Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK1096

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
151704
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BS1086, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er zijn zodanig geringe aanwijzingen dat inderdaad voorlopige dekking was afgegeven door RVS, terwijl RVS' stelling dat zij eerst na het ongeval de auto ter verzekering aangeboden heeft gekregen consistent is met de registratie op 2 juli 2004 bij het RDW en de afgifte van het polisblad, dat de conclusie luidt dat RVS in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Dat leidt tot de conclusie dat RVS niet gehouden is de schade van belanghebbende te vergoeden, noch op grond van de verzekeringsovereenkomst, noch op grond van artikel 13 WAM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151704 / HA ZA 07-190

Vonnis van 23 september 2009

in de zaak van

de naamloze vennootschap

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.A.M. Rupert,

tegen

1. de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe,

2. de stichting

STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,

gevestigd te Rijswijk,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. R. Gruben.

Partijen zullen hierna London, RVS en het Waarborgfonds genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 januari 2008

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 juni 2008

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 oktober 2008

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 mei 2009

- de conclusie na getuigenverhoor aan de zijde van RVS

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor aan de zijde van London.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. Bij vonnis van 23 januari 2008 is RVS opgedragen te bewijzen dat zij eerst na het ongeval de bestelbus in dekking heeft genomen. RVS heeft daarop in de enquête twee getuigen doen horen, te weten [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) en [ ] [getuige 2] (hierna: [getuige 2]). In de contra-enquête heeft London één getuige doen horen, te weten [ ] [getuige 3] (hierna: [getuige 3]).

2.2. Het gaat om de vraag of is komen vast te staan dat RVS eerst na het ongeval de bestelbus in dekking heeft genomen. RVS stelt dat zij pas op 2 juli 2004 om 15.20 uur een telefoontje heeft gekregen van [betrokkene 1], waarbij hij RVS heeft verzocht de bestelbus in dekking te nemen. London stelt zich onder verwijzing naar de brief van [betrokkene 2] op het standpunt dat [betrokkene 3] al enkele dagen eerder via de assurantietussenpersoon van RVS voorlopige dekking voor de bestelbus had gekregen.

2.3. Dat RVS op 2 juli 2004 om 15.20 uur een telefoontje heeft gekregen van [betrokkene 1 of 3], staat op grond van de ‘printscreen’ (productie 1 bij conclusie van antwoord) en de toelichting die [getuige 1] daarop heeft gegeven, vast. Op dat printscreen heeft [getuige 1] opgemerkt: ‘herstelling schorsing’. Daaruit is in ieder geval voorshands aannemelijk dat de inhoud van dat telefoongesprek een herstel van de dekking heeft betroffen. Uit het polisblad en de aanmelding bij de RDW blijkt dat de dekking op 2 juli 2004 is hersteld, zodat daaruit ook volgt dat RVS naar aanleiding van dat telefoontje tot actie is overgegaan. Uit dit alles is voldoende komen vast te staan dat in ieder geval volgens de administratie van RVS de dekking niet eerder dan 2 juli 2004 is hersteld.

2.4. Verder is uit de verklaring van [getuige 1] en de printscreen voldoende komen vast te staan dat in dat telefoongesprek met [betrokkene 1 of 3] niet is gesproken over de aanrijding die zich enige uren eerder had voorgedaan. Uit de verklaring van [getuige 1] volgt immers dat bijzonderheden op het printscreen werden aangegeven. Zo heeft hij verklaard dat hij het er bij zou hebben gezet indien hij een ander dan de verzekeringnemer zou hebben gesproken, of indien de auto al wat langer op naam had gestaan. Van iets van zo’n evident belang als een voorafgaande aanrijding zou dan zeker aantekening zijn gemaakt, nog afgezien van de vraag wat de gevolgen daarvan voor het verzoek tot herstel van de dekking zouden zijn geweest. Dat [betrokkene 1 of 3] de aanrijding tegenover [getuige 1] niet heeft genoemd, in combinatie met de aantekening ‘herstelling schorsing’ en het feit dat RVS de bestelbus blijkens de registratie van de RDW per 2 juli 2004 in dekking heeft genomen, vormen tezamen een sterke aanwijzing dat [betrokkene 1 of 3] de voorheen onverzekerde auto na de aanrijding bij RVS ter verzekering heeft aangeboden.

2.5. Voor de mogelijke toedracht dat [betrokkene 1 of 3] op 29 juni 2004, toen hij de auto kocht, voorlopige dekking had verkregen en na de aanrijding RVS heeft gebeld om te informeren of die dekking in orde was, bestaan voorts, afgezien van de brief van [betrokkene 2], geen aanwijzingen. De getuige [getuige 3] heeft over de vraag of de auto verzekerd was niets kunnen verklaren. De getuige(n) [betrokkene 1 of 3] zijn ondanks de inspanningen van London niet verschenen. De getuige [getuige 2], die volgens RVS in de betreffende periode de vaste verzekeringstussenpersoon van [betrokkene 1 of 3] - Gül - waarnam, kon zich [betrokkene 1 of 3] niet herinneren.

