Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK0402

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
05/987522-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezien het feit dat de medische wetenschap leert dat asbest als het ware als een depot in het lichaam blijft en dat de vezels niet afbreken en nauwelijks uit het lichaam verdwijnen en samen met eerdere of latere blootstelling een kritische waarde kan worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen, alsmede dat bij een asbestgerelateerde ziekte als een maligne mesothelioom naar de huidige stand van medische kennis geen genezende behandeling mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels door een ongecontroleerde, systematische bewerking van asbesthoudend materiaal per definitie als “ernstige schade voor de gezondheid” onderscheidenlijk “levensgevaar” (en afhankelijk van de omstandigheden “gevaar voor de openbare gezondheid”) in de zin van artikel 32, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet respectievelijk artikel 173a en 173b Wetboek van Strafrecht aangemerkt dienen te worden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2009/54 met annotatie van D. van der Meijden

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige economische strafkamer

Promis I

Parketnummer : 05/987522-06

Data zittingen : 5 april 2007, 21 juni 2007, 3 juli 2008, 22 januari 2009, 2 juli 2009,

24 september 2009

Datum uitspraak : 8 oktober 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. P.J.F.M. de Kerf, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

[naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V., één of meermalen op of omstreeks

31 januari 2005, althans in of omstreeks de periode van 25 januari 2005 tot en

met 8 februari 2005, te Spijk, gemeente Rijnwaarden, (elk) als werkgever samen

en in vereniging met één of meer andere werkgever(s) handelingen hebben/heeft

verricht en/of hebben/heeft nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet 1998 en/of de daarop berustende bepalingen terwijl

daardoor, naar zij wist(en) of redelijkerwijs moest(en) weten, levensgevaar of

ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te

verwachten was,

immers hebben/heeft [naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. en/of één of

meer andere werkgever(s) (telkens) één of meer werknemers:

-een droogkamer laten slopen/demonteren, waarin asbest en/of asbestkoord was

verwerkt,

-laten werken in een hal waarin asbest aanwezig was,

-asbest bevattend puin laten verwijderen/afvoeren met een aantal

vrachtwagens, waarbij tijdens het laden van die vrachtwagens stofwolken

ontstonden,

en/of

-asbest bevattend puin, laten storten althans op en/of in de bodem laten

brengen, waarbij stofwolken ontstonden,

terwijl aan die werknemer(s) geen adembeschermende middelen ter beschikking

werden gesteld, in elk geval voornoemde werkzaamheden hebben/heeft laten

verrichten terwijl die werknemer(s) niet tegen asbest besmetting waren/was

beschermd,

zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen of een ander dan

wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij één of meermalen op of omstreeks 31 januari 2005, althans in of omstreeks

de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari 2005, te Spijk, gemeente

Rijnwaarden, als werkgever samen en in vereniging met één of meer andere

werkgever(s) handelingen heeft verricht en/of heeft nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet 1998 en/of de daarop berustende bepalingen terwijl

daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of

ernstige

schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten

was,

immers heeft verdachte en/of één of meer andere werkgever(s) (telkens) één of

meer werknemers:

-een droogkamer laten slopen/demonteren, waarin asbest en/of asbestkoord was

verwerkt

-laten werken in een hal waarin asbest aanwezig was,

-asbest bevattend puin laten verwijderen/afvoeren met een aantal

vrachtwagens, waarbij tijdens het laden van die vrachtwagens stofwolken

ontstonden,

en/of

-asbest bevattend puin, laten storten althans op en/of in de bodem laten

brengen, waarbij stofwolken ontstonden,

terwijl aan die werknemer(s) geen adembeschermende middelen ter beschikking

werden gesteld, in elk geval voornoemde werkzaamheden hebben/heeft laten

verrichten terwijl die werknemer(s) niet tegen asbest besmetting waren/was

beschermd;

2.

[naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. op één of meer tijdstippen op of

omstreeks 31 januari 2005, althans in of omstreeks de periode van 25 januari

2005 tot en met 8 februari 2005, te Spijk, gemeente Rijnwaarden, samen en in

vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, (telkens) opzettelijk en

wederrechtelijk, bij de sloop van een droogkamer, bij het verwijderen/afvoeren

van puin en/of bij het storten althans het op en/of in de bodem brengen van

puin, één of meer stoffen, te weten asbest en/of asbestvezels, op en/of in de

bodem en/of in de lucht hebben/heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de

openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten was,

immers hebben/heeft [naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. en/of diens

mededader(s) -zakelijk weergegeven-:

-een droogkamer gesloopt waarbij een deel van het uit asbestgolfplaten

bestaande dak van de hal waarin zich de droogkamer bevond, is ingestort

waarbij een aantal asbest golfplaten kapot is gevallen en waarbij

een grote stofwolk is ontstaan,

-asbesthoudend afdichtingskoord verpulverd door er met rijdend materieel

overheen te rijden,

-asbest bevattend puin in een aantal vrachtwagens geladen en/of (vervolgens)

op en/of in de bodem gestort waarbij een stofwolk is ontstaan,

op zodanige wijze dat een (grote) hoeveelheid asbest en/of asbestvezels op

en/of in de bodem terecht kwam(en) en/of in de lucht werd(en) gebracht

terwijl bij het inademen van die asbest en/of asbestvezels, de asbest en/of

de asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen

veroorzaken zoals longkanker en/of mesothelioom -zijnde buik- en

longvlieskanker-),

zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen of een ander dan

wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 31 januari 2005, althans in of

omstreeks de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari 2005, te Spijk,

gemeente Rijnwaarden, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel

alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk, bij de sloop van een

droogkamer, bij het verwijderen/afvoeren van puin en/of bij het storten

althans het op en/of in de bodem brengen van puin, één of meer stoffen, te

weten asbest en/of asbestvezels, op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft

gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar

voor een ander te duchten was,

immers hebben/heeft verdachte en/of verdachtes mededader(s) -zakelijk

weergegeven-:

