Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK1304

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/352
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2010:BN5841
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is in 2001 wegens ziekte uitgevallen. Haar werkgever heeft het loon gedurende 52 weken doorbetaald en heeft hiermee voldaan aan de loondoorbetalingsverplichting ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het BW. Inmiddels had eiseres haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat, namelijk 26 van de 36 uur per week. In 2004 heeft eiseres zich opnieuw ziek gemeld, ditmaal met een andere ziekteoorzaak dan voorheen. Omdat de bedongen arbeid, namelijk 36 uur per week, (nog) niet was gewijzigd, bestond bij deze hernieuwde uitval geen recht meer op loon. Hierop heeft eiseres een ZW-uitkering aangevraagd, welke verweerder ten onrechte heeft geweigerd. Eiseres heeft op grond van artikel 19 van de ZW in beginsel recht op ziekengeld, aangezien zij ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid. Vaststaat verder dat eiseres niet valt binnen één van de zogenaamde ‘vangnetcategorieën’ van artikel 29, tweede lid, van de ZW. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de ZW eiseres niet kan worden tegengeworpen. Uit de letterlijke tekst van artikel 29, tweede lid, van de ZW blijkt niet dat het artikel limitatief is bedoeld. Gelet op de wetgeschiedenis is de rechtbank van oordeel dat de ZW ook is bedoeld om in dit geval een vangnet te bieden. Dit wordt versterkt door het feit dat, als eiseres dezelfde werkzaamheden zou hebben hervat bij een andere werkgever, zij als arbeidsgehandicapte wel recht zou hebben gehad op een ZW-uitkering. Dat verschil kan de wetgever niet hebben bedoeld te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/352

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 21 oktober 2009

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.C. Frissart-Kallenbach,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 december 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2004 heeft verweerder geweigerd om aan eiseres per

1 november 2004 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft verweerder het gemaakte bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Bij uitspraak van 7 december 2005 (registratienummer AWB 05/2199) heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 15 juni 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen. Bij uitspraak van 28 november 2007 (registratienummer 06/112 ZW) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) deze aangevallen uitspraak bevestigd.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 22 december 2004 wederom gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 18 augustus 2009. Eiseres is aldaar verschenen en bijgestaan door mr. Frissart-Kallenbach voornoemd, advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt, werkzaam bij het UWV te Arnhem.

3. Overwegingen

Eiseres is vanaf 1 december 1996 werkzaam bij Zorggroep Noord- en Midden- Limburg (hierna: werkgever) als personeelsadviseur voor 36 uren per week. Eiseres is op 26 april 2001 als gevolg van borstkanker uitgevallen. Hierop is aan haar met ingang van 25 april 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien heeft eiseres haar werkzaamheden voor 16 uren per week hervat en geleidelijk, met onderbrekingen, uitgebreid naar 26 uren per week. Aangezien eiseres geschikt werd geacht haar arbeid gedurende 26 uren per week te verrichten, is haar mate van arbeidsongeschiktheid uiteindelijk vastgesteld op 25 tot 35 %.

Op 16 september 2004 heeft eiseres zich opnieuw ziek gemeld, ditmaal met een andere oorzaak dan voorheen, namelijk spanningen met haar werkgever. Bij brief van 8 november 2004 heeft de werkgever van eiseres bericht dat per 1 november 2004 de loondoorbetaling is beëindigd. Hierop is namens eiseres per die datum een ZW-uitkering aangevraagd.

Bij het in rubriek 2 vermelde besluit van 22 december 2004 heeft verweerder de ZW-uitkering geweigerd omdat eiseres niet behoort tot één van de vangnetcategorieën (artikel 29, tweede lid, van de ZW). Bij de eerste beslissing op bezwaar van 15 juni 2005 heeft verweerder dit besluit gehandhaafd en een tweede weigeringsgrond toegevoegd, te weten dat de maximale termijn voor het recht op ziekengeld is verstreken ingevolge (artikel 29, vijfde lid, van de ZW).

Bij de hiervoor aangehaalde uitspraak van 7 december 2005, waarbij de eerste beslissing op bezwaar is vernietigd, heeft deze rechtbank kort gezegd geoordeeld dat onvoldoende was onderzocht of eiseres al dan niet in ander werk heeft hervat, hetgeen van belang is voor beantwoording van de vraag of eiseres de maximale termijn wel kan worden tegengeworpen.

