Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK1312

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/2326
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf. Bewijs".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/2326

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 27 oktober 2009

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.C.C.M. Brand,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 april 2009, verzonden op 1 mei 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2008 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser per 1 september 2008 beëindigd (lees: ingetrokken). Voorts heeft verweerder daarbij het recht op bijstand over de periode van 10 mei 2004 tot de datum van beëindiging ingetrokken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar, conform het advies van de Bezwaarschriftencommissie Sociale Zekerheid van 30 maart 2009, ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 30 september 2008 gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder voorts overwogen dat bedoeld is om de bijstandsuitkering per 30 september 2008 te beëindigen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.E.M. Wagener, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

3. Overwegingen

3.1. Eiser ontving vanaf 10 mei 2004 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de WWB naar de norm van een alleenstaande.

3.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat eiser zou samenwonen met [partner ] (hierna: [partner]) heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstandsuitkering. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 september 2008. De onderzoeksresultaten vormen voor verweerder de basis van het besluit van 30 september 2008 dat verweerder bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd.

3.3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, samengevat, ten grondslag gelegd dat uit onderzoek onder meer is gebleken dat eiser en [partner] een gezamenlijke huishouding voeren bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Volgens verweerder brengen eiser en [partner] samen de zomermaanden door op camping “[naam camping]” te [plaatsnaam]. Verweerder stelt dat de caravan op naam van [partner] staat, terwijl de staanplaats op naam van eiser staat. Voorts stelt verweerder dat de winterkleding van [partner] zich in de woning van eiser bevindt en dat uit diverse verklaringen van omwonenden en campinggasten is gebleken dat eiser, zijn zoon en [partner] als een gezin worden aangemerkt. Daarnaast is volgens verweerder gebleken dat [partner] niet op het door haar opgegeven adres aan de [adres] te [woonplaats] verblijft. Volgens verweerder is sprake geweest van een zorgvuldig onderzoek waaruit in voldoende mate blijkt dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding.

3.4. Eiser heeft zich in beroep gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.5. De rechtbank stelt vast dat beoordeeld dient te worden de beëindiging van het recht op bijstand per 30 september 2008 en de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 10 mei 2004 tot 30 september 2008. Omdat het hier om een voor eiser belastend besluit gaat, rust op verweerder de bewijslast dat eiser gedurende de periode in geding de inlichtingenverplichting niet is nagekomen doordat hij niet gemeld heeft een gezamenlijke huishouding te voeren met [partner].

3.6. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

3.7. Eiser stond ten tijde in geding op een ander adres ingeschreven dan [partner]. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (onder meer uitspraak van 14 oktober 2008, LJN: BG0500) behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonruimte niet in de weg te staan aan het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat, doordat slechts één van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

3.8. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn standpunt dat eiser en [partner] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, vooral heeft gebaseerd op de verklaring van eiser van 19 september 2008, de verklaring van de eigenaar/beheerder van camping “[naam camping]” ([naam eigenaar camping]) en omgevingsinterviews.

3.9. De rechtbank acht voldoende aannemelijk gemaakt dat tussen eiser en [partner] gedurende de periode van 1 april 2006 tot 30 september 2008 een feitelijke situatie van samenwoning bestond. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang.

3.10. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser en [partner] in ieder geval vanaf het seizoen 2006 (april tot november) in overwegende mate verblijf houden op camping “[naam camping]” te [plaatsnaam] in een caravan op een vaste standplaats. [partner] is de eigenaar van de caravan en eiser huurt de standplaats. Eiser heeft deze caravan op de huidige plek neergezet en verbouwd en doet ook andere klusjes voor [partner]. Uit de gedingstukken valt af te leiden dat de contante huurbetalingen door zowel eiser als [partner] worden gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee de sprake van enige financiële verstrengeling tussen eiser en [partner]. De stelling van eiser dat hij uitsluitend namens [partner] betaalde, is niet onderbouwd. Blijkens de door eiser afgelegde verklaring verblijven hij en [partner] buiten het seizoen (november tot april) in de woning van eiser. [partner] heeft een sleutel van deze woning. Soms doen eiser en [partner] samen de boodschappen. Eiser verzorgt het koken en doet de was.

3.11. Op basis van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat tussen eiser en [partner] gedurende de periode van 1 april 2006 tot 30 september 2008 een gezamenlijke huishouding, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB, bestond. Dit brengt mee dat eiser in die periode geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder heeft ingevolge artikel 43 van de WWB de bijstand van eiser dan ook terecht per 30 september 2008 beëindigd. Nu eiser het bestaan van een gezamenlijke huishouding in genoemde periode niet aan verweerder heeft gemeld, was verweerder bevoegd het recht op bijstand over de periode van 1 april 2006 tot 30 september 2008 in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB.

3.12. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit niet voor de periode van 10 mei 2004 tot 1 april 2006.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de hierboven genoemde bewijsmiddelen ook in hun onderlinge samenhang bezien onvoldoende feitelijke grondslag om de intrekking van de bijstand over die periode te kunnen handhaven. In dit verband wordt overwogen dat de verklaring die eiser op 19 september 2008 heeft afgelegd innerlijk tegenstrijdig is. Tijdens het verhoor van eiser op 19 september 2008 heeft hij ten overstaan van N. van Kempen en

P. van Egdom onder meer het volgende verklaard: “In juni 2004 ben ik naar [adres] gaan wonen. [naam] en mevrouw [partner] hebben toen een paar maanden bij mij gewoond op [adres]. (…). Sinds een maand of 4 woont ze ([partner]) op de [adres] te [woonplaats]”.

Uit deze verklaring kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden afgeleid dat eiser en [partner] vanaf juni 2004 enkele maanden hun hoofdverblijf in de woning van eiser hebben gehad. Genoemde verklaring biedt echter onvoldoende steun voor het standpunt van verweerder dat eiser en [partner] vanaf 10 mei 2004 tot 1 april 2006 samen in die woning hebben verbleven. Dat eiser zijn verklaring heeft ondertekend en desgevraagd heeft bevestigd dat hij daarop niet wenst terug te komen, doet daar niet aan af. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat aan de omgevingsinterviews niet de door verweerder gewenste waarde kan worden gehecht, omdat deze anoniem zijn en daardoor niet verifieerbaar en controleerbaar. Nu voorts [partner] niet is gehoord en de verklaring van [eigenaar camping] slechts ziet op de periode vanaf april 2006, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat het standpunt van verweerder voor wat betreft de periode van 10 mei 2004 tot 1 april 2006 voldoende feitelijke grondslag mist.

3.13. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit kan, voor zover dat betrekking heeft op de periode van 10 mei 2004 tot 1 april 2006 geen stand houden wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Voor het overige kan het bestreden besluit wel stand houden.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bestreden besluit te vernietigen, voor zover daarbij de intrekking van de bijstand van eiser over de periode van 10 mei 2004 tot 1 april 2006 is gehandhaafd en voorts het primaire besluit in dezelfde zin te herroepen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder, gelet op het tijdsverloop, niet meer in staat zal zijn om alsnog aan te tonen dat eiser en [partner] over de periode van 10 mei 2004 tot 1 april 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

3.14. De kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiser heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

3.15. De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

3.16. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 10 mei 2004 tot 1 april 2006 is gehandhaafd;

- herroept het primaire besluit van 30 september 2008, voor zover daarbij de bijstand over de periode van 10 mei 2004 tot 1 april 2006 is ingetrokken;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 644 en wijst de gemeente Arnhem aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

- bepaalt voorts dat de gemeente Arnhem het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 27 oktober 2009