20 onder e van de maatschapovereenkomst) dat op grond daarvan reeds thans het opleggen van een (orde)maatregel zoals door [eiseres] c.s. is gevorderd, gerechtvaardigd is. Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang, waarbij de voorzieningenrechter de gedragingen/pogingen van [gedaagde] in twee categorieën zal verdelen en bespreken.

de pogingen van [gedaagde] om medewerkers van het notariskantoor te bewegen geldbedragen van de rekening van het notariskantoor naar zijn privé rekening over te boeken

5.4. Bij de pogingen om de bedragen van € 325.000,-- en € 99.208,50 te laten overboeken door respectievelijk mevrouw [X] en de heer [Q] ging het klaarblijkelijk om bedragen waarvan [gedaagde] vond dat die hem toekwamen omdat [eiseres] in zijn visie aanmerkelijk meer opneemt dan hij. Daarover bestond al wel een tijd discussie, maar de afspraak daarover tussen de maten was duidelijk. Beide maten zouden per maand netto € 2.750,-- opnemen, waarbij de loonheffing door de maatschap zou worden voldaan.

De discussie had niet geresulteerd in overeenstemming over achterstallige voorschot -betalingen aan [gedaagde], noch in een andere afspraak over het maandelijks op te nemen bedrag. Dat hem terzake daarvan een zo groot bedrag als die € 325.000,-- zou toekomen, valt niet in te zien. Wellicht zat daarin ook begrepen het bedrag van de verplichte kapitaal-

inbreng, maar op terugstorting daarvan kon [gedaagde] evenmin aanspraak maken (zie verder hierna). Het gaat niet aan dat [gedaagde] dan eigenmachtig probeert en bovendien op een wijze zoals hij dat heeft getracht, zichzelf de grote bedragen te verschaffen waarvan hij meent dat die hem toekomen. Bovendien is dat in strijd met art. 15 sub 2 van de maatschap-overeenkomst waarin is bepaald dat de maten jegens elkaar verplicht zijn tot goed overleg omtrent aangelegenheden die aanmerkelijke financiële gevolgen voor de maatschap kunnen hebben, wat zeker bij een bedrag van maar liefst € 325.000,-- het geval is.

de pogingen van [gedaagde] om medewerkers van de [bank] bedragen van de

kwaliteitsrekening van het notariskantoor naar zijn privé rekening over te boeken

5.5. Hiervoor geldt in de eerste plaats hetzelfde als onder 5.4. is overwogen.

Daar komt bij dat in het over te boeken bedrag een bedrag van € 115.000,-- was verdisconteerd dat [gedaagde] overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid 4 van het maatschapcontract in de maatschap had ingebracht. Uit dat artikel kan niets anders worden afgeleid dan dat dit ingebrachte kapitaal verplicht in het maatschapvermogen diende te blijven. Duidelijk is dat dit bedrag eigen vermogen van de maatschap betreft waarop de financiering binnen de maatschap mede is gebaseerd. Opname van dit bedrag door een maat zonder toestemming van de andere maat is flagrant in strijd met dat artikel 4 lid 4 en zou de financiering van de maatschap in grote problemen (kunnen) brengen.

Maar ook los van het maatschapcontract moet een dergelijke opname in strijd met de tussen de maten gemaakte afspraken worden geacht. Uit eerder (onder 2.12.) genoemde- als productie 8 door [gedaagde] overgelegde - volmachtverklaring, die naast een drietal andere medewerkers van het notariskantoor door zowel [eiseres] als [gedaagde] is ondertekend, blijkt immers dat de afspraak gold dat ieder van die personen slechts gezamenlijk met een van de andere in die volmachtverklaring genoemde personen (onbeperkt) bevoegd is om over de desbetreffende rekening(en) bij de [bank] te beschikken. De onderhavige opdracht tot overboeking is echter alleen door [gedaagde] getekend, waaruit eens te meer blijkt dat hij tevoren geen overleg binnen het notariskantoor hierover heeft gevoerd, laat staan dat hij daarvoor toestemming had.