Na bevestiging in hoger beroep van deze uitspraak heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen. Hoewel verweerder na onderzoek heeft vastgesteld dat eiseres niet in ander werk heeft hervat, meent hij dat artikel 29, vijfde lid, van de ZW desondanks niet aan eiseres kan worden tegengeworpen nu zij voor dat werk geschikt was bevonden. Verweerder handhaaft dan ook alleen de eerste weigeringsgrond, namelijk dat eiseres niet behoort tot één van de vangnetcategorieën van artikel 29, tweede lid, van de ZW.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft betoogd dat zij op grond van artikel 19 van de ZW recht heeft op een ZW-uitkering en dat verweerder het vangnetkarakter van de ZW heeft miskend. Artikel 29, tweede lid, van de ZW kan haar niet worden tegengeworpen, aangezien het geen limitatief karakter heeft. Subsidiair heeft zij betoogd dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om artikel 29, tweede lid, van de ZW aan haar tegen te werpen. Ter zitting heeft eiseres verzocht haar een schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding door verweerder van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank stelt voorop dat dit geding wordt beoordeeld naar de ten tijde van belang geldende bepalingen.

Artikel 19 van de ZW bepaalt dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Artikel 29, eerste lid, van de ZW bepaalt, voor zover van belang, dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het tweede lid bepaalt dat het ziekengeld wordt uitgekeerd aan:

a. de verzekerde van wie de arbeidsverhouding op grond van artikel 4 of 5 als dienstbetrekking wordt beschouwd, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;

b. degene wiens aanspraak berust op artikel 46, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;

c. de verzekerde van wie de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, binnen het in het vijfde lid genoemde tijdvak van 52 weken eindigt, vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken nadat de dienstbetrekking is geëindigd, doch niet eerder dan vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;

d. de verzekerde die op grond van artikel 7 als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;

e. de verzekerde die wegens orgaandonatie ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;

f. de vrouwelijke verzekerde, overeenkomstig artikel 29a;

g. de werknemer, bedoeld in de artikelen 29b.

Ingevolge art. 7:629, eerste lid, van het BW is de werkgever gehouden om gedurende 52 weken het loon door te betalen als de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte. Gedurende die eerste 52 weken geldt voor het recht op loondoorbetaling de bedongen arbeid als maatstaf.

Vooropgesteld wordt dat eiseres op grond van artikel 19 van de ZW in beginsel recht heeft op ziekengeld. Immers, eiseres is vanaf 16 september 2004 ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid. Dit wordt niet betwist door verweerder.

Voorts staat tussen de partijen vast dat eiseres per 1 november 2004 geen recht meer heeft op loondoorbetaling van haar werkgever. Uit het vonnis van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 augustus 2004 (LJN AR6345) blijkt dat als een werknemer de bedongen arbeid, waaruit hij is uitgevallen, sedert de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wegens ziekte of gebrek zonder onderbreking niet of niet volledig heeft kunnen verrichten, sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid voor die bedongen arbeid in de zin van artikel 7:629, eerste lid, van het BW. Aangezien eiseres niet voor een periode van meer dan vier weken de bedongen arbeid (36 uren per week) volledig heeft hervat en tussen partijen niet (meer) in geschil is en ook niet is gebleken dat er op 1 november 2004 (reeds) sprake was van andere bedongen arbeid, moet eiseres ondanks de gedeeltelijke werkhervatting als doorlopend arbeidsongeschikt worden aangemerkt in de zin van artikel 7:629, eerste lid, van het BW. Dit brengt mee dat eiseres (éénmaal) recht had op doorbetaling van loon gedurende maximaal 52 weken. Nu de werkgever in 2001 en 2002 het loon van eiseres gedurende 52 weken heeft doorbetaald, had de werkgever reeds voldaan aan de loondoorbetalingsverplichting ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het BW en bestond bij de hernieuwde uitval in 2004 geen recht meer op loon.

