Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK0431

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
183468
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beschikking van 1 september 2009 o.g.v. art. 1: 253t BW . verzoek van de alleen met het gezag belaste moeder om de pleegmoeder van de minderjarige mede met het gezag te belasten; verzoek is toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en Jeugd

Zaakgegevens: [nummer]

Datum uitspraak:

beschikking gezag

in de zaak van

[moeder] (nader te noemen: de moeder),

wonende te [woonplaats],

en

[pleegmoeder] (nader te noemen: de pleegmoeder),

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

advocaat mr. J.H.J. Joosten te Elst.

Belanghebbende is:

[vader] (nader te noemen: de vader),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het verloop van de procedure

Gezien de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 08 april 2009.

Gehoord ter zitting van 17 augustus 2009:

- de moeder en de pleegmoeder, bijgestaan door mr. J.H.J. Joosten;

- de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen noch vertegenwoordigd.

De feiten

Uit de relatie tussen de ouders is geboren de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag. De minderjarige maakt sedert medio 2000 deel uit van het gezin van de pleegmoeder. De pleegmoeder heeft de dagelijkse zorg over de minderjarige.

Het verzoek

Verzoekers verzoeken thans hen gezamenlijk te belasten met het gezag over voormelde minderjarige.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1: 253t lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één der ouders berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.

Ingevolge artikel 1: 253t lid 2 BW wordt in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder het verzoek slechts toegewezen, indien:

a) de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en

b) de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaar alleen met het gezag belast is geweest.

Ingevolge artikel 1: 253t lid 3 BW wordt het verzoek afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van de andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

De rechtbank overweegt dat vast is komen te staan dat is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1: 253t BW worden gesteld. De moeder oefent alleen het (ouderlijk) gezag uit over de minderjarige. De minderjarige heeft geestelijke en lichamelijke beperkingen. De pleegmoeder is de tante van de minderjarige. Ter ontlasting van de moeder verbleef de minderjarige veelvuldig in het gezin van de pleegmoeder. Wegens omstandigheden heeft de moeder in 2000 de dagelijkse zorg over de minderjarige toevertrouwd aan de pleegmoeder. Sedert medio 2000 maakt de minderjarige deel uit van het gezin van de pleegmoeder. Nu de pleegmoeder gedurende een periode van negen jaar de dagelijkse zorg over de minderjarige heeft gehad is de rechtbank van oordeel dat de pleegmoeder in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige.

De vraag of de moeder en de pleegmoeder gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de zorg voor de minderjarige hebben gehad in de zin van artikel 1:253t lid 2 onder a BW beantwoordt de rechtbank bevestigend en overweegt daartoe het volgende. Uit de parlementaire geschiedenis (MvA, kamerstukken 1996/97, 23 714, nr 238b, p 5) volgt dat het vormen van een gezinsverband niet is vereist. De wetgever heeft niet nader omschreven wat onder het begrip gezamenlijke zorg dient te worden verstaan. De nadere eisen zoals vastgesteld in artikel 253t lid 2 BW zijn ingevoerd ter bescherming van de positie van de ouder die tevens in een familierechtelijke betrekking tot het kind staat. Lichtvaardig gebruik van de mogelijkheid tot gezamenlijk gezag diende te worden voorkomen. Door de verzorgingsperiode van een jaar wordt gewaarborgd dat er sprake is van een bestendigheid van de relatie tussen de ouder met het gezag en degene die verzoekt mede met het gezag belast te worden (Nota n.a.v. het Verslag, kamerstukken 1995/1996, 23 714, nr 6, p 7, 8 en 9, MvA, kamerstukken 1996/97, 23 714, nr 238b, p 7 en 8). De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van gezamenlijke zorg door de moeder en de pleegmoeder, nu de moeder de afgelopen 9 jaar door middel van het uitoefenen van het gezag beslissingen neemt over de minderjarige en de pleegmoeder belast is met de dagelijkse zorg en opvoeding van de minderjarige.

Tot slot overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat bij inwilliging van het verzoek, mede in het licht van de belangen van de vader, er gegronde vrees bestaat dat de belangen van de minderjarige worden verwaarloosd. Ter zitting is gebleken dat de moeder de afgelopen jaren beslissingen over de minderjarige in gezamenlijk overleg heeft genomen met de pleegmoeder, zodat daarmee de situatie in juridisch opzicht in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De rechtbank zal het verzoek van de moeder en de pleegmoeder dan ook toewijzen.

De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat het gezag over de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wordt uitgeoefend door de moeder en de pleegmoeder, [pleegmoeder];

bepaalt dat de onder 1 genoemde beslissing uitvoerbaar is bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Barrau, rechter, in tegenwoordigheid van G.J. Prinsen als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.