2.6. London heeft nog aangevoerd dat RVS onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar administratie en daardoor onvoldoende bewijs heeft geleverd van haar stelling dat zij niet eerder – al dan niet door middel van haar tussenpersoon – voorlopige dekking heeft toegezegd. London heeft aangevoerd dat bijvoorbeeld niet duidelijk is hoe RVS de beschikking heeft gekregen over de gegevens van de bestelbus. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt echter dat de autogegevens bij RVS bekend worden doordat de klant het kenteken opgeeft, dat door de medewerker van RVS aan de hand van de online gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer in een zogenaamd ‘mutatieformulier’ wordt verwerkt. [getuige 1] heeft daarover verklaard dat hij enige tijd voorafgaand aan het getuigenverhoor het mutatieformulier van de betreffende mutatie van 2 juli 2004 nog heeft bekeken, maar dat hem daarbij toen niets bijzonders was opgevallen.

2.7. London heeft verder nog aangevoerd dat de politie de bestelbus na onderzoek weer heeft vrijgegeven, hetgeen er volgens London op duidt dat deze op het moment van het ongeval verzekerd was. Die conclusie trekt de rechtbank echter niet uit het feit dat de bestelbus na onderzoek weer is vrijgegeven. In het procesverbaal (productie 1 bij dagvaarding) wordt over de vraag of de bestelbus al dan niet was verzekerd niets overwogen. Bovendien is onduidelijk wanneer de bestelbus is vrijgegeven, terwijl dat vrijgeven evenzeer kan zijn ingegeven door het feit dat de bestelbus inmiddels wél – bij RVS – als verzekerd stond geregistreerd. Al met al is de stelling dat daardoor aannemelijk is dat de bestelbus op het moment van de aanrijding verzekerd was, speculatief.

2.8. Al met al zijn er zodanig geringe aanwijzingen dat inderdaad voorlopige dekking was afgegeven door RVS, terwijl RVS’ stelling dat zij eerst na het ongeval de auto ter verzekering aangeboden heeft gekregen consistent is met de registratie op 2 juli 2004 bij het RDW en de afgifte van het polisblad, dat de conclusie luidt dat RVS in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.

2.9. Dat leidt tot de conclusie dat RVS niet gehouden is de schade van [belanghebbende] te vergoeden, noch op grond van de verzekeringsovereenkomst, noch op grond van artikel 13 WAM. Daaruit volgt dan ook dat de vordering van London op RVS – die immers is gebaseerd op de stelling dat RVS aansprakelijk is jegens [belanghebbende] – dient te worden afgewezen. De overige stellingen van de partijen behoeven daarom geen behandeling meer.

2.10. Zoals in het tussenvonnis van 23 januari 2008 reeds is overwogen, zal ook de vordering van London jegens het Waarborgfonds op de in dat tussenvonnis weergegeven gronden worden afgewezen.

2.11. London zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

2.12. De kosten aan de zijde van RVS worden begroot op € 251,00 wegens vast recht en € 2.034,00 wegens salaris advocaat (4,5 punt × tarief € 452,00), dus in totaal op

€ 2.285,00. De nakosten zullen worden toegewezen als gevorderd.

2.13. De kosten aan de zijde van het Waarborgfonds worden begroot op € 251,00 wegens vast recht en € 904,00 wegens salaris advocaat (2 punten × tarief € 452,00), dus in totaal op € 1.155,00.

in reconventie

2.14. De eis in reconventie is voorwaardelijk ingesteld. Uit de beslissing in conventie vloeit voort dat de voorwaarde niet is vervuld, zodat op de vordering in reconventie geen beslissing hoeft te worden gegeven.

2.15. Het instellen van een voorwaardelijke eis in reconventie is onder de gegeven omstandigheden een redelijke vorm van verdediging voor RVS. London wordt daarom ook met betrekking tot het geding in reconventie als in het ongelijk gestelde partij in de zin van art. 237 Rv beschouwd en zal in de kosten van het geding in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van RVS worden begroot op € 452,00 wegens salaris advocaat (2 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00).

2.16. Al het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt London in de proceskosten, aan de zijde van RVS tot op heden begroot op € 2.285,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en aan de zijde van het Waarborgfonds tot op heden begroot op € 1.155,00,

in reconventie

3.3. verstaat dat de vordering geen behandeling behoeft,

3.4. veroordeelt London in de proceskosten, aan de zijde van RVS tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in conventie en in reconventie

3.5. veroordeelt London tevens in de nakosten, aan de zijde van RVS bepaald op

€ 205,00 voor (na)salaris procureur, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor (na)salaris procureur,

3.6. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. A.E.B. ter Heide en mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2009.