Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK1169

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
187487
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187487 / KG ZA 09-481

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E. Hunneman te Utrecht,

tegen

[gedaagden],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

bijgestaan door mr. ing. T. Steenbeek te Rumpt, rechtshelper.

Eiser zal hierna [eiser] en gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagden]

1.2. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 13 augustus 2009 vonnis bepaald. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, worden hierna vastgelegd.

2. De feiten

2.1. [eiser] is vanaf 3 mei 1993 eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] [I] te [postcode] [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], sectie A nr. 772 en nr. 1281.

2.2. [eiser] heeft de onroerende zaak gekocht van zijn vader. In de leveringsakte d.d. 3 mei 1993 is de na te melden erfdienstbaarheid niet opgenomen. Nadat [eiser] dit in het voorjaar van 2009 had bemerkt heeft de notaris een herstelverklaring opgemaakt gedateerd 16 april 2009. Daarin staat onder meer vermeld:

“- de heer [eiser], (…) is eigenaar van het navolgende registergoed:

het woonhuis met garage, erf en verder aanbehoren, staande en gelegen [adres] [I] te [postcode]

[woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], sectie A, nummers 772 en 1281, samen groot

twee are en acht centiare;

- de eigenaar verkreeg voormeld registergoed door de inschrijving op het voormalige kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers te Arnhem op vier mei negentienhonderd drieënnegentig in Register hypotheken 4 deel 12020 nummer 13, van het afschrift van een akte van levering op drie mei daaraanvoorafgaand verleden voor Meester H. Beugelink, destijds notaris te Leerdam;

- In een akte transport op twintig mei negentienhonderd negenenzestig verleden voor een waarnemer van J.H. Pompe van Meerdervoort, destijds notaris te Andel, welke akte werd ingeschreven op het voormalige kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers te Dordrecht op tweeëntwintig mei negentienhonderd negenenzestig in register hypotheken 4 deel 1401 nummer [II] staat vermeld, woordelijk luidende:

“6. Ten laste van het bij deze verkochte en ten behoeve van het overige gedeelte van het gemelde kadastrale perceel [woonplaats] zonder sectie nummer [II]03, wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om via het pad gelegen tussen de percelen [adres] [II] en [III] achter de percelen [IV] en [II] van de [adres], te komen van en gaan naar de [adres], welke erfdienstbaarheid zal kunnen worden uitgeoefend op de – tot thans uitgeoefende – wijze en van rechtswege zal vervallen indien het heersende erf rechtstreeks achteruitgang zal verkrijgen op een aan te leggen openbare weg.”

- De huidige percelen [woonplaats] 772 en 1281 (plaatselijk bekend: [adres] [I] te [woonplaats]) zijn ontstaan uit het in laatstgemelde akte bedoelde perceelsgedeelte [woonplaats] zonder sectie nummer 1503 en wel uit dat perceelsgedeelte ten behoeve van welk perceel bovengemelde erfdienstbaarheid destijds werd gevestigd.

- In de akte van levering van drie mei negentienhonderd drieënnegentig, waarin de eigendom van de percelen [woonplaats] 772 en 1281 door de heer [eiser] voornoemd werd verkregen, is echter geen melding gemaakt van deze erfdienstbaarheid welke ten behoeve van het door hem verkregen perceel was gevestigd;

- Er zijn mij, notaris, voorts geen feiten bekend waardoor voormelde erfdienstbaarheid zou zijn geëindigd, zodat deze nog steeds bestaat en ten behoeve van de percelen [woonplaats] 772 en 1281 is gevestigd als heersend erf.”

