Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK0337

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
05/800808-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire kamer heeft een 24-jarige militair veroordeeld tot 6 maanden militaire detentie waarvan 3 voorwaardelijk wegens het medeplegen van poging tot zware mishandeling te Eindhoven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis

Parketnummer : 05/800808-07

Data zittingen : 23 juli 2007, 12 november 2007, 14 april 2008 en 21 september 2009

Datum uitspraak : : 05 oktober 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

stand/rnr : soldaat der 1e klasse/[nummer]

thans ingedeeld bij : [standplaats]

Raadsvrouw : mr. H. Seton, advocaat te Amersfoort

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 mei 2007 te Eindhoven,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk A.A. [slachtoffer] van het

leven te beroven, opzettelijk genoemde [slachtoffer] meerdere malen althans eenmaal

met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, getrapt, gestompt

en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 16 mei 2007 te Eindhoven, ter uitvoering van het voornemen

en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans

alleen, aan A.A. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk genoemde [slachtoffer] meerdere malen althans eenmaal met kracht tegen

het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, getrapt, gestompt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 16 mei 2007 te Eindhoven met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, Stationsplein, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen A.A. [slachtoffer], welk geweld

bestond uit het duwen tegen en/of trekken aan en/of achtervolgen van en/of het

tegenhouden en/of vasthouden van en/of het omsingelen / insluiten van genoemde

[slachtoffer] en/of het meerdere malen althans eenmaal met kracht tegen het hoofd

en/of het lichaam van die [slachtoffer] schoppen, trappen, stompen en/of slaan;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 21 september 2009 inhoudelijk ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H. Seton, advocaat te Amersfoort.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

• A.A. [slachtoffer]

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij A.A [slachtoffer] tot een bedrag van € 2.610,00, inclusief de wettelijke rente vanaf 16 mei 2007, wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 52 (tweeënvijftig) dagen hechtenis. Voorts verzoekt de officier dat de verdachte niet meer tot vergoeding gehouden is indien en voorzover het gevorderde door zijn mededaders is of wordt voldaan.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

3.1 Bewijsuitsluiting

3.1.1 Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, aangevoerd dat alle verklaringen die haar cliënt en zijn medeverdachten bij de Koninklijke Marechaussee hebben afgelegd van het bewijs dienen te worden uitgesloten en dat slechts de verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris door cliënt en de andere verdachten als uitgangspunt mogen dienen voor de beoordeling van deze zaak. Volgens de raadsvrouw leek bij het horen van de zijde van de Koninklijke Marechaussee de waarheidsvinding niet het uitgangspunt te zijn, maar leek men uit te gaan van een bepaalde hypothese van welke bij verdachte en zijn medeverdachten bevestiging werd gezocht.

3.1.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een vormverzuim dat zou moeten leiden tot het uitsluiten van de verklaringen van verdachte, zoals deze ten overstaan van ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee zijn afgelegd, van het bewijs in deze zaak. De verklaringen zijn in vrijheid afgelegd en alle verdachten stelden uitdrukkelijk dat zij daarbij correct behandeld zijn. Er is tijdens de verhoren regelmatig gepauzeerd voor het nuttigen van voeding en drankjes. Ook uit de verklaringen van ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee ten overstaan van de rechter-commissaris is, naar het oordeel van de officier van justitie, niet gebleken van onoorbare druk en/of van andere onregelmatigheden die tijdens de verhoren ten opzichte van verdachte en zijn medeverdachten zouden zijn toegepast.

3.1.3 Beoordeling en conclusie

De militaire kamer verwerpt het verweer van de verdediging. Zij is van oordeel dat uit de processtukken geenszins aannemelijk is geworden dat er sprake zou zijn geweest van een ontoelaatbare druk. Voorts is de militaire kamer van oordeel dat de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee door het confronteren van verdachte met de voorhanden zijnde bewijsmiddelen en de conclusies die hieraan kunnen worden verbonden, niet in strijd hebben gehandeld met de onschuldpresumptie.