5.6. Uit het als productie 10 door [eiseres] c.s. overgelegde bankafschrift van de rekening waarvan de overboeking in opdracht van [gedaagde] moest worden verricht, is gebleken dat het hier de bijzondere/kwaliteitsrekening van het notariskantoor betreft als bedoeld in artikel 25 Wna. Ingevolge dat artikel mag die rekening alleen worden gebruikt voor betalingen in opdracht van de rechthebbenden. De gelden op die rekening zijn afgescheiden van de andere rekeningen van een notariskantoor om te verzekeren dat die gelden ook daadwerkelijk uitsluitend zullen worden aangewend voor die cliënten/rechthebbenden. Door te trachten (een gedeelte van) die gelden naar zijn privé rekening te sluizen, heeft [gedaagde] in strijd met dat artikel 25 gehandeld. [eiseres] c.s. rekenen [gedaagde] dat terecht zwaar aan. Het vertrouwen dat afgescheiden gelden van cliënten uitsluitend in opdracht van de rechthebbenden zullen worden aangewend, moet als de hoeksteen van een behoorlijke notarispraktijk worden beschouwd. Schending van dat vertrouwen kan ook zeer nadelige gevolgen voor de praktijkuitoefening van het notariskantoor hebben. Te meer moet deze poging [gedaagde] ernstig worden aangerekend waar onweersproken door [eiseres] c.s. is gesteld dat het saldo op die rekening op het moment dat [gedaagde] opdracht gaf, aanmerkelijk lager was dan het bedrag dat [gedaagde] wilde laten overboeken, zodat er ook een acuut betalingsprobleem zou zijn ontstaan als dat was gelukt. Het enige verweer dat [gedaagde] in dit verband heeft gevoerd, is dat hij niet wist dat het hier om een kwaliteitsrekening ging. Dit verweer wordt door de voorzieningenrechter als ongeloofwaardig verworpen. Weliswaar is juist (de stelling van [gedaagde]) dat het nummer van die rekening niet - zoals in het eerste lid, laatste zin van artikel 25 Wna is bepaald - is opgenomen op het briefpapier van het notariskantoor, maar vast staat dat het nummer wel is vermeld op het notapapier van het notariskantoor. [gedaagde] kon en moest als notaris natuurlijk weten dat het hier om de kwaliteitsrekening ging.

5.7. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, voert tot de slotsom dat hier sprake is (geweest) van wanprestatie en van zodanige gedragingen aan de zijde van [gedaagde] dat van [eiseres] c.s. in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de maatschap voortzetten. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat in de arbitrageprocedure zal worden beslist dat de maatschap op grond daarvan moet worden ontbonden. In dat geval moet tevens worden aangenomen dat [eiseres] c.s. op de voet van het bepaalde in (het onder 2.3. geciteerde) artikel 21 van de maatschapovereenkomst het recht hebben de maatschap alleen voort te zetten, nu bij hen niet de oorzaak van de ontbinding is gelegen.

5.8. De hiervoor genoemde gedragingen van [gedaagde] rechtvaardigen tevens het opleggen van de gevorderde (orde)maatregelen. Het spoedeisend belang daarbij is evident. Aannemelijk is immers dat door die gedragingen van [gedaagde] de verhoudingen binnen het notariskantoor onwerkbaar zijn geworden, terwijl de kans op herhaling van dit soort gedragingen die in strijd met de wet en met de bepalingen van het maatschapcontract zijn,

gelet op de drie eerdere pogingen van [gedaagde], zeker niet ondenkbaar moet worden geacht. Bovendien laat het zich aanzien dat de uitslag van de arbitrageprocedure nog geruime tijd kan duren. Van [eiseres] kan in redelijkheid niet worden gevergd dat zij in afwachting daarvan de praktijk gezamenlijk met [gedaagde] moet blijven voortzetten.

Toewijzing van de gevorderde maatregelen per 31 december 2009 wordt eveneens redelijk geacht. De verdere afwikkeling van de maatschap dient dan in de arbitrageprocedure plaats te vinden.

5.9. De vraag of de gevorderde maatregelen ook jegens [gedaagde sub 2] toewijsbaar zijn, dient bevestigend te worden beantwoord. In een geval als dit, waarin is geregeld dat beide notarissen hun aanspraken in de maatschap hebben ondergebracht in twee vennootschappen, dient wat betreft het einde van de maatschapovereenkomst en de gevolgen daarvan geen onderscheid te worden gemaakt tussen de notarissen die hun praktijk uitoefenen als natuurlijke personen en de vennootschappen waarvan zij zich in de praktijkuitoefening bedienen. Indien dus, zoals hier het geval is, de gedragingen van een van de notarissen als natuurlijk persoon zodanig zijn dat verdere samenwerking c.q. voortzetting van de maatschap onmogelijk is, dient ook de vennootschap van die notaris als rechtspersoon het veld te ruimen althans dient de desbetreffende notaris ervoor te zorgen dat ook zijn vennootschap het veld ruimt.