Vaststaat verder dat eiseres niet valt binnen één van de zogenaamde ‘vangnetcategorieën’ van artikel 29, tweede lid, van de ZW. De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of dit in de weg staat aan uitbetaling van ziekengeld, zoals door verweerder wordt betoogd. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Uit de letterlijke tekst van artikel 29, tweede lid, van de ZW blijkt niet dat het artikel limitatief is bedoeld. Uit de Memorie van Toelichting bij de ZW blijkt uitdrukkelijk dat de ZW is bedoeld als vangnetvoorziening.

‘Het zou in strijd zijn met het uitgangspunt van een sociaal geconditioneerde privatisering indien de betrokken personen naar bijstandsniveau zouden moeten terugvallen, juist in een situatie waarin ze niet in staat zijn hun lot te verbeteren. (..)

Het kabinet kiest er dan ook voor de Ziektewet als vangnetvoorziening te handhaven voor die groepen werknemers, die niet door de loondoorbetalingsverplichting beschermd kunnen worden. (…)

In de opzet die hier is gekozen voor de vangnetvoorziening blijft de kring van verzekerden voor de Ziektewet gelijk aan die van de overige werknemersverzekeringen. Wie tot de kring van verzekerden behoort, en geen aanspraak kan maken op loondoorbetaling heeft recht op ziekengeld.’

(Kamerstukken, TK 1995-1996, 24439, nr. 3, p. 29, 32 en 34).

Gelet op de wetgeschiedenis is de rechtbank van oordeel dat de ZW ook is bedoeld om in dit geval een vangnet te bieden. Immers, eiseres was voor de werkzaamheden waarvoor zij in 2004 is uitgevallen wel verzekerd voor de WAO. Zij komt echter niet in aanmerking voor de verkorte wachttijd voor verhoging van haar WAO-uitkering nu zij vanwege een andere ziekteoorzaak is uitgevallen, zodat zij in beginsel gedurende de volledige wachttijd van 104 weken zou kunnen terugvallen naar bijstandsniveau nu zij geen recht heeft op loon. Het kan bovendien niet de bedoeling zijn geweest van de wetgever dat eiseres ziekengeld wordt geweigerd, enkel omdat zij in passend werk bij haar eigen werkgever is gere-integreerd. Als eiseres was gere-integreerd bij een andere werkgever in hetzelfde werk, zou zij immers als arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 29b van de ZW wel behoren tot één van deze categorieën (artikel 29, tweede lid, aanhef en onder g, van de ZW) en wel ziekengeld hebben ontvangen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de ZW eiseres niet kan worden tegengeworpen.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar aan eiseres een ZW-uitkering moeten toekennen met ingang van 1 november 2004 alsmede de verzochte wettelijke rente over het toe te kennen bedrag aan uitkering. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, aangezien op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet kan worden bepaald op welk uitkeringsbedrag eiseres recht heeft.

Eiseres heeft tenslotte aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden en dat zij hierdoor schade heeft geleden.

Voor de wijze van beoordeling van een geval als het voorliggende verwijst de rechtbank naar inmiddels vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 april 2009, LJN BI3008). De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiseres gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van eiseres, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

Zoals de CRvB heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De CRvB neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van - onder meer - sociale zekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 is verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in de vorige alinea vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven om overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het UWV op 17 januari 2005 van het bezwaarschrift van eiseres tot de datum van deze uitspraak is 4 jaar en negen maanden verstreken. Dit moet als een overschrijding van de redelijke termijn worden aangemerkt. De rechtbank heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van eiseres aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.

Volgens de jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2009, LJN BH9991) moet in een geval als dit waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend, tenzij in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest), aangezien de behandeling door de rechtbank en de CRvB tezamen minder dan drie en een half jaar heeft geduurd. De overschrijding van negen maanden komt derhalve in haar geheel voor rekening van verweerder. De rechtbank zal verweerder dan ook veroordelen tot vergoeding van de daardoor geleden schade. De rechtbank stelt de door verweerder te betalen schadevergoeding vast op een bedrag van (€ 500,- per half jaar overschrijding of gedeelte daarvan =) € 1.000,-.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar een vergoeding dient toe te kennen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade aan eiseres ten bedrage van € 1.000,-;

wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. Bos , griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 21 oktober 2009