De verhoren bij de Koninklijke Marechaussee zijn voor het grootste deel gerelateerd in de vorm van vragen en antwoorden. De militaire kamer gaat ervan uit dat hetgeen is gerelateerd door de verhorende ambtenaren wellicht niet letterlijk, is vastgelegd maar wel inhoudelijk correct weergeeft wat door de verdachte en zijn medeverdachten is verklaard. Immers, niet alleen zijn de processen-verbaal door de verschillende opsporingsambtenaren ambtsedig opgemaakt, uit deze processen-verbaal blijkt tevens dat verdachte en zijn medeverdachten telkens in de gelegenheid zijn geweest van de inhoud daarvan kennis te nemen.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben deze processen-verbaal ook meeondertekend, waaruit hun instemming met het gerelateerde blijkt. De gekozen wijze van relateren biedt de militaire kamer de mogelijkheid achteraf kennis te nemen van de wijze waarop die verhoren hebben plaatsgevonden. De militaire kamer stelt vast dat verdachte en zijn medeverdachten door de verhorende ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee stevig aan de tand zijn gevoeld. Verdachte en zijn medeverdachten zijn – soms indringend – geconfronteerd met verklaringen van de aangever en de getuigen en met tegenstrijdigheden in hun eerdere verklaringen. Daarnaast zijn hen de verklaringen van hun medeverdachten voorgehouden. Aannemelijk is dat verdachte en zijn medeverdachten druk hebben ondervonden, die wellicht nog is versterkt door het feit dat zij zich nog niet eerder in een dergelijke verhoorsituatie hebben bevonden. Evenwel moet ook worden meegewogen dat het hier onderzoek betrof naar zeer ernstige strafbare feiten, die rechtvaardigen dat verdachte en zijn medeverdachten daarover indringend werden ondervraagd. De militaire kamer is niet tot het oordeel gekomen dat in enig verhoor van verdachte en zijn medeverdachten de grenzen van het toelaatbare zijn overschreden. Evenmin is de militaire kamer van oordeel dat verdachte en de medeverdachten door de wijze van verhoren zodanig beïnvloed zijn dat de door hen afgelegde verklaringen iedere authenticiteit, betrouwbaarheid en bruikbaarheid als bewijsmiddel ontberen. Zij zal de betreffende verklaringen dan ook ten volle laten meewegen bij de bewijsvoering in deze zaak.

Dit neemt niet weg dat, daar waar verdachte - evenals de medeverdachten - in de loop van de verhoren verschillende en soms tegenstrijdige verklaringen aflegt en hij ook later bij de rechter-commissaris terugkomt op een deel van de eerder bij de Koninklijke Marechaussee afgelegde verklaringen, steeds zorgvuldig afgewogen moet worden of en in hoeverre ieder onderdeel van die verklaringen betrouwbaar en bruikbaar is.

3.2 Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

3.2.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte tezamen met een medeverdachte ([medeverdachte2]) in nauwe en bewuste samenwerking [slachtoffer] heeft geslagen en tegen het hoofd geschopt. Verdachte had met deze uiting van geweld het voorwaardelijke opzet op de dood van het A.A. [slachtoffer]. Verdachte en zijn medeverdachte hebben willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het door hen uitgeoefende geweld, namelijk het tegen het hoofd en bovenlichaam trappen, tot de dood van het slachtoffer zou leiden. Gelet op het excessieve geweld dat is gebruikt, had het voor het slachtoffer fataal kunnen aflopen. Dat dit niet is gebeurd, is niet aan verdachte en diens medeverdachte te danken.

3.2.2 Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van poging doodslag. Het aangewende geweld was om te ontkomen aan de bedreiging van [slachtoffer].