5.10. [gedaagde] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 112,45

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.190,45

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Voorop gesteld wordt dat het hier gaat om geldvorderingen in kort geding voor toewijzing waarvan door de Hoge Raad vaste, strenge criteria zijn gesteld. In de eerste plaats dient de voorwaarde te zijn vervuld dat het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Reeds aan die voorwaarde voldoet de onder 4.1./ 4.2. omschreven vordering van [gedaagde] c.s. niet. Die vordering heeft in de eerste plaats betrekking op het door [gedaagde] c.s. becijferde aandeel in het vermogen van de maatschap over 2008. Het probleem daarbij is echter dat de jaarrekening over 2008 nog niet is vastgesteld, mede door toedoen van [gedaagde] c.s. zelf, omdat zij sommige opgevoerde posten in de concept jaarrekening niet hebben geaccepteerd. Dat betekent dat, zolang die definitieve jaarrekening niet vaststaat, evenmin kan worden vastgesteld welk aandeel in het vermogen van de maatschap over 2008 aan [gedaagde] c.s. toekomt, nog daargelaten dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] c.s. een gedeelte van dat aandeel zouden aanwenden voor aflossing van de onder 2.4. omschreven, door [eiseres] c.s. verstrekte geldlening.

Daarnaast pretenderen [eiseres] c.s. uit hoofde van die geldlening een tegenvordering te hebben op [gedaagde] c.s. [gedaagde] c.s. bestrijden op zichzelf niet het bestaan van die geldlening maar zij ontkennen dat die lening thans opeisbaar is. Het moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter zeker niet uitgesloten worden geacht dat, indien in de arbitrageprocedure de ontbinding van de maatschap zal worden uitgesproken, daarbij tevens zal worden geoordeeld dat de geldlening wel opeisbaar is. In dat geval overtreft de vordering van [eiseres] c.s. de vordering van [gedaagde]f c.s. aanmerkelijk.

Ook deze omstandigheid staat aan de toewijsbaarheid van de vordering van [gedaagde] c.s. in de weg.

6.2. Nu de vorderingen in conventie worden toegewezen, dient ook de voorwaardelijk in reconventie ingestelde vordering te worden beoordeeld.

Voor die vordering geldt allereerst hetgeen onder 6.1. is overwogen omtrent de tegenvordering van [eiseres] c.s. Daar komt bij dat, zolang in de arbitrageprocedure niet is beslist over de ontbinding van de maatschap, [gedaagde] c.s. naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het door hen in de maatschap ingebrachte kapitaal (€ 115.000,--) in redelijkheid niet kunnen opeisen. Het daarnaast door hen gevorderde bedrag ad € 41.688,-- wegens verschil in voorschotopnames wordt bovendien door [eiseres] c.s. gemotiveerd betwist, zodat het bestaan van die vordering in dit kort geding (eveneens) onvoldoende aannemelijk is geworden.

6.3. Al met al leidt het vorenstaande ertoe dat de vorderingen niet kunnen worden toegewezen. [gedaagde] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] c.s. worden begroot op € 408,-- wegens salaris advocaat.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. verbiedt [gedaagde] c.s. om - met onmiddellijke ingang - ten laste van enige geldrekening van het notariskantoor [betrokkene] [eiseres] Notarissen al dan niet door/met inschakeling van kantoorgenoten of werknemers van het notariskantoor [betrokkene] [eiseres], betalingen en pogingen daartoe te verrichten anders dan in de normale praktijkuitoefening van een notaris,

7.2. bepaalt dat [gedaagde] c.s. na betekening van dit vonnis voor iedere overtreding van het onder 7.1. bepaalde en per dag of gedeelte daarvan dat die overtreding voortduurt, aan [eiseres] c.s. een dwangsom verbeuren van (telkens) € 1.000,--, tot een maximum van

€ 250.000,--,

7.3. veroordeelt [gedaagde] c.s. om uiterlijk op 31 december 2009 de praktijk van [betrokkene] [eiseres] Notarissen te [woonplaats] fysiek te verlaten en verlaten te houden,

7.4. bepaalt dat [gedaagde] c.s. na betekening van dit vonnis voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelen met het onder 7.3. bepaalde, aan [eisere[eiseres] c.s. een dwangsom verbeuren van € 1.000,--, tot een maximum van € 250.000,--,

7.5. veroordeelt [gedaagde] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] c.s. tot op heden begroot op € 1.190,45, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.6. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.7. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.8. wijst de vorderingen af,

7.9. veroordeelt [gedaagde] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] c.s. tot op heden begroot op € 408,--,

7.10. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 30 oktober 2009.