Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK1201

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
179111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing van een dwangsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 501
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 179111 / HA ZA 08-2208

Vonnis van 30 september 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.A. van Ham te Veenendaal,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. C.A. Hage te Ede,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. C.A. Hage te Ede,

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Stokkers te Veenendaal.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 april 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 22 juni 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en [gedaagden] zijn gezamenlijk eigenaars van de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie D, nummers 4095 en 7728. Op grond van artikel 3:166 lid 1 BW is er tussen [eiser] en [gedaagden] sprake van een gemeenschap.

2.2. [eiser] heeft zijn aandeel in de verwerving van de onroerende zaak ter waarde van EUR 72.550,05 met rente niet betaald.

2.3. Bij vonnis van 8 oktober 2008 heeft de rechtbank Arnhem voor zover relevant:

1. verklaard voor recht dat [eiser] aan de gemeenschap verschuldigd is als aandeel in de kosten van verwerving van de bovenwoning c.a. aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie D, nummers 4095 en 7728, een bedrag van € 72.550,05, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2006 tot de dag van het opmaken van de akte van levering,

2. het aandeel van [eiser] in de genoemde onroerende zaak toegedeeld aan eisers,

3. bepaald dat de vergoeding van de waarde van het aandeel van [eiser] in de onroerende zaak wordt verrekend met de vordering van de gemeenschap op [eiser] ter zake de verwerving van de onroerende zaak, welke vordering bedraagt

€ 72.550,05, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2006 tot aan de dag van het opmaken van de akte van levering,

4. [eiser] veroordeeld binnen vier weken na betekening van dit vonnis mee te werken aan het opmaken van de akte van levering,

5. [eiser] veroordeeld binnen vier weken na betekening van dit vonnis de op zijn aandeel rustende en eventueel nieuwe beslagen te doen opheffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag tot een maximum van € 50.000,--

6. bepaald dat indien [eiser] niet tijdig medewerking verleent aan het opmaken van de akte tot levering, het vonnis in de plaats zal treden van de akte tot levering.

2.4. [eiser] is in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis.

2.5. Blijkens een proces-verbaal van betekening is het vonnis van 8 oktober 2008 aan [eiser] betekend op 21 oktober 2008.

2.6. [eiser] heeft niet meegewerkt aan het opmaken van de akte van levering binnen vier weken na betekening van het vonnis. Hij heeft de op zijn aandeel rustende beslagen niet doen opheffen. [eiser] heeft met ingang van 19 november 2008 dwangsommen verbeurd, tot het maximum van EUR 50.000,00. Het vonnis van 8 oktober 2008 is niet ter inschrijving in het kadaster aangeboden, zodat het aandeel van [eiser] niet op [gedaagden] is overgegaan.

2.7. Op het aandeel van [eiser] rusten drie beslagen en een recht van hypotheek. Het gaat om een executoriaal beslag van het CJIB voor een bedrag van EUR 4.921,00, een executoriaal beslag van belastingdienst voor een bedrag van EUR 4.370,78, een executoriaal beslag van de gemeente [woonplaats] voor een bedrag van EUR 44.847,21 en een recht van hypotheek verleend aan [....] B.V. voor een bedrag dat niet uit de dagvaarding blijkt.

2.8. Bij brief van 17 oktober 2008 heeft de raadsman van [eiser] aan [....] B.V. verzocht, onder toezending van het vonnis van 8 oktober 2008, om mee te werken aan een afstand van het recht van hypotheek. Bij brief van dezelfde datum zijn ook de gemeente [woonplaats], de Belastingdienst en het Centraal Justitieel Incasso Bureau, onder toezending van het vonnis van 8 oktober 2008, verzocht om over te gaan tot opheffing van de gelegde beslagen. Daarbij heeft de raadsman van [eiser] aan de beslagleggers meegedeeld dat het kan zijn dat hij in een kort geding de opheffing van het beslag zal vorderen, indien de beslagleggers niet overgaan tot opheffing van de beslagen.

2.9. De gemeente [woonplaats], de Belastingdienst en het Centraal Justitieel Incassobureau hebben alle drie schriftelijk bericht pas aan opheffing van het gelegde beslag mee te willen werken, indien [eiser] de openstaande vorderingen geheel heeft voldaan. [eiser] heeft geen poging gedaan opheffing van de beslagen te verkrijgen in kort geding.

2.10. De besloten vennootschap [eiser] B.V. is bij vonnis van 6 oktober 2004 failliet verklaard. [eiser] werkt sinds augustus 2005 als horecamedewerker in dienst van [restaurant] te [woonplaats]. Blijkens een loonstrook verdiende hij daar in de maand augustus 2005 een brutomaandinkomen van EUR 1.264,80. Blijkens een toekenning voor een toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand van 27 februari 2007 bedraagt het brutojaarinkomen van [eiser] EUR 16.050,00.