3.2.3 Beoordeling en conclusie

De militaire kamer spreekt verdachte vrij van het hem primair tenlastegelegde. De militaire kamer is van oordeel dat er bij verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin bestond op de dood van [slachtoffer]. Evenmin acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat een medeverdachte dat opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had en dat dit aan verdachte kan worden toegerekend.

De militaire kamer overweegt hieromtrent als volgt:

Uit de in het dossier aanwezige medische rapporten, alsmede uit de verklaring van A. Valkenburg (behandelend neuroloog) zoals afgelegd tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 11 december 2007, komt naar voren dat [slachtoffer] op 16 mei 2007 met letsel is opgenomen in het ziekenhuis. Dit letsel betrof een hersenschudding en een wond aan zijn linkerwenkbrauw. De wond is geplakt en [slachtoffer] is op 21 mei 2007 ontslagen uit het ziekenhuis. Uit de verklaring van de neuroloog bij de rechter-commissaris moet worden begrepen dat [slachtoffer] om ‘sociale redenen’ op 21 mei 2007 is ontslagen, maar dat hij medisch gezien op 17 mei 2007 ontslagen had kunnen worden.

De militaire kamer stelt vast dat het vastgestelde letsel niet in overeenstemming lijkt te zijn met de latere verklaringen van verdachte en diens medeverdachten. Daarin staat immers dat [slachtoffer] door verschillende personen hard en met geschoeide voet tegen hoofd en lichaam geschopt zou zijn. Er zou tegen zijn hoofd geschopt zijn ‘alsof er tegen een bal werd geschopt’ en ‘het leek alsof hij (verdachte) een kokosnoot wilde kraken’

De militaire kamer is derhalve terughoudend met het gebruik van juist die verklaringen waarin over zeer excessief geweld wordt gesproken, omdat het bij [slachtoffer] vastgestelde letsel daarmee niet in overeenstemming is.

In beginsel dient bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een poging tot doodslag het vastgestelde letsel niet leidend te zijn. Immers, ook bij gering letsel zou het opzet op de niet ingetreden dood nog steeds aanwezig kunnen zijn.

In het onderhavige geval ontkent verdachte (voorwaardelijk) opzet gehad te hebben op de dood van verdachte. Het opzet zou dan uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen moeten blijken. In het geval van het voorwaardelijke opzet zou de aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de dood blijken uit dat handelen van verdachte.

De militaire kamer is van oordeel dat na afweging van de verschillende bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend is bewezen dat het handelen van verdachte of diens medeverdachten van dien aard was dat naar de uiterlijke verschijningsvorm daarvan kan worden gesteld dat hij, al dan niet in vereniging, het opzet, waaronder voorwaardelijk opzet, had op de dood van [slachtoffer]. Verdachte kan derhalve niet worden verweten dat hij, al dan niet in vereniging, heeft gepoogd om [slachtoffer] van het leven te beroven.

De militaire kamer spreekt verdachte derhalve vrij van het hem primair tenlastegelegde.

3.3 Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.3.1 Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Op 16 mei 2007 is A.A. [slachtoffer] op de openbare weg, te weten het Stationsplein te Eindhoven, geschopt en geslagen tegen het lichaam en/of hoofd door enkele personen. Hij is diezelfde dag opgenomen in het ziekenhuis met een hersenschudding en een wond aan de linker wenkbrauw.

Verdachte was toen en aldaar na een avondje uit met collega’s, onder wie Van der [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] onderweg naar de bus die hen naar de kazerne zou brengen. Een andere collega, [medeverdachte4], was reeds bij de voornoemde bus. Verdachte komt in contact met de heer A.A. [slachtoffer] waarbij hij hem een duw geeft, evenals [medeverdachte3] en [medeverdachte2]. Later komt verdachte, samen met [medeverdachte3], [medeverdachte2] en [medeverdachte4], weer met [slachtoffer] in contact.

[slachtoffer] heeft op enig moment een stuk glas in handen. Verdachte maakt een schoppende beweging naar [slachtoffer] en [medeverdachte2] pakt [slachtoffer] vast. Verdachte slaat [slachtoffer] in het gezicht. [medeverdachte2] en [slachtoffer] komen vervolgens ten val.