-een droogkamer gesloopt waarbij een deel van het uit asbestgolfplaten

bestaande dak van de hal waarin zich de droogkamer bevond, is ingestort

waarbij een aantal asbest golfplaten kapot is gevallen en waarbij

een grote stofwolk is ontstaan,

-asbesthoudend afdichtingskoord verpulverd door er met rijdend materieel

overheen te rijden,

-asbest bevattend puin in een aantal vrachtwagens geladen en/of (vervolgens)

op en/of in de bodem gestort waarbij een stofwolk is ontstaan,

op zodanige wijze dat een (grote) hoeveelheid asbest en/of asbestvezels op

en/of in de bodem terecht kwam(en) en/of in de lucht werd(en) gebracht

terwijl bij het inademen van die asbest en/of asbestvezels, de asbest en/of

de asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen

veroorzaken zoals longkanker en/of mesothelioom -zijnde buik- en

longvlieskanker-);

meer subsidiair:

het aan [naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. en/of diens/hun

mededader(s) schuld te wijten is dat op één of meer tijdstippen op of

omstreeks 31 januari 2005, althans in of omstreeks de periode van 25 januari

2005 tot en met 8 februari 2005, te Spijk, gemeente Rijnwaarden, samen en in

vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, (telkens) wederrechtelijk,

bij de sloop van een droogkamer, bij het verwijderen/afvoeren van puin en/of

bij het storten althans het op en/of in de bodem brengen van puin, één of meer

stoffen, te weten asbest en/of asbestvezels, op en /of in de bodem en/of in de

lucht werden gebracht,

terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een

ander te duchten was,

immers hebben/heeft [naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. en/of

diens/hun mededader(s) -zakelijk weergegeven-:

-een droogkamer gesloopt op zodanige wijze dat daarbij een deel van het uit

asbestgolfplaten bestaande dak van de hal waarin zich de droogkamer bevond,

is ingestort waarbij een aantal asbest golfplaten kapot is gevallen en

waarbij een grote stofwolk is ontstaan,

-asbesthoudend afdichtingskoord verpulverd door er met rijdend materieel

overheen te rijden,

-asbest bevattend puin in een aantal vrachtwagens geladen en/of (vervolgens)

op en/of in de bodem gestort waarbij een stofwolk is ontstaan,

op zodanige wijze dat een (grote) hoeveelheid asbest en/of asbestvezels op

en/of in de bodem terecht kwam(en) en/of in de lucht werd(en) gebracht

terwijl bij het inademen van die asbest en/of asbestvezels, de asbest en/of

de asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen

veroorzaken zoals longkanker en/of mesothelioom -zijnde buik- en

longvlieskanker-),

zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen of een ander dan

wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

meest subsidiair:

het aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) schuld te wijten is dat op één

of meer tijdstippen op of omstreeks 31 januari 2005, althans in of omstreeks

de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari 2005, te Spijk, gemeente

Rijnwaarden, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen,

(telkens) wederrechtelijk, bij de sloop van een droogkamer, bij het

verwijderen/afvoeren van puin en/of bij het storten althans het op en/of in de

bodem brengen van puin, één of meer stoffen, te weten asbest en/of

asbestvezels, op en /of in de bodem en/of in de lucht werden gebracht,

terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een

ander te duchten was,

immers hebben/heeft verdachte en/of verdachtes mededader(s) -zakelijk

weergegeven-:

-een droogkamer gesloopt op zodanige wijze dat daarbij een deel van het uit

asbestgolfplaten bestaande dak van de hal waarin zich de droogkamer bevond,

is ingestort waarbij een aantal asbest golfplaten kapot is gevallen en

waarbij een grote stofwolk is ontstaan,

-asbesthoudend afdichtingskoord verpulverd door er met rijdend materieel

overheen te rijden,

-asbest bevattend puin in een aantal vrachtwagens geladen en/of (vervolgens)

op en/of in de bodem gestort waarbij een stofwolk is ontstaan,

op zodanige wijze dat een (grote) hoeveelheid asbest en/of asbestvezels op

en/of in de bodem terecht kwam(en) en/of in de lucht werd(en) gebracht

terwijl bij het inademen van die asbest en/of asbestvezels, de asbest en/of

de asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen

veroorzaken zoals longkanker en/of mesothelioom -zijnde buik- en

longvlieskanker-);

3.

[naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. op of omstreeks 31 januari 2005,

althans in of omstreeks de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari

2005 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, terwijl zij samen en in vereniging met

anderen of een ander dan wel alleen, (telkens) op of in de bodem een handeling

hebben/ heeft verricht, te weten het op en/of in de bodem brengen van puin,

asbest en/of asbesthoudend materiaal (in een zogenaamde zandvang) en terwijl

zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat door die

handeling de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, (telkens) al dan

niet opzettelijk niet aan hun/haar verplichting hebben/heeft voldaan alle

maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hun/haar konden/kunnen worden

gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel,

terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de bodem te

saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel

mogelijk ongedaan te maken,

zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen of een ander dan

wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 31 januari 2005, althans in of omstreeks de periode van

25 januari 2005 tot en met 8 februari 2005 te Spijk, gemeente Rijnwaarden,

terwijl hij samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen,

telkens) op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten het op

en/of in de bodem brengen van puin, asbest en/of asbesthoudend materiaal

(in een zogenaamde zandvang) en terwijl hij wist, althans redelijkerwijs

had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden

verontreinigd en/of aangetast, (telkens) al dan niet opzettelijk niet aan zijn

verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van

hem konden/kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of

aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting

zich voordeed, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen

daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

4.

[naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. op of omstreeks 31 januari 2005,

althans in of omstreeks de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari 2005

te Spijk, gemeente Rijnwaarden, samen en in vereniging met anderen of een ander

dan wel alleen, al dan niet opzettelijk, op of in de bodem (zijnde de plaatsen

als bedoeld in project 7 van het proces-verbaal) een bouwstof, te weten al dan

niet asbest bevattend, ongebroken puin, hebben/heeft gebruikt, terwijl daarbij

niet werd voldaan aan de regels die bij en/of krachtens paragraaf 3 van

hoofdstuk 2 van het "Bouwstoffenbesluit bodem- en

oppervlaktewaterenbescherming" met betrekking tot het gebruiken van die

bouwstof zijn gesteld immers was voor de in bijlage 2 van voornoemd Besluit

vermelde organische stoffen niet de samenstelling van die bouwstof door een

door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, aangewezen instantie bepaald,

zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen of een ander dan

wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 31 januari 2005, althans in of omstreeks de periode van 25

januari2005 tot en met 8 februari 2005 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, samen en

invereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet opzettelijk,

op of in de bodem (zijnde de plaatsen als bedoeld in project 7 van het

proces-verbaal) een bouwstof, te weten al dan niet asbest bevattend,

ongebroken puin, heeft gebruikt, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de

regels die bij en/of krachtens paragraaf 3 van hoofdstuk 2 van het

"Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming" met betrekking

tot het gebruiken van die bouwstof zijn gesteld immers was voor de in bijlage

2 van voornoemd Besluit vermelde organische stoffen niet de samenstelling van

die bouwstof door een door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke

Ordening en Milieubeheer en de Minister van Verkeer en Waterstaat, aangewezen

instantie bepaald;

meer subsidiair:

[naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. op of omstreeks 31 januari 2005,

althans in of de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari 2005 te

Spijk, gemeente Rijnwaarden, terwijl zij samen en in vereniging met anderen of

een ander dan wel alleen, (telkens) op of in de bodem een handeling

hebben/heeft verricht, te weten het op en/of in de bodem (met name de plaatsen

als bedoeld in project 7 van het proces-verbaal) brengen van puin, asbest

en/of asbesthoudend materiaal en terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs

had(den) kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden

verontreinigd en/of aangetast, (telkens) al dan niet opzettelijk niet aan

hun/haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die

redelijkerwijs van hun/haar konden/kunnen worden gevergd, teneinde die

verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die

verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de bodem te saneren of de

aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk

zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen of een ander dan

wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 31 januari 2005, althans in of de periode van 25 januari

2005 tot en met 8 februari 2005 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, terwijl zij

samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, (telkens) op

of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten het op en/of in de bodem

(met name de plaatsen als bedoeld in project 7 van het proces-verbaal) brengen

van puin, asbest en/of asbesthoudend materiaal en terwijl hij wist, althans

redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon

worden verontreinigd en/of aangetast, (telkens) al dan niet opzettelijk niet

aan zijn verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die

redelijkerwijs van hem konden/kunnen worden gevergd, teneinde die

verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die

verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de bodem te saneren of de

aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk

5.

[naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. in of omstreeks de periode van 1

oktober 2004 tot en met 8 februari 2005 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, zonder

vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, al dan niet

opzettelijk, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen,

op andere wijze dan met behulp van een werk, een hoeveelheid asbest bevattend

puin, boomstronken, mergel, resten mangaan en/of graduliet, zijnde/althans

(een) afvalstof(fen), verontreinigende en/of schadelijke stof(fen)

hebben/heeft gebracht in een kolk, zijnde een oppervlaktewater, door

voornoemde stoffen in die kolk te storten,

zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen of een ander dan

wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 8 februari 2005

te Spijk, gemeente Rijnwaarden, zonder vergunning ingevolge de Wet

verontreiniging oppervlaktewateren, al dan niet opzettelijk, samen en in

vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, op andere wijze

dan met behulp van een werk, een hoeveelheid asbest bevattend puin,

boomstronken, mergel, resten mangaan en/of graduliet, zijnde / althans (een)

afvalstof(fen), verontreinigende en/of schadelijke stof(fen) heeft gebracht in

een kolk, zijnde een oppervlaktewater, door voornoemde stoffen in die kolk te

storten;

6.

[naam BV1] beheer B.V. en/of M.B. [naam BV2] B.V. in of omstreeks de periode van 1

oktober 2004 tot en met 8 februari 2005, te Spijk, gemeente Rijnwaarden, samen

en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, een watergang (kolk)

geheel of gedeeltelijk hebben/heeft gedempt,

zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen of een ander dan

wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 8 februari 2005,

te Spijk, gemeente Rijnwaarden, samen en in vereniging met anderen of een

ander dan wel alleen, een watergang (kolk) geheel of gedeeltelijk heeft

gedempt;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

Op 17 juli 2008 heeft de rechtbank door middel van een tussenvonnis het op 3 juli 2008 gesloten onderzoek heropend.

De zaak is laatstelijk op 24 september 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Wel is verschenen de raadsman van verdachte, mr. P.J.F.M. de Kerf, advocaat te Nijmegen. De raadsman is uitdrukkelijk gemachtigd.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van al het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De bevoegdheid van de rechtbank

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het onder 6 tenlastegelegde feit. De tenlastelegging is toegesneden op overtreding van artikel 9 lid 1 sub b Keur voor de watergangen / waterhuishouding van het Waterschap Rijn en IJssel (Keur). Anders dan de tenlastelegging wil doen geloven is de Keur niet gebaseerd op de WVO, maar op de Wet op de Waterhuishouding of de Waterschapswet. Dit zijn geen economische delicten, en zijn overtredingen (art. 51 Wwh en art. 81 Wsw). De rechtbank is niet bevoegd daarover te oordelen, indien door of namens de verdachte een beroep op de onbevoegdheid wordt gedaan, aldus de raadsman.

Beoordeling

De rechtbank volgt dit betoog niet.

Bij Wet van 6 december 2001 tot aanpassing van diverse wetten aan de modernisering van de rechterlijke organisatie en de instelling van een bestuur bij de gerechten (de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie) is artikel 349, tweede lid Sv komen te luiden :

“Indien een feit dat ingevolge artikel 382 voor de kantonrechter moet worden vervolgd, bij een andere kamer van de rechtbank aanhangig is gemaakt, kan het feit op verzoek van de verdachte of ambtshalve worden verwezen naar de kantonrechter.”

Het tweede bevat een bijzondere regeling voor samengestelde tenlasteleggingen. Deze bijzondere regeling is opnieuw geformuleerd in de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie (Stb. 2001, 584) en houdt verband met de opheffing van het kantongerecht als afzonderlijk gerecht, waarbij de kantonrechter als een enkelvoudige kamer is ondergebracht bij de rechtbanken. Allereerst volgt uit dit tweede lid dat de rechtbank zich niet meer onbevoegd dient verklaren, maar kan volstaan met een verwijzing naar de kantonrechter. Bovendien is dit een bevoegdheid en niet een plicht. Het verweer wordt derhalve verworpen.

2b. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Gelijkheidsbeginsel

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard Zij heeft namelijk gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het bedrijf [naam] B.V. is een erkend en gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, dat speciaal door verdachte is benaderd voor de sloop van de steenfabriek. Bovendien is [naam] BV civielrechtelijk aansprakelijk gesteld. Zij had dan ook vervolgd moeten worden. Er is derhalve sprake van schending van artikel 6 EVRM.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de verdediging ten onrechte heeft gesteld dat zij heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door [naam] B.V. niet te vervolgen. Het uitgangspunt is dat het opportuniteitsbeginsel geldt. Het enkele feit dat de ene verdachte wel wordt vervolgd en de andere niet, levert geen schending van het gelijkheidsbeginsel op. Hiervan is pas sprake bij een opzettelijke schending van de rechten van de verdachte. Niet kan worden gesteld dat er sprake is van gelijke gevallen. Dat de verzekeringsmaatschappij van [naam] B.V. in een later stadium schade vergoedt in een civielrechtelijke procedure is voor de strafrechtelijke beoordeling van de feiten niet relevant.

