Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK0880

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-09-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/733
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging en aanvulling van de rapportage voor medisch dossier van de verzekeringsarts (verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), alsmede van het claimdossier en arbeidskundige rapportage. Het recht op verbetering en verwijdering van persoonsgegevens op grond van de Wbp is niet bedoeld om gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies omtrent de persoon van betrokkene, waarmee deze zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Het recht op correctie van een persoonsgegeven omvat niet slechts het weergeven van een noot. Dit is een onjuiste toepassing van artikel 36 van de Wbp. Indien de persoonsgegevens genoegzaam zijn gewijzigd, is er geen aanleiding om de rapportages geheel uit het dossier te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/733

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 24 september 2009

inzake

[naam ], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.A.C. van Etten,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder .

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 november 2006, uitgereikt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Arnhem.

2. Procesverloop

Bij brief van 21 juli 2006 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar medisch dossier is gecorrigeerd en aangevuld naar aanleiding van haar bij brief van 24 december 2005 ingediende verzoek daartoe.

Bij besluit van 8 november 2006 heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 21 juli 2006 herroepen en meegedeeld dat haar medisch dossier nader is gewijzigd.

Bij uitspraak van de rechtbank van 4 april 2008 is het door eiseres daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard (registratienummer 06/6334).

Hiertegen is hoger beroep in gesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft in haar uitspraak van 11 februari 2009 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank (registratienummer 09/733).

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 20 augustus 2009. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door [naam] en vertegenwoordigd door mr. J.A.C. van Etten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Smid.

3. Overwegingen

wettelijk kader

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt onder “persoonsgegeven” verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is de Wbp van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of dat het geval is.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wbp kan degene, aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien die feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft het verzoek van eiseres tot wijziging en aanvulling van de rapportage voor medisch dossier van verzekeringsarts R.W. Reddingius (hierna: Reddingius) van 30 november 2005 (met de wijzigingen op 3 januari 2006) opgevat als een verzoek zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wbp.

In aansluiting op de uitspraak van de ABRvS overweegt de rechtbank allereerst dat het besluit van 21 juli 2006 is te zien als het eerste besluit waarmee op het verzoek van eiseres is beslist. Op 22 mei 2006 heeft eiseres zich tot het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) gewend met een verzoek te bemiddelen bij het verkrijgen van correctie van haar gegevens bij verweerder. Omdat eiseres op dat moment nog niet in bezwaar was gegaan, is dit verzoek door het CBP naar verweerder gezonden ter behandeling als bezwaarschrift. De brief van 22 mei 2006 is derhalve aan te merken als het bezwaarschrift. Bij besluit van 21 juli 2006 heeft verweerder op het bezwaarschrift beslist. De rechtbank concludeert dat het bezwaarschrift van 22 mei 2006 als een prematuur bezwaar in de zin van artikel 6:10 van de Awb moet worden gezien. Naar het oordeel van de rechtbank dient niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op grond daarvan achterwege te blijven.

In het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 21 juli 2006 herroepen en naar aanleiding van het advies van de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gullick van 18 september 2006 de rapportage van 3 januari 2006 gewijzigd, zoals aangegeven in bijlage I bij het bestreden besluit. Vervolgens heeft de verzekeringsarts de rapportage van 3 januari 2006 gecorrigeerd. De (oude) rapportage van 3 januari 2006 is uit het dossier verwijderd.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat niet alleen de rapportage voor het medisch dossier van Reddingius, maar ook de rapportage voor het claimdossier, alsmede de hiervan afgeleide rapportages dienen te worden gecorrigeerd. Voorts heeft zij verzocht de rapportages van Reddingius uit het dossier te verwijderen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat thans nog de volgende onderdelen in geding zijn:

1. De rapportage voor het medisch dossier van Reddingius;

2. De rapportage voor het claimdossier van Reddingius;

3. De arbeidskundige rapportage van Y. Zwartendijk-Van Hooff (hierna: Zwartendijk) en

afgeleide rapportages.

ad 1. De rapportage voor het medisch dossier

Eiseres stelt dat de rapportage voor het medisch dossier, ook na de laatste correctie van 1 november 2006 op basis van de rapportage door bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gullick van 18 september 2006, nog steeds feitelijke onjuistheden bevat. Daar waar dit aan de orde is, dient te worden opgenomen dat eiseres drie hernia’s heeft gehad en twee rugoperaties heeft ondergaan.

Niet in geding is dat eiseres drie hernia’s heeft gehad en twee rugoperaties heeft ondergaan.