2.11. Blijkens een “aanvraagformulier schuldregeling” van 16 december 2008 heeft [eiser] hulp gevraagd bij de sanering van zijn schulden bij het Bureau Schuldhulp en Budgetadvies van de gemeente [woonplaats].

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert op grond van artikel 611d Rv dat het de rechtbank behage bij vonnis de krachtens het vonnis van 8 oktober 2008, nr. 142054/HA ZA 06-1082, opgelegde dwangsommen op te heffen, subsidiair te verminderen en subsidiair om de ingangsdatum van de dwangsom c.q. de looptijd van de dwangsom voor een termijn van drie jaar, althans voor een door de rechtbank te bepalen termijn, op te schorten, kosten rechtens.

3.2. [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] vordert op grond van artikel 611d Rv opheffing van de dwangsom, dan wel vermindering ervan, dan wel opschorting van de ingangsdatum van de dwangsom, dan wel van de looptijd ervan, voor een termijn van drie jaar. Vast staat dat de in het vonnis van 8 oktober 2008 opgelegde dwangsommen inmiddels geheel zijn verbeurd.

4.2. Baructu heeft een vordering ingesteld op grond van artikel 611d Rv en voert aan dat er gezien zijn situatie sprake is van een onmogelijkheid in de zin van dit artikel om aan de hoofdveroordeling uit het vonnis te voldoen, waardoor de dwangsom als dwangmiddel zijn zin heeft verloren. Er sprake is van een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, omdat het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht. De beslagleggers zijn benaderd met de vraag of zij, gezien het vonnis van 8 oktober 2008, mee willen werken aan opheffing van de beslagen en zij hebben verklaard daartoe zonder betaling door [eiser] van al hun vorderingen niet bereid te zijn. Nu zijn financiële situatie zodanig is dat sanering van zijn schulden op de termijn van vier weken die in het vonnis staat vermeld niet mogelijk is, omdat hij slechts een klein inkomen heeft, en een echtgenote en een kind die hij onderhoudt, zijn de dwangsommen als dwangmiddel niet zinvol. Er is immers geen uitzicht op sanering van zijn schulden binnen een termijn van vier weken, zoals opgenomen in het vonnis van 8 oktober 2008. De dwangsom dient dan ook te worden opgeheven, verminderd of opgeschort.

4.3. [gedaagden] verweren zich hiertegen en stellen dat er geen sprake is van een onmogelijkheid in de zin van artikel 611d Rv. Naar hun oordeel heeft het aandeel van [eiser] in de bovenwoning c.a. op grond van het bepaalde in artikel 3:176 lid 2 BW geen waarde meer. Uit dit artikel volgt volgens hen dat de schuld van [eiser] aan de gemeenschap bij vervreemding van zijn aandeel overgaat op de verkrijger, ook in het geval zijn aandeel executoriaal zou worden verkocht. Voor de beslagleggers is daarom niet te verwachten dat de exectoriale verkoop, als zij daartoe zouden overgaan, voor hen enig bedrag zal opleveren, zodat opheffing van de beslagen in de rede ligt. [eiser] zou naar inschatting van [gedaagden] op deze gronden met succes een vordering in kort tot opheffing van de gelegde beslagen hebben kunnen instellen. Ook had [eiser] een poging moeten doen om tot sanering van zijn schuldenpositie bij de beslagleggers te komen. Nu hij dat heeft nagelaten, en ook voor het overige weinig pro-actief heeft geopereerd om gevolg te geven aan de inspanningsverplichting die er op grond van het vonnis van 8 oktober 2008 op hem rust, is er voor opheffing of vermindering van de dwangsom geen aanleiding. De vordering van [eiser] dient daarom dan ook te worden afgewezen, aldus [gedaagden]

4.4. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 611d Rv bepaalt dat de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, bevoegd is de dwangsom op te heffen of te verminderen, in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid van de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Ratio van dit artikel is dat er alleen dan plaats is voor een dwangsom, indien het voor de veroordeelde redelijkerwijs mogelijk is om aan de veroordeling te voldoen en daarmee de verbeurte van dwangsommen te voorkomen. Een dwangsom dient een prikkel tot nakoming te zijn, en geen straf voor niet-nakoming in de situatie dat het voor de veroordeelde onmogelijk was om te voldoen aan hetgeen waartoe hij was veroordeeld. Van onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen is sprake indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel zijn zin verliest (Benelux Gerechtshof 25 mei 1999, NJ 2000, 14). Van onmogelijkheid is ook sprake, indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht (Hoge Raad 13 juni 2003, NJ 2003, 521).