Beoordeling

Bij de beoordeling van dit verweer moet worden vooropgesteld worden dat, op grond van het in het tweede lid van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, de officier van justitie bevoegd is om af te wegen of gronden - ontleend aan het algemene belang - zich verzetten tegen vervolging. De wijze waarop - in geval van vervolging - die belangenafweging heeft plaatsgevonden staat niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien de vervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde kan er sprake zijn van een verval van het recht tot strafvordering en een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank is daarvan in onderhavige zaak niet gebleken. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Verjaring

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde feit, omdat het feit een overtreding betreft en er meer dat twee jaar tijd heeft gezeten tussen de overtreding en de dagvaarding, hetgeen betekent dat het feit is verjaard.

Beoordeling

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 6 tenlastegelegde feit een overtreding betreft, hetgeen betekent dat het feit is verjaard. De rechtbank zal derhalve het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van dit feit.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Feit 1 en 2

In de periode van 3 januari 2005 tot en met 8 februari 2005 zijn er op het terrein van de voormalige steenfabriek Lobith III, te Spijk, gemeente Rijnwaarden, diverse werkzaamheden verricht door meerdere personen. Er is een droogkamer gesloopt/gedemonteerd, waarin asbest en/of asbestkoord was verwerkt en waarbij een deel van het uit asbestgolfplaten bestaande dak van de hal waarin zich de droogkamer bevond, is ingestort, waarbij een aantal asbest golfplaten kapot is gevallen. Er is gewerkt in een hal waar asbest aanwezig was. Er is asbest bevattend puin verwijderd, in een aantal vrachtwagens geladen en op en in de bodem gestort en afgevoerd met een aantal vrachtwagens. Er is asbest bevattend puin gestort. En er is asbesthoudend afdichtingskoord verpulverd door er met rijdend materieel overheen te rijden. De daar werkzame personen waren niet tegen asbestbesmetting beschermd.

Feit 3

In voornoemde periode is op voornoemd terrein puin, asbest en asbesthoudend materiaal in de bodem gebracht (in een zogenaamde zandvang).

Feit 4

In voornoemde periode is op voornoemd terrein ongebroken puin op en in de bodem gebruikt.

Feit 5

In de periode van 1 oktober 2004 tot en met 8 februari 2005 is op voornoemd terrein met behulp van een werk, een hoeveelheid asbest bevattend puin, boomstronken, mergel, resten mangaan en granuliet in een kolk gebracht.

Standpunten van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde op grond van de volgende argumenten:

1. [naam BV1] Beheer B.V. was geen opdrachtgever; dit was een andere vennootschap van het [naam BV1]-concern, te weten [naam BV1] Buizen B.V..[naam BV1] Beheer B.V. was aldus niet degene tot wie de norm gericht was;

2. Er is geen sprake van werkgeverschap in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet (feit 1) en verdachte is geen feitelijk leidinggever, dan wel pleger of medepleger. De Arbeidsomstandighedenwet ziet niet op opdrachtgeverschap. Nu verdachte een professioneel iemand inhuurde, kan hij niet als werkgever of als feitelijk leidinggever aangemerkt worden.

3. Gelet op het rapport van Search Ingenieursbureau B.V. en de verklaringen van de getuige-deskundige [getuige-deskundige] ter zitting van 24 september 2009, kan niet worden gesteld dat er sprake was van levensgevaar, ernstige schade voor de volksgezondheid of gevaar voor de openbare gezondheid (feit 1 en 2). Technisch staat immers niet vast dat gezondheidsnormen zijn overschreden, althans niet gedurende een zodanige tijd dat gevaar te duchten is.

4. Er is geen sprake van wetenschap/opzet/schuld. Uit de diverse getuigenverklaringen volgt dat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat er in betekenisvolle mate asbest in het gebouw was, met uitzondering van de dakplaten, die echter in dit stadium niet verwijderd zouden worden; verdachte heeft bovendien deskundigen ingeschakeld om veilig te werken. Indien verdachte zich bewust was geweest van het gevaar, zou hij zichzelf niet hebben blootgesteld aan het asbest (verdachte is op 31 januari 2005 door controleurs van de gemeente ter plaats aangetroffen in een stofwolk). Verdachte heeft zich bovendien adequaat laten adviseren en bijstaan door gespecialiseerde bedrijven.

5. Er is geen sprake van een bouwstof in de zin van het Bouwstoffenbesluit (feit 4), aangezien zich in het dossier niet een samenstellingsrapport bevindt van de gebruikte stoffen, waaruit blijkt dat het gebruikte materiaal voldoet aan de in het Bouwstoffenbesluit gegeven definitie;

6. De waterkolk is geen oppervlaktewater, omdat er zich geen ecosysteem heeft ontwikkeld (feit 5).

Standpunten van de officier van justitie

Ten aanzien van de door de verdediging gevoerde verweren heeft de officier van justitie zich respectievelijk op de volgende standpunten gesteld:

1. [naam BV1] Beheer B.V. kan worden gezien als paraplu van diverse B.V.’s waarvan zij eigenaar is. De handelingen kunnen derhalve worden toegerekend aan [naam BV1] Beheer B.V.;

2. De overeenkomsten zijn aangegaan en de gewerkte uren zijn verrekend tussen de verdachte bedrijven, hetgeen betekent dat de verdachte bedrijven als werkgevers in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet dienen te worden beschouwd;

3. Het werken met asbest brengt - naar van algemene bekendheid is - ernstige gezondheidsrisico’s met zich;

4. Al voor aanvang van de werkzaamheden was het voor alle verdachten bekend dat zich asbest in het gebouw bevond. Ook kenden alle verdachten het asbestinventarisatierapport van Tauw. Ondanks dat op een gegeven moment voor iedereen duidelijk is dat er asbestverspreiding plaatsvindt, wordt er verdergegaan met slopen en uitrijden van het verontreinigde puin over het terrein. Zelfs als de gemeente duidelijk maakt dat er handelingen plaatsvinden in strijd met de Wet Bodembescherming wordt opdracht gegeven door te gaan met de werkzaamheden;

5. Bij het bedoelde werk gaat het om het toepassen van puin en puingranulaat. Op de foto’s in het dossier is het puin te zien. Gelet op artikel 1 lid 1 onder b van het Bouwstoffenbesluit is er derhalve sprake van een bouwstof;

6. Doordat de waterkolk in verbinding stond met een ander oppervlaktewater maakt die kolk onderdeel uit van dat andere oppervlaktewater.