Naar het oordeel van de rechtbank dient dit feit te worden aangemerkt als een persoonsgegeven in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp. Hieruit volgt dat verweerder dit onderdeel ten onrechte niet in de rapportage heeft gecorrigeerd, zodat niet is voldaan aan het verzoek van eiseres. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

Eiseres stelt voorts dat de passage “betrokkene hield een slag om de arm” moet worden verwijderd.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze gewenste correctie aan te merken als een indruk of conclusie omtrent de persoon van eiseres. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het recht op verbetering en verwijdering van persoonsgegevens op grond van de Wbp niet bedoeld om gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies omtrent de persoon van de betrokkene, waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen (onder meer de uitspraak van 16 maart 2005, LJN: AT0510). Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat genoegzaam aan het verzoek van eiseres is voldaan door de hierover gemaakte opmerking, zijnde “betrokkene kon zich helemaal niet verenigen met de gegevens …” als addendum aan de tekst van de rapportage toe te voegen.

Voor zover eiseres heeft gesteld dat de weigering van verweerder om correcties door te voeren onvoldoende is gemotiveerd, stelt de rechtbank vast dat deze stelling geen persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp betreft.

Deze stelling treft dan ook geen doel.

ad 2. De rapportage voor het claimdossier

De rapportage voor het claimdossier is respectievelijk op 1 november 2006, 15 februari 2007 en 3 april 2007 door verweerder gecorrigeerd. Eiseres stelt dat deze rapportage nog steeds onvoldoende gecorrigeerd is.

De rechtbank stelt vast dat in de rapportage voor het claimdossier - na de tweede correctie -noten zijn aangebracht van eiseres en de bezwaarverzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank omvat het recht op correctie van persoonsgegevens de feitelijke aanpassing van de desbetreffende persoonsgegevens en niet slechts het weergeven van een noot. Voor zover verweerder heeft volstaan met het vermelden van een noot, heeft verweerder een onjuiste toepassing gegeven aan het in artikel 36 van de Wbp neergelegde correctierecht ten aanzien van persoonsgegevens en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Voor het overige zijn de door eiseres gevraagde correcties aan te merken als indrukken, meningen of conclusies omtrent de persoon van eiseres. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder genoegzaam aan het verzoek van eiseres voldaan door de hierover gemaakte opmerkingen als addendum aan de tekst van de rapportage toe te voegen.

ad 3. Rapportage Zwartendijk

Eiseres stelt dat de handgeschreven aantekeningen in de rapportage van 7 februari 2006,

gecorrigeerd 21 november 2006, van Zwartendijk geen correcties zijn in de zin van de Wbp en dat deze digitaal moeten worden verwerkt. Bovendien dienen hierin de in het medisch dossier verwerkte correcties te worden doorgevoerd.

De rechtbank stelt vast dat in de bedoelde rapportage is vermeld dat bij eiseres sprake is van rugklachten als gevolg van tweemaal een hernia en een operatie. Niet in geding is dat dit een onjuiste weergave is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit persoonsgegeven ten onrechte niet in de tekst gecorrigeerd. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

Voor het overige is niet aannemelijk geworden dat buiten de arbeidskundige rapportage van Zwartendijk nog andere rapporten in het dossier aanwezig zijn waarin een wijziging, zoals hiervoor is aangegeven, zou moeten worden doorgevoerd.

Verzoek verwijderen rapportages Reddingius

Voor zover eiseres heeft gevraagd om de verwijdering van de rapportages van Reddingius uit het dossier merkt de rechtbank op dat er geen reden is voor het geheel uit het dossier verwijderen van de rapportages nadat bovengenoemde wijzigingen zijn aangebracht. Voor zover het de persoonsgegevens van eiseres betreft, zijn de rapportages dan correct. Het recht neergelegd in artikel 36 van de Wbp ziet niet op andere dan persoonsgegevens. Verweerder heeft als gezegd in die gevallen kunnen volstaan met het toevoegen van het schriftelijk commentaar van eiseres.

Conclusie

Nu het bestreden besluit (gedeeltelijk) genomen is in strijd met artikel 36 van de Wbp, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke met verwijzing naar het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 808,60 aan kosten van verleende rechtsbijstand (zijnde 2 punten voor het beroepschrift en het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het desgevraagd schriftelijk verstrekken van inlichtingen, alsmede de reiskosten ad € 3,60). Uitvoering gevend aan de uitspraak van de ABRvS van 11 februari 2009 acht de rechtbank tevens termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep welke door de ABRvS zijn bepaald op € 644. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond voor zover het de persoonsgegevens in de medische rapportage, de claimrapportage en de rapportage Zwartendijk betreft;

vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1452,60;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 141 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 24 september 2009