2.3. [gedaagden] is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] [III] te [postcode] [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nr. 1280. In de leveringsakte van 19 mei 1993 staat onder meer vermeld:

“OMSCHRIJVING ERFDIENSTBAARHEDEN

Voor een bestaande erfdienstbaarheid met betrekking tot het perceel [woonplaats] sectie A nummer 1280 wordt ten deze verwezen naar een akte van transport op twintig mei negentienhonderd negenenzestig voor een waarnemer van Jonkheer Joseph Henri Pompe van Meerdervoort, destijds notaris te Andel (Noord Brabant) verleden, overgeschreven ten voormalige hypotheekkantore te Dordrecht op tweeëntwintig mei daarna in deel 1403 nummer [II], waarin woordelijk staat vermeld:

“8. Ten laste van het bij deze verkochte en ten behoeve van het overige gedeelte van het gemelde kadastrale perceel [woonplaats] zonder sectie nummer 1503, wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om via het pad gelegen tussen de percelen [adres] [II] en [III] achter de percelen [IV] en [II] van de [adres], te komen van en gaan naar de [adres], welke erfdienstbaarheid zal kunnen worden uitgeoefend op de – tot thans uitgeoefende – wijze en van rechtswege zal vervallen indien het heersende erf rechtstreeks achteruitgang zal verkrijgen op een aan te leggen openbare weg.”

2.4. In september 2008 heeft [gedaagden] op zijn grond een schutting geplaatst waardoor het pad tussen de woningen [adres] [II] en [III] in tweeën is gesplitst. Hierdoor kan [eiser] feitelijk niet meer met een auto van de [adres] naar zijn achtererf en de daarop gebouwde garage/carport rijden.

2.5. [gedaagden] is, ook na sommatie daartoe, tot op heden niet bereid de schutting te verwijderen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - samengevat - [gedaagden], op straffe van een dwangsom, te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis alle belemmeringen in de uitoefening van de erfdienstbaarheid die ten behoeve van zijn perceel is gevestigd, te verwijderen en verwijderd te houden, zodanig dat hij op normale wijze gebruik kan maken van de erfdienstbaarheid, te weten met de auto, motor, aanhangwagen en fiets zijn garage bereiken.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig jegens hem handelt door hem te beletten gebruik te maken van de erfdienstbaarheid, althans door het plaatsen van een schutting op de erfdienstbaarheid deze zodanig te beperken dat hij er met de auto en/of de motor geen gebruik meer van kan maken om bij zijn garage te komen. Hij voert daartoe aan dat de erfdienstbaarheid destijds uitdrukkelijk is gevestigd ten behoeve van zijn vader, die het perceel bij leveringsakte van 20 mei 1969 heeft verkregen. Aan de in de akte vermelde voorwaarde voor het vervallen van de erfdienstbaarheid is niet voldaan. Omdat sprake is van een erfdienstbaarheid van weg mag deze naar zijn mening worden uitgeoefend met motorvoertuigen. [eiser] stelt dat hij om te komen van en naar zijn schuur / garage die zich achter zijn woning bevindt, sinds jaar en dag met de auto, motor, aanhangwagen en fiets van de erfdienstbaarheid gebruik heeft gemaakt.