4.5. Vast staat dat [eiser] zijn beslagleggers heeft gevraagd om mee te werken aan tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 oktober 2008 door de gelegde beslagen op te heffen. De beslagleggers hebben alle drie verklaard pas tot opheffing van het beslag over te gaan, indien [eiser] hun vorderingen geheel heeft voldaan. Door [eiser] is onderbouwd gesteld dat hij een klein inkomen heeft en dat hij bezig is om tot sanering van zijn schulden te komen en niet over de financiële middelen kan beschikken om de vorderingen van de beslagleggers geheel of gedeeltelijk te voldoen. [gedaagden] hebben dat niet gemotiveerd weersproken. Dat [eiser] op korte termijn door schuldhulpverlening tot een oplossing had kunnen komen is niet aannemelijk geworden.

4.6. [gedaagden] stellen dat [eiser] in kort geding met succes opheffing van de beslagen had kunnen vorderen, omdat het aandeel van [eiser] in de onroerende zaak geen waarde meer heeft en executie van de gelegde beslagen daarom zinloos zou zijn. Snel c.s baseren dit op artikel 3:176 lid 2 BW, dat bepaalt dat een overgedragen aandeel wordt verkregen onder de last aan de gemeenschap te vergoeden hetgeen de vervreemder haar schuldig was. [eiser] is aan de gemeenschap de kosten voor de verwerving van zijn aandeel in de onroerende zaak nog verschuldigd. Deze last zal overgaan op de verkrijger van het aandeel van [eiser], als dat aandeel executoriaal wordt verkocht. Naar het oordeel van [gedaagden] volgt hieruit dat geen enkele koper het aandeel zal willen verwerven en dat de waarde van het aandeel dus nihil is. In kort geding zal daarom met succes opheffing van de beslagen kunnen worden gevorderd. [eiser] stelt hier tegenover dat de vraag naar de waarde van zijn aandeel voorligt in de procedure in hoger beroep. Hij stelt dat [gedaagden] geen rekening en verantwoording hebben afgelegd en dat er volgens het handelsregister bedrijfsruimten zijn verhuurd.

4.7. Het is op zichzelf juist, zoals [gedaagden] stellen, dat uit art. 3:176 BW volgt dat indien de beslagleggers op het aandeel van [eiser] in de onroerende zaak tot executoriale verkoop zouden overgaan, de koper het aandeel verkrijgt onder de last de schuld van [eiser] aan de gemeenschap ad EUR 72.550,05 te voldoen. Als juist is dat de waarde van het aandeel gelijk is aan de schuld aan de gemeenschap, moet worden aangenomen dat er in beginsel geen koper te vinden zal zijn die bereid is het aandeel voor meer dan nihil te kopen. Dat betekent dat executiehandelingen voor de beslagleggers niet tot voldoening van hun vorderingen zullen leiden. Denkbaar is dat handhaving van de beslagen in dat geval misbruik van recht zou opleveren jegens [eiser], in aanmerking genomen zijn belang om aan het vonnis van 8 oktober 2008 te kunnen voldoen zonder dwangsommen te verbeuren. Blijkens het vonnis van 8 oktober 2008 heeft de rechtbank de waarde van het aandeel gesteld op een bedrag gelijk aan de schuld van [eiser]. Daarvan moet daarom worden uitgegaan. Het ligt op de weg van [eiser] te stellen en zonodig te bewijzen dat de waarde van het aandeel in werkelijkheid zodanig veel hoger is dan de schuld aan de gemeenschap dat executoriale verkoop voor de beslagleggers tot gehele of gedeeltelijk voldoening van hun vordering zou kunnen leiden. Daartoe heeft [eiser] echter onvoldoende gesteld. De enkele stelling dat de onroerende zaak is verhuurd, volstaat niet omdat, indien die al juist zou zijn, daaruit niet noodzakelijk volgt dat het aandeel meer waard is dan de schuld aan de gemeenschap. Dat [gedaagden] geen rekening en verantwoording hebben afgelegd, is ook niet redengevend voor de conclusie dat het aandeel meer waard is. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat een vordering tot opheffing van de beslagen niet bij voorbaat kansloos was en moet worden geoordeeld dat de eis dat [eiser] had moeten proberen in kort geding opheffing te krijgen van de beslagen niet onredelijk is. Aangenomen moet dus worden dat [eiser] onvoldoende heeft getracht opheffing van de beslagen te krijgen teneinde aan de veroordeling daartoe te voldoen.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de vordering moet worden afgewezen.

4.9. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1 en 2] worden begroot op:

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 3] worden begroot op:

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1 en 2] tot op heden begroot op EUR 1.158,00 en aan de zijde van [gedaagde sub 3] op EUR 1.158,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr.drs. J.M. Klep en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2009.