Beoordeling

1e verweer (opdrachtgever)

De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden die in geding zijn, kunnen worden toegerekend aan [naam BV1] Beheer B.V. Uit een overzicht van B.V.’s behorende tot het [naam BV1]concern, blijkt dat op het adres [adres] een aantal B.V.’s is gevestigd. Zes daarvan, waaronder [naam BV1] Buizen B.V., zijn eigendom van [naam BV1] Beheer B.V.. Haar (zelfstandig bevoegde ) directeur H.J. [naam BV1] (verdachte) trad naar buiten toe zodanig op dat het de zakenpartners niet duidelijk was met welke B.V. uit het concern zij van doen hadden. De werkzaamheden werden gefactureerd aan “[naam BV1] BV” . Een specifieke aanwijzing dat verdachte of L. [naam] voor een andere BV uit de groep optraden dan verdachte, is er niet. Over [naam] verklaart [naam BV1] dat deze in dienst is van [naam BV1] Beheer BV. .

Nu [naam BV1] Beheer B.V. het complex in eigendom heeft verworven , zij dus economisch belang had bij de verrichte werkzaamheden, gaat de rechtbank ervan uit dat de werkzaamheden in haar sfeer zijn gedaan en rechtsgeldig in opdracht van deze BV zijn gedaan. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

2e verweer (werkgever/feitelijk leidinggever)

Verdachte, de eigenaar van het terrein, vaardigde geen vastomlijnde opdrachten uit waarvoor offertes op papier werden gezet. Door verdachte werden mondeling opdrachten verstrekt aan medeverdachten [naam BV2] M.B. B.V. en Ingenieursburo [naam] B.V. die pas achteraf op uurbasis werden verrekend en die in de loop van de werkzaamheden werden aangepast of uitgebreid. Vervolgens is [naam BV2] M.B. B.V. een mondelinge overeenkomst aangegaan met [naam] B.V. om een aantal mensen en materiaal te leveren. Deze mensen kregen ter plekke instructies. Feitelijk leidden al deze mondelinge overeenkomsten er toe dat de mensen die daadwerkelijk aan het werk waren op het terrein de directe instructies ontvingen van verdachte en medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2], [medeverdachte3].

Ook bij gebreke van een arbeidsovereenkomst kan sprake zijn van een werkgever-werknemerrelatie in de zin van de wet, indien arbeid onder gezag wordt verricht. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat een gezagsverhouding aanwezig kan worden geacht wanneer de opdrachtgever het recht heeft toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven en de opdrachtnemer verplicht is een en ander te aanvaarden ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen. In onderhavige zaak was daar, gelet op de getuigenverklaringen, sprake van. Verdachte gaf ter plekke veelvuldig instructies en opdrachten. Hierbij is voorts van belang dat de in de Arbeidsomstandighedenwet gedefinieerde werkgever, hoe vaak hij ook delegeert, uiteindelijk nagenoeg altijd eindverantwoordelijke is voor de juiste toepassing van de wet. Zoals in de bespreking van het verweer onder 1. werd aangegeven, is de rechtbank van oordeel dat de opdrachten voor verdachte zijn gegeven.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank tevens van oordeel dat verdachte als medepleger feitelijk leiding heeft gegeven. Verdachte was de eigenaar van het terrein en heeft zelf ter terechtzitting verklaard dat er op het terrein in mijn opdracht gewerkt en dat hij daar is geweest en instructies heeft gegeven. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer op dit punt.

3e verweer (levensgevaar/ernstige schade voor de volksgezondheid of gevaar voor de openbare gezondheid)

Zijdens de verdediging is ter zitting van 24 september 2009, met een beroep op de verklaringen van de getuige-deskundige [getuige-deskundige], aanvullend aangevoerd dat op de bevindingen van TNO en [deskundige 2] af te dingen valt. Opvegen met bezems, uitgevoerd door TNO ten behoeve van de simulatie, is aan te merken als een extra bewerking, waardoor meer (tot op dat moment in koord- of plaatdeeltjes gebonden) asbestdeeltjes zijn vrijgekomen. Bovendien bevond zich op het moment van simulatie veel meer asbest op de bodem dan op het moment dat er gewerkt werd. Op het moment van opvegen, waren immers vrijwel alle deeltjes neergeslagen. De simulatie kan dus een veel hogere concentratie hebben veroorzaakt dan waarvan sprake was tijdens de werkzaamheden. De verdediging meent dus dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de concentratie vrijgekomen asbestvezels op enig moment de geldende normen heeft overschreden.

Het verweer van de verdediging gaat impliciet uit van de gedachte dat de onderhavige delicten slechts bewijsbaar zijn indien uit technisch onderzoek blijkt dat geldende normen ter zake overschreden zijn. De bewoordingen van artikel 32, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet respectievelijk artikel 173a en 173b Wetboek van Strafrecht dwingen echter daartoe niet. Deze redenering zou er bovendien toe leiden dat de onderhavige bepalingen praktisch onbewijsbaar zouden zijn juist doordat een verdachte op ongecontroleerde wijze met asbest heeft gewerkt. Een dergelijke manier van werken betekent dat bijna per definitie achteraf precieze concentraties nauwelijks meer vast te stellen zijn. Dit kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

De rechtbank merkt op dat niet in het geding is dat blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk is vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. De vraag is of bewezen kan worden dat werknemers en/of anderen in zodanige mate aan asbestvezels hebben blootgestaan dat hierdoor levensgevaar of ernstige gezondheidsschade voor werknemers, de openbare gezondheid of anderen is veroorzaakt of te verwachten of te duchten is dat dergelijke schade ontstaat.

De rechtbank onderkent dat achteraf niet of moeilijk precies is vast te stellen of in dit geval mensen inderdaad in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte zullen ontwikkelen. Wel acht de rechtbank bewezen op basis van de deskundigenrapporten van TNO en [deskundige 2] dat werknemers gedurende de ten laste gelegde periode aan aanmerkelijke, niet te verwaarlozen asbestvezelconcentraties zijn blootgesteld.

