Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK0408

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
AWB 08/1845
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur gedane verzoek om een afschrift van alle documenten die betrekking hebben op het informeren van derden omtrent het voornemen om de ten behoeve van eiser gevraagde verklaring van geen bezwaar te weigeren en omtrent het besluit waarbij de verklaring van geen bezwaar geweigerd is, is terecht afgewezen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er ten aanzien van de verzochte stukken wel documenten onder de minister berusten die niet onder het gesloten verstrekkingenregime van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/1845

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 september 2009

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door prof.mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam,

tegen

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 maart 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2007 heeft verweerder het door eiser bij brief van 12 juni 2007 met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) gedane verzoek om een afschrift van alle documenten die betrekking hebben op het informeren van derden omtrent het voornemen om de ten behoeve van eiser gevraagde verklaring van geen bezwaar te weigeren en omtrent het besluit van verweerder van 18 augustus 2006, niet ingewilligd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is door eiser beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 22 juni 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door prof.mr. Nicolaï voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr.drs. J.W. Severijnen, werkzaam bij verweerders ministerie.

3. Overwegingen

3.1 Ten aanzien van het door eiser met een beroep op de WOB gedane verzoek om afschriften van documenten is door hem bij brief van 3 juli 2007 te kennen gegeven dat zijn verzoek geen betrekking heeft op door of ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) verwerkte gegevens, maar uitsluitend betrekking heeft op de uitoefening van de in de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo) aan verweerder toegekende bevoegdheid tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar en op informatie omtrent de reikwijdte van geheimhoudingsbepalingen.

Standpunten van partijen

3.2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de uitvoering van de Wvo binnen zijn ministerie volledig in handen ligt van de AIVD. Dit leidt verweerder tot het standpunt dat alle gegevens van het veiligheidsonderzoek onder het verstrekkingenregime van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) vallen. Voorts heeft verweerder medegedeeld dat buiten het kader van de Wiv 2002 bij zijn ministerie geen gegevens aanwezig zijn die betrekking hebben op veiligheidsonderzoeken.

3.3 Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op de door hem aangevoerde gronden zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

Wettelijk kader

3.4 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wvo wordt, alvorens een verklaring van geen bezwaar wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de AIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld.

3.5 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, d, en f, van de Wiv 2002 wordt – voor zover hier van belang – in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

dienst: de AIVD;

gegevens: persoonsgegevens en andere gegevens;

gegevensverwerking of verwerking van gegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot gegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wiv 2002 heeft de AIVD in het belang van de nationale veiligheid tot taak het verrichten van veiligheidsonderzoeken als bedoeld in de Wvo.

In hoofdstuk 4 van de Wiv 2002 is de kennisneming van door of ten behoeve van de diensten verwerkte gegevens geregeld.

Ingevolge artikel 45 van de Wiv 2002 kan, onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.3 verstrekte gegevens, van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Ingevolge artikel 46 van de Wiv 2002 wordt in dit hoofdstuk onder document, bestuurlijke aangelegenheid, intern beraad, persoonlijke beleidsopvatting, ambtelijk of gemengd samengestelde adviescommissie verstaan, hetgeen daaronder in artikel 1 van de WOB wordt verstaan.

Beoordeling

3.6 De rechtbank stelt voorop dat, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 12 december 1995, AB 1996/332, ook heeft geoordeeld ten aanzien van de regeling in de artikelen 16 en 17 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (oud) (WIV) en mede blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wiv 2002 (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 877, nr. 3, p.62), in hoofdstuk 4 van de Wiv 2002 een uitputtende openbaarheidsregeling is vervat ten aanzien van de kennisneming van door of ten behoeve van de AIVD verwerkte gegevens, welke als bijzondere regeling voorrang heeft boven die van de WOB.

In geding is derhalve de vraag of de documenten waar door eiser om is verzocht, zo deze onder verweerder berusten, onder het bereik van de algemene openbaarheidsregeling van de WOB vallen.

3.7 Uit het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Wvo en artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wiv 2002 vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat de besluitvorming over de verklaring van geen bezwaar geheel of in overwegende mate is gegrond op gegevens verwerkt door of ten behoeve van de AIVD.

Gelet daarop acht de rechtbank de mededeling van verweerder dat buiten het kader van de Wiv 2002 bij zijn ministerie geen gegevens aanwezig zijn die betrekking hebben op veiligheidsonderzoeken, niet ongeloofwaardig.

3.8 De rechtbank overweegt voorts dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van de door hem verzochte stukken wel documenten onder verweerder berusten die niet onder het gesloten verstrekkingenregime van de Wiv 2002 vallen. Het betoog van eiser dat het verstrekkingenregime van hoofdstuk 4 van de Wiv 2002 enkel van toepassing is op persoonsgegevens die door de AIVD in het kader van het in artikel 7 van de Wvo voorgeschreven onderzoek zijn verwerkt en niet op de gevraagde documenten, kan, gelet op het onder 3.7 overwogene, niet gevolgd worden. Daarbij wordt aangetekend dat “gegevens” in de zin van artikel 45 van de Wiv 2002, gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder d, van de Wiv 2002, betrekking heeft op persoonsgegevens én andere gegevens. Tot slot wordt overwogen dat in de onder 3.6 aangehaalde wetgeschiedenis evenmin enig aanknopingspunt is gelegen voor de door eiser voorgestane beperkte toepassing van het verstrekkingenregime op grond van de Wiv 2002.

Conclusie

3.9 Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen. Het bestreden besluit kan derhalve in rechte stand houden en het daartegen gerichte beroep dient om die reden ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. J.J. Penning, als voorzitter, J.M. Neefe en W.R.H. Lutjes, rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Koster, griffier.

De griffier, De voorzitter,

In het openbaar uitgesproken op: 17 september 2009

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 17 september 2009