3.3.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde gerekwireerd. Uit de wijze waarop de tenlastelegging is opgesteld begrijpt de militaire kamer dat de officier van justitie op basis van dezelfde redenering in ieder geval van mening is dat er tenminste ook sprake is van een poging tot zware mishandeling, zoals subsidiair ten laste is gelegd.

3.3.3 Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft geconcludeerd tot vrijspraak van verdachte. Het door haar cliënt gebruikte geweld was om de dreiging die vanuit [slachtoffer] uitging af te wenden. Verdachte noch diens mededaders hadden daarmee opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer]. Het gebruikte geweld kan een dergelijke conclusie ook niet rechtvaardigen. Voorts heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat niet vast staat dat het letsel, de hersenschudding en een wondje bij de linker wenkbrauw, veroorzaakt is door het slaan van verdachte en zijn medeverdachte.

3.3.4 Beoordeling en conclusie

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem subsidiair tenlastegelegde. De militaire kamer overweegt daartoe als volgt:

Het conflict met [slachtoffer] ontstaat over een blikje drank. Daarbij zijn verdachte, [medeverdachte2] en [medeverdachte3] betrokken en daar is [slachtoffer] geduwd. Vervolgens loopt of rent [slachtoffer] weg bij de groep van drie. [medeverdachte3] roept vervolgens: ‘Houd hem tegen!’ en [medeverdachte4] doet dat vervolgens ook. Vervolgens probeert [medeverdachte3] die [slachtoffer] te slaan. en wordt [slachtoffer] geslagen en getrapt door Verdachte en [medeverdachte2]. [slachtoffer] ziet daarna kans om een stuk glas te pakken. Verdachte maakt vervolgens een schoppende beweging naar [slachtoffer], [medeverdachte2] pakt hem van achteren vast en verdachte slaat [slachtoffer] in het gezicht. Vervolgens vallen [medeverdachte2] en [slachtoffer] op de grond.

Voorts acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte2] hierna [slachtoffer], terwijl die op de grond lag, meerdere malen tegen het lichaam en het hoofd hebben geschopt. Een derde medeverdachte, Van de [medeverdachte1], was hier ook bij betrokken door schoppende bewegingen te maken naar het slachtoffer, waarbij niet duidelijk is of Van de [medeverdachte1] het slachtoffer heeft geraakt.

Nauwe en bewuste samenwerking

De militaire kamer is op basis van het bovenstaande van oordeel dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte2] en Van de [medeverdachte1], [slachtoffer] tegen het lichaam en hoofd heeft geschopt en geslagen. Immers, verdachte was vanaf het eerste moment betrokken bij de confrontatie met het slachtoffer. De confrontatie escaleerde en op het moment dat [medeverdachte2] het slachtoffer vastpakt, verdachte [slachtoffer] slaat en [slachtoffer] samen met [medeverdachte2] naar de grond gaat begint het excessieve geweld jegens het slachtoffer, zoals hiervoor omschreven. Met deze gedragingen heeft verdachte zich gecommitteerd aan de gedragingen van zijn mededaders en is er derhalve sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering.

Opzet op zwaar lichamelijk letsel

Voorts is de militaire kamer dat verdachte het voorwaardelijke opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Immers, er bestaat een aanmerkelijke kans dat schoppen en met de vuist slaan tegen het lichaam en/of hoofd zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben en dat de aard van deze gedragingen zozeer is gericht op een dergelijk gevolg, dat moet worden aangenomen dat degenen die zich daaraan zijn te buiten gegaan zich bewust zijn geweest van die aanmerkelijke kans en deze op de koop toe hebben genomen. Het feit dat het uiteindelijke letsel gering is doet hieraan niet af, nu dat onafhankelijk van de intentie van verdachte is geschied, met andere woorden: een geluk bij een ongeluk.