3.3. [gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De erfdienstbaarheid is gevestigd bij leveringsakte van de rechtsvoorganger (de vader) van [eiser] van 20 mei 1969. Het gaat om de erfdienstbaarheid van weg om via het pad gelegen tussen de percelen [adres] [II] en [III] en achter de percelen [IV] en [II] van de [adres], te komen van en te gaan naar de [adres], ten behoeve van het overige gedeelte van het kadastrale perceel [woonplaats] zonder sectie nummer 1503. Zoals uit de herstelverklaring van de notaris, geciteerd onder De feiten, blijkt zijn de huidige percelen 772 en 1281, plaatselijk bekend als [adres] [I] te [woonplaats], waarvan [eiser] sinds 3 mei 1993 eigenaar is, ontstaan uit het in de akte van 20 mei 1969 bedoelde perceelsgedeelte [woonplaats] zonder sectie nummer 1503. In de leveringsakte van [eiser] van 3 mei 1993 is de erfdienstbaarheid abusievelijk niet vermeld. Anders dan [gedaagden] stelt, betekent het ontbreken van de erfdienstbaarheid in de leveringsakte van [eiser] niet dat deze bij de aanvang van zijn eigendom geen recht van erfdienstbaarheid van weg zou hebben. Immers, in de leveringsakte van [gedaagden], eigenaar van het lijdend erf, staat de erfdienstbaarheid expliciet vermeld en in de door de notaris op 16 april 2009 opgemaakte herstelverklaring is de omissie in de leveringsakte van [eiser] hersteld. Overigens heeft [eiser] onweersproken gesteld dat de erfdienstbaarheid in de jaren voordat de omissie door hem werd ontdekt, steeds op normale wijze is gebruikt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in art. 5:73 BW wordt de wijze van uitoefening van een erfdienstbaarheid bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. In de akte waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd is omtrent het gebruik bepaald dat de erfdienstbaarheid zal kunnen worden uitgeoefend op de tot thans uitgeoefende wijze. Tussen partijen staat vast dat de erfdienstbaarheid niet (van rechtswege) is vervallen omdat aan de in de vestigingsakte genoemde voorwaarde niet is voldaan. [eiser] heeft gesteld dat de erfdienstbaarheid van weg is gevestigd om via het pad tussen de percelen [adres] [II] en [III] en achter de percelen [adres] [IV] en [II] te komen van en te gaan naar zijn garage die achter de woningen is gelegen. Hij heeft samen met anderen, naar zijn zeggen, jarenlang met de auto, motor, aanhangwagen en fiets gebruik gemaakt van de erfdienstbaarheid. Hij verwijst in dat kader naar de door hem in het geding gebrachte verklaringen van (oud) omwonenden waaruit blijkt dat er regelmatig auto’s over het pad van en naar zijn garage zijn gereden. Volgens [gedaagden] is de erfdienstbaarheid niet bedoeld om met auto’s of aanhangwagens over het pad te gaan. Het pad is daarvoor naar zijn mening te smal. Wel heeft hij erkend dat er incidenteel auto’s over het pad hebben gereden. Vast staat dat het pad tussen de woningen op het smalste punt 1.95 m breed is, op zich voldoende om met een auto doorheen te rijden. In de akte van vestiging zijn geen beperkingen aangebracht. In beginsel mag daarom van de erfdienstbaarheid gebruik worden gemaakt met de auto, motor, aanhangwagen of fiets. [eiser] heeft, tegenover de onvoldoende gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagden], voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat de erfdienstbaarheid in het verleden ook als zodanig is gebruikt. Dat betekent dat [gedaagden] [eiser] normaal gebruik van de erfdienstbaarheid, dus met auto, motor, aanhangwagen of fiets, moet toestaan en de door hem aangebrachte belemmeringen dient te verwijderen. Dat [eiser], door een geringe aanpassing in zijn erfafscheiding aan de achterzijde van zijn perceel een doorgang kan maken naar de achter de percelen gelegen Minstraat, zoals [gedaagden] heeft gesteld en [eiser] heeft betwist, maakt dat niet anders.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] hierna zal worden toegewezen. [gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.163,98

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagden], om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, alle belemmeringen in de uitoefening van de erfdienstbaarheid die ten laste van het perceel, kadastraal bekend als Gemeente [woonplaats] sectie A nr. 1280 en ten behoeve van perceel, kadastraal bekend als Gemeente [woonplaats] sectie A nr. 772 en nr. 1281 is gevestigd, te verwijderen en verwijderd te houden, zodanig dat [eiser] op normale wijze gebruik kan maken van deze erfdienstbaarheid, te weten door met auto, motor, aanhangwagen en fiets zijn garage te bereiken,

5.2. bepaalt dat [gedaagden] voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder 2.1 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,-, tot een maximum van EUR 25.000,-,

5.3. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.163,98,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S.M. Daamen op 13 augustus 2009 terwijl de feiten en de motivering waarop de beslissing steunt afzonderlijk is vastgelegd op 24 september 2009.