Ter zitting van 2 juli 2009 heeft de rechtbank aan de aanwezige deskundigen [deskundige1] en [deskundige 2] de vraag voorgelegd of blootstelling aan asbestvezels altijd nadelige gevolgen voor de gezondheid heeft. De deskundigen gaven aan dat de medische wetenschap leert dat asbest als het ware als een depot in het lichaam blijft en dat de vezels niet afbreken en nauwelijks uit het lichaam verdwijnen. Samen met eerdere of latere blootstelling kan een kritische waarde worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen.

Gelet daarop en gezien het feit dat bij een asbestgerelateerde ziekte als een maligne mesothelioom, naar van algemene bekendheid is, naar de huidige stand van medische kennis geen genezende behandeling mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels door een ongecontroleerde, systematische bewerking van asbesthoudend materiaal per definitie als “ernstige schade voor de gezondheid” onderscheidenlijk “levensgevaar” (en afhankelijk van de omstandigheden “gevaar voor de openbare gezondheid”) in de zin van artikel 32, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet respectievelijk artikel 173a en 173b Wetboek van Strafrecht aangemerkt dienen te worden. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

4e verweer (opzet)

Wetenschap

Uit de stukken volgt dat de rapportage van Tauw, inhoudende een asbestinventarisatie in 2003, in ieder geval op 24 september 2004 door het notariskantoor is verzonden aan [naam BV1] IJzer Groep t.a.v. verdachte en/of L. [naam]. Tevens is gebleken dat deze stukken onderdeel uitmaakten van de eigendomsoverdracht. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze stukken niet heeft gelezen en dit overliet aan de ‘professionals’. L. [naam], assistent van verdachte, was degene die namens verdachte betrokken is geweest bij de aankoop van het terrein.

L. [naam] heeft ter terechtzitting van 3 juli 2008 verklaard dat hij voor de aankoop van het terrein de hele rapportage van Tauw heeft gelezen en deze op zijn wijze heeft geïnterpreteerd.

Verdachte heeft verder ten overstaan van de verbalisanten van VROM verklaard dat hij bij de aankoop van de fabriek heeft gezien dat er asbest dakplaten op lagen.

Getuige J.T. [getuige1], die op het terrein werkzaam is geweest, heeft verklaard dat hij met verdachte meerdere malen heeft gesproken over het verwijderen en uitbesteden van de asbestkopgevel.

Medeverdachte L. [medeverdachte3] heeft verklaard dat na 31 januari 2005, de dag waarop het werk op het terrein in opdracht van de gemeente in stilgelegd, alsnog granulaat is gestort op het terrein. Dit is volgens [medeverdachte3] gebeurd in opdracht van verdachte, waarbij hij zou hebben gezegd: ,,Dek het maar af, anders leggen ze mij het werk stil”. [medeverdachte3] heeft tevens verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij een pallet met asbestplaten binnen moest zetten. Verdachte is op de locatie geweest na het instorten van het gebouw.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er wel degelijk sprake is geweest van wetenschap over de aanwezigheid asbest aan de zijde van verdachte. Dat verdachte ervoor gekozen heeft de betreffende asbestrapportages van Tauw niet te lezen en dat overliet aan anderen (zijnde in zijn ogen professionals) doet hieraan niet af nu het tot zijn taak en verantwoordelijkheid als directeur behoort om zich op de hoogte stellen van dergelijk relevante feiten en omstandigheden.

Opzet

Hoewel de kennis over asbest aanwezig was werd hier bewust geen aandacht aan besteed in de vorm van een nader onderzoek (zoals door Tauw geadviseerd) en het nemen van asbestbeschermde maatregelen. Zo was, op één enkele uitzondering na, geen van de bij de sloopwerkzaamheden betrokken bedrijven officieel gecertificeerd als asbestverwijderingsbedrijf of beschikte deze over specifieke deskundigheid op dit punt.

Met genoemde wetenschap werden door verdachte en zijn assistent instructies verstrekt die onvermijdelijk zouden gaan leiden tot het plegen van strafbare feiten.

Bovendien is doorgewerkt na instorting van het dak, waarbij op ongecontroleerde wijze asbesthoudend materiaal is vrijgekomen. Hieruit volgt dat de tenlastegelegde gedragingen opzettelijk zijn gepleegd.

De verweren hieromtrent worden verworpen.

5e verweer (bouwstof)

Op 22 maart 2005 is een uitgebreid technisch onderzoek uitgevoerd naar de samenstelling van het puin dat was aangebracht op de bodem van het terrein ten behoeve van een afrit. De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in het dossier.

Door onderzoek is vastgesteld dat de ophoging aangeduid met object 19 uit een laag ongebroken puin met een laagdikte van ongeveer 25 centimeter bestond. Op deze laag was puingranulaat met een korrelgrootte verdeling van 16-40 millimeter en een laagdikte van ongeveer 10 centimeter aangebracht. De ongebroken laag bevatte meerdere delen asbesthoudend materiaal waarvan door analyse werd vastgesteld dat deze delen 10-15% chrysotiel (wit asbest) bevatten. Door het onderzoek is tevens vastgesteld dat de ophoging en de afrit aangeduid met object 18 uit een afdeklaag van puingranulaat met daaronder een laag ongebroken puin en bakstenen bestond. Op deze ophoging werden restanten systeemwanden aangetroffen waarvan door middel van analyse werd vastgesteld, dat deze 10-15% chrysotiel bevatten, evenals restanten van stukgebroken asbestverdachte golfplaten. Van dit asbestverdachte materiaal zijn geen monsters genomen.

Gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige2] en [getuige3] kwam het puin voor deze objecten in eerste instantie uit het depot, de zogenaamde stukkenbult en later uit de fabriek. Getuige Van [getuige4] heeft voorts verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte2] een aantal keren met een oude wals het achterterrein vlak heeft gewalst; eerst het grove puin dat afkomstig was uit de fabriek en daarna het rode puingranulaat.

Artikel 1 lid 1 sub b van het Bouwstoffenbesluit geeft aan dat minimaal 10% van de aangetroffen stof moet bestaan uit silicium, calcium en aluminium, wil het puingranulaat zijn aan te merken als bouwstof. Deze drie elementen vormen in zijn algemeenheid juist de hoofdbestanddelen van puin, waarbij de ondergrens van 10% is opgenomen om juist andere stoffen dan puin(granulaat) en grond uit te sluiten van het Bouwstoffenbesluit. Dit blijkt eveneens uit het feit dat bij de eisen die vervolgens aan de toe te passen bouwstof worden gesteld geen parameters aan juist deze bestanddelen worden gesteld. Het zijn namelijk geen verontreinigende uitlogende stoffen.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat er sprake is van een bouwstof in de zin van het Bouwstoffenbesluit.