Gezien het voorgaande verwerpt de militaire kamer het verweer van de verdediging.

De militaire kamer is derhalve van oordeel dat verdachte voorwaardelijke opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] en dat hij heeft gehandeld in nauwe en bewuste samenwerking.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. subsidiair

hij op 16 mei 2007 te Eindhoven, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, aan A.A. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk genoemde [slachtoffer] meerdere malen met kracht tegen

het hoofd en het lichaam heeft getrapt, en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde:

‘medeplegen van poging tot zware mishandeling’

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar

5. De strafbaarheid van verdachte

5.1 Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat hij niet strafbaar is voor het door hem ná het door [slachtoffer] pakken van de kapotgeslagen fles uitgeoefende geweld, voor zover bewezen.

Dit was immers geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf en van dat van zijn collega’s tegen de aanval van [slachtoffer]. Deze zwaaide met de kapotgeslagen fles en dreigde daarmee te steken. Het ingrijpen van verdachte en zijn collega’s was noodzakelijk om te voorkomen dat [slachtoffer] verdachte of zijn collega’s ernstig zou verwonden. Verdachte moest wel ingrijpen en kon niet weglopen aangezien [slachtoffer] dan zijn collega’s zou hebben kunnen verwonden. Daarbij moet rekening gehouden worden met de omstandigheden dat verdachte als militair juist is opgeleid om een einde te maken aan een bedreigende situatie in plaats van er van weg te lopen en dat je als militair als groep optreedt en opkomt voor je kameraden. Verdachte dient daarom van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

5.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Uit de bewijsmiddelen volgt dat juist [slachtoffer] handelde uit noodweer. Hij heeft het stuk glas gepakt en daarmee gezwaaid ter verdediging van zijn lijf tegen de aanval van verdachte en zijn collega's. Dit handelen van [slachtoffer] uit noodweer was dus geen wederrechtelijke aanranding van verdachte of anderen.

Voorts slaagt het beroep van verdachte op noodweer niet nu verdachte en zijn collega's bewust de confrontatie met [slachtoffer] hebben opgezocht. Uit de processtukken volgt dat zij [slachtoffer] eerst al hebben geprovoceerd door hem te slaan en te schoppen. Nadat [slachtoffer] ter afwering van deze tegen hem gerichte aanval het stuk glas in zijn hand heeft gepakt en verdachte en zijn collega’s dit hadden gezien, zijn zij opnieuw op [slachtoffer] afgegaan en hebben zij [slachtoffer] opnieuw uitgedaagd. Voor zover er dus al een situatie is ontstaan waarin verdachte zich zou moeten verdedigen heeft hij met zijn collega's deze situatie zelf veroorzaakt.

Ten slotte voert de officier van justitie aan dat de noodzaak tot het gewelddadige handelen van verdachte heeft ontbroken nu er voldoende minder of niet gewelddadige alternatieven voorhanden waren. Zo had verdachte kunnen weglopen toen hij zag dat [slachtoffer] glas in zijn hand had.

5.3 De beoordeling

De militaire kamer verwerpt het beroep op noodweer en overweegt daartoe als volgt. Voor een geslaagd beroep op noodweer is volgens artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht vereist dat het aan verdachte verweten handelen geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf (of eerbaarheid of goed) tegen een ogenblikkelijke wederrechterlijke aanranding. Echter indien men zichzelf willens en wetens in een situatie heeft gebracht waarin een (dreigende) reactie van de wederpartij te verwachten is, kan dit een geslaagd beroep op noodweer eveneens in de weg staan (HR 23 maart 1999, NJ 1999, 402).

De militaire kamer acht aannemelijk dat [slachtoffer] op enig moment een kapotgeslagen fles of een stuk glas in zijn hand heeft gepakt en dat hij dit dreigend heeft vastgehouden. Uit het dossier - de verklaringen van [medeverdachte4] en Van de [medeverdachte1] - volgt echter dat [slachtoffer] al vóórdat hij dit glas had gepakt door verdachte en zijn collega’s was achtervolgd, getrapt, geduwd en geslagen.

In afwijking van het standpunt van de officier van justitie, kan de militaire kamer niet met voldoende zekerheid vaststellen of [slachtoffer] zich op het moment van het pakken van het glas en het dreigend vasthouden daarvan (nog) in een noodweersituatie bevond en of dit dreigen met het glas voor hem noodzakelijk was om een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval op hem zelf af te wenden. Wel is het zo dat verdachte zich door [slachtoffer] samen met zijn collega’s te duwen, schoppen, slaan en achtervolgen, zich welbewust in een situatie heeft gebracht dat een dreigende reactie van [slachtoffer], zoals het dreigen met een stuk glas, te verwachten was. In deze situatie kan dit enkele dreigen niet als rechtvaardiging gelden voor de poging zware mishandeling door het in vereniging met kracht schoppen, trappen, stompen en slaan tegen het lichaam en of hoofd van [slachtoffer].

De militaire kamer acht voorts niet aannemelijk dat [slachtoffer] met dat gebroken glas méér heeft gedaan dan enkel dreigen. Met name acht de militaire kamer niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] voorafgaand aan de poging zware mishandeling, verdachte of zijn collega’s met dat glas daadwerkelijk heeft aangevallen, noch dat er sprake was van een acute aanvalsdreiging van [slachtoffer] die enkel kon worden afgewend door het door verdachte en zijn mededaders uitgeoefende geweld.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij zich toen zijn collega [getuige] “Kijk uit glas” riep zag dat [slachtoffer] met een stuk glas zwaaide dan wel stekende bewegingen maakte in zijn richting. Door verschillende van de medeverdachten wordt bij de marechaussee of de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer] zwaaiend met een stuk glas op verdachte af kwam lopen. De noodzaak tot het door verdachte, [medeverdachte2] en Van de [medeverdachte1] vervolgens uitgeoefende geweld zou uit die aanval voortvloeien.

Deze weergave van de zaken wordt echter niet ondersteund door de eigen verklaringen van verdachte bij de Koninklijke Marechaussee. Verdachte heeft daarover op 1 mei 2007 verklaard: “Ik draaide me om en zag dat de onbekende man met een stuk glas in zijn handen stond. [...] Ik ben vervolgens zijn kant opgerend en toen ik vlak bij hem was sprong ik omhoog en maakte een vliegende trap in zijn richting. Ik hem heb niet geraakt want de man stapte opzij. Het was wel mijn bedoeling om hem te raken […] Ik ben naar teruggerend in de richting van de onbekende man. Ik heb daarna deze man twee maal in zijn buik en borst gestompt.” en verder: “Ik zag de man, die wij zojuist geslagen hadden, staan met een stuk gebroken glas in zijn rechterhand. Ik was volgens mij de eerste van de groep die de man zag staan met het glas in zijn hand. Ik ben zonder na te denken op de man afgerend en heb hem een “high-kick” met mijn rechterbeen gegeven […]”. Hieruit volgt dat verdachte niet is aangevallen maar dat hij meteen nadat hij zag dat [slachtoffer] het glas, al dan niet dreigend, in zijn hand had, zelf op hem is afgerend en de aanval heeft ingezet.

Ook in zijn latere verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee blijft verdachte bij zijn verklaring dat, hij toen hij zag dat [slachtoffer] glas in zijn hand had naar hem is toegerend “om het glas uit zijn handen te halen”. Hij verklaart in de laatste verklaring weliswaar dat hij de situatie “gewoon bedreigend” vond omdat de man “misschien” zijn collega zou aanvallen, maar niet dat er sprake was van een aanranding of van een acuut aanrandingsgevaar. In zijn laatste verklaring, van 13 juni 2007 verklaart verdachte expliciet dat