6e verweer (oppervlaktewater)

Op het buitenterrein van de voormalige steenfabriek bevond zich aan de achterzijde van de opslag van [naam] Recycling B.V. een kolk ter grootte van maximaal 95 x 35 meter. Deze kolk stond door middel van watergangen in open verbinding met de Oude Rijn. Ecologisch gezien werd de omgeving van deze kolk omschreven als een fraai verwilderd gebied met de nodige flora en fauna.

Voor de vraag wat onder oppervlaktewater moet worden verstaan is van belang dat in bijzonder uit hetgeen door de Regering bij monde van de Minister van Verkeer en Waterstaat is opgemerkt ter gelegenheid van het met een bijzondere commissie uit de Tweede kamer gevoerde mondelinge overleg (ontwerp 7884, zitting 1967-1968, stuknummer 9, punt 41) volgt dat het, in de wet niet gedefinieerde begrip oppervlaktewater ruim moet worden uitgelegd.

Als oppervlaktewater in de zin der wet is in deze zin te beschouwen een - anders dan louter incidenteel aanwezige - aan het aardoppervlak en aan de open lucht grenzende watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende organismen en een niet-levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft ontwikkeld. Van dit laatste is geen sprake, nu immers sprake is van een aanwezig ecosysteem.

De omstandigheid dat (een gedeelte van) de kolk afgescheiden was ontneemt daaraan niet het karakter van oppervlaktewater. Een andere opvatting leidt tot het onwenselijke resultaat dat rechthebbenden op een oppervlaktewater hun lozingen daarop zouden kunnen brengen enkel door dat water tot dit doel af te scheiden van het overige oppervlaktewater.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat het Waterschap Rijn en IJssel te Doetinchem dit water in de zomer van 2004 nog heeft aangemerkt als oppervlaktewater.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de waterkolk kan worden aangemerkt als oppervlaktewater en verwerpt derhalve het verweer.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

[naam BV1] beheer B.V. en M.B. [naam BV2] B.V., meermalen omstreeks de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari 2005, te Spijk, gemeente Rijnwaarden, elk als werkgever samen

en in vereniging met andere werkgevers handelingen hebben nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de daarop berustende bepalingen terwijl

daardoor, naar zij wisten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers te verwachten was, immers hebben [naam BV1] beheer B.V. en M.B. [naam BV2] B.V. en andere werkgevers één of meer werknemers:

-een droogkamer laten slopen/demonteren, waarin asbest en/of asbestkoord was

verwerkt,

-laten werken in een hal waarin asbest aanwezig was,

-asbest bevattend puin laten verwijderen/afvoeren met een aantal

vrachtwagens, waarbij tijdens het laden van die vrachtwagens stofwolken

ontstonden,

en

-asbest bevattend puin, laten storten waarbij stofwolken ontstonden,

terwijl aan die werknemers geen adembeschermende middelen ter beschikking

werden gesteld, in elk geval voornoemde werkzaamheden hebben laten

verrichten terwijl die werknemers niet tegen asbest besmetting waren/was

beschermd, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[naam BV1] beheer B.V. en M.B. [naam BV2] B.V. op tijdstippen omstreeks de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari 2005, te Spijk, gemeente Rijnwaarden, samen en in

vereniging met anderen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk, bij de sloop van een droogkamer, bij het verwijderen/afvoeren van puin en bij het storten van

puin, stoffen, te weten asbest en asbestvezels, op en/of in de

bodem en/of in de lucht hebben/heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de

openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten was,

immers hebben [naam BV1] beheer B.V. en M.B. [naam BV2] B.V. en diens

mededader(s) -zakelijk weergegeven-:

-een droogkamer gesloopt waarbij een deel van het uit asbestgolfplaten

bestaande dak van de hal waarin zich de droogkamer bevond, is ingestort

waarbij een aantal asbest golfplaten kapot is gevallen en waarbij

een grote stofwolk is ontstaan,

-asbesthoudend afdichtingskoord verpulverd door er met rijdend materieel

overheen te rijden,

-asbest bevattend puin in een aantal vrachtwagens geladen en/of (vervolgens)

op en/of in de bodem gestort waarbij een stofwolk is ontstaan,

op zodanige wijze dat een (grote) hoeveelheid asbest en asbestvezels op

en/of in de bodem terecht kwamen en in de lucht werden gebracht

terwijl bij het inademen van die asbest en asbestvezels, de asbest en

de asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen

veroorzaken zoals longkanker en mesothelioom -zijnde buik- en

longvlieskanker-), zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

[naam BV1] beheer B.V. en M.B. [naam BV2] B.V. omstreeks de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari

2005 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, terwijl zij samen en in vereniging met

anderen telkens op of in de bodem een handeling hebben/ heeft verricht, te weten het op en in de bodem brengen van puin, asbest en/of asbesthoudend materiaal (in een zogenaamde zandvang) en terwijl zij wisten, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, telkens opzettelijk niet aan hun verplichting hebben voldaan alle

maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hun konden/kunnen worden

gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel,

terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de bodem te

saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel

mogelijk ongedaan te maken, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen aan die verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

[naam BV1] beheer B.V. en M.B. [naam BV2] B.V. omstreeks de periode van 25 januari 2005 tot en met 8 februari 2005 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, samen en in vereniging met anderen opzettelijk, op of in de bodem (zijnde de plaatsen als bedoeld in project 7 van het proces-verbaal) een bouwstof, te weten asbest bevattend, ongebroken puin, hebben gebruikt, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de regels die bij en/of krachtens paragraaf 3 van

hoofdstuk 2 van het "Bouwstoffenbesluit bodem- en

oppervlaktewaterenbescherming" met betrekking tot het gebruiken van die

bouwstof zijn gesteld immers was voor de in bijlage 2 van voornoemd Besluit

vermelde organische stoffen niet de samenstelling van die bouwstof door een

door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, aangewezen instantie bepaald,

zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen aan die verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

5.

[naam BV1] beheer B.V. en M.B. [naam BV2] B.V. in de periode van 1

oktober 2004 tot en met 8 februari 2005 te Spijk, gemeente Rijnwaarden, zonder

vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk, samen en in vereniging met anderen op andere wijze dan met behulp van een werk, een hoeveelheid asbest bevattend puin, boomstronken, mergel, resten mangaan en granuliet, zijnde afvalstoffen, hebben gebracht in een kolk, zijnde een oppervlaktewater, door voornoemde stoffen in die kolk te storten, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met anderen aan die

verboden gedragen feitelijke leiding heeft gegeven;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van eendaadse samenloop van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet en artikel 173a en 173b Sr zien immers op hetzelfde feitencomplex.

Hoewel het beschermd belang van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet de bescherming van de gezondheid van de werknemers betreft, is het beschermd belang van artikel 173a en 173b Sr de bescherming van de openbare gezondheid in het algemeen. De gezondheid van de werknemers wordt daarmee “geabsorbeerd” door de openbare gezondheid in het algemeen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zowel het beschermde belang als de normadressaat van beide bepalingen verschilt. Het is dit verschil in beschermd belang en normadressaat die ook verschil uitmaken voor de omschrijving van de feitelijke gedragingen in de tenlastelegging.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de strekking van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet wel degelijk een andere is dan die van de artikelen 173a en 173b Sr en dat van absorptie geen sprake is. Laatstgenoemde artikelen zien immers op de bescherming tegen milieuverontreiniging, terwijl de Arbeidsomstandighedenwet in hoofdzaak voorschriften bevat die beogen een grondslag te leggen voor een structurele aandacht voor arbeidsomstandigheden in het bedrijfsbeleid. Zij vormen het kader waarbinnen het arbeidsomstandighedenbeleid dient te worden vormgegeven.

De algemene zorg die werkgevers net als iedereen hebben ten opzichte van de openbare gezondheid en het publiek, wordt door de Arbeidsomstandighedenwet bovendien niet aangetast. Beide, hier geschonden plichten bestaan voorts naast elkaar, nu behalve voor werknemers ook sprake was van gevaar voor de openbare gezondheid en anderen, niet-werknemers.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, terwijl het feit opzettelijk is begaan, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem of in de lucht brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, terwijl het feit opzettelijk is begaan, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4 primair:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming, terwijl het feit opzettelijk is begaan, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Ten aanzien van feit 5 primair:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, terwijl het feit opzettelijk is begaan, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake is van verschoonbare dwaling. Medeverdachte [medeverdachte3] heeft namelijk verklaard dat getuige [getuige5], ambtenaar bij het Waterschap Rijn en IJssel, hem heeft medegedeeld dat de kolk geen oppervlaktewater was. Daarnaast heeft het bevoegde gezag geen maatregelen genomen en niet duidelijk medegedeeld dat er sprake was van een oppervlaktewater, maar alles op zijn beloop gelaten.

Beoordeling

Niet aannemelijk is geworden dat de getuige [getuige5] daadwerkelijk tegen medeverdachte [medeverdachte3] heeft gezegd dat de kolk geen oppervlaktewater is. De getuige [getuige5] zelf zegt hierover dat hij zich niet kan herinneren dat hij hierover gesproken heeft met [medeverdachte3]. De vraag of sprake was van een oppervlaktewater is ook niet ter sprake gekomen bij het terreinbezoek. Voorts bevat het dossier geen getuigenverklaringen die de verklaring van [medeverdachte3] ondersteunen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de verdediging niet aannemelijk is geworden.

Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en verder de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 18 juni 2008.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft gedurende een periode van enkele weken sloopwerkzaamheden laten uitvoeren op het terrein van een voormalige steenfabriek, wetende dat er zich asbest op het terrein bevond, zonder de nodige voorzorgsmaatregelen in acht te nemen. Achteraf kan niet exact worden vastgesteld hoe hoog de concentratie asbestvezels is geweest gedurende de ten laste gelegde periode. Voor de mate van verwijtbaarheid en daarmee voor de op te leggen straf, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank echter geen verschil. Het verwijt wordt door de rechtbank vooral bepaald door de volledige onderschatting door verdachte van de risico’s van werken met asbesthoudend materiaal en de daaruit voortvloeiende ongecontroleerde, onaanvaardbare manier van werken met asbesthoudend materiaal. Losliggend asbesthoudend plaat- en koordmateriaal was overal visueel op de grond aanwezig. Tauw geeft in 2003 aan dat nader onderzoek nodig is. [naam BV1] weet dat er asbest is, ook indien hij de inhoud van het rapport van Tauw niet zou hebben gekend. Hij weet immers dat de dakplaten asbest bevatten, geeft opdracht een pallet met asbest binnen te zetten, en zegt tegen [medeverdachte3] dat deze het gestorte puin maar moet afdekken, omdat het werk anders stil gelegd wordt. Nadat de inspectie het werk heeft stil gelegd, geeft verdachte opdracht door te gaan met de sloopwerkzaamheden. Aldus heeft verdachte zijn werknemers, andere bezoekers van het terrein en de omgeving op een volstrekt onaanvaardbare manier blootgesteld aan ongebonden asbestvezels. Verdachte heeft geen van de (onder)aannemers gewaarschuwd tegen de aanwezigheid van asbest, noch enige regie gevoerd om blootstellingsrisico’s te beperken. Hierdoor heeft hij mensen onnodig bloot gesteld aan zeer ernstige gezondheidsrisico’s alsmede hen levenslange angst bezorgd dat zij een dodelijke asbestgerelateerde ziekte kunnen ontwikkelen. Door asbest in de grond te brengen, belast hij bovendien toekomstige generaties die onvermoed ooit hiermee weer in aanraking zouden kunnen komen.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Het voorwaardelijke deel dient verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom soortgelijke strafbare feiten te plegen. De straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist gelet op de schending van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak in beginsel moet worden afgerond. Deze termijn is gaan lopen vanaf het eerste verhoor van verdachte op 5 december 2005. In beginsel had in deze strafzaak binnen twee jaar eindvonnis gewezen moeten zijn. In deze zaak is echter na vier jaar eindvonnis gewezen. Nu gaat het echter om een ingewikkelde zaak die veel onderzoek heeft gevergd, terwijl de zaak bovendien langer in behandeling is geweest doordat verdachte getuigen heeft doen horen. De zaak heeft echter ook gedeeltelijk geen voortgang gekend, te weten vanaf het sluiten van het proces-verbaal van 9 februari 2006 tot aan de dagvaarding in februari 2007 en vanaf juli 2008 tot januari 2009. De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van bijna anderhalf jaar.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 47, 51, 57, 91 en 173a van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 1 (oud), 1a (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 6 en 13 van de Wet bodembescherming, artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en artikel 9 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming (oud).

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mrs. P.A.H. Lemaire (voorzitter), M. Jurgens en A.J.P. Tillema in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman (griffier),

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 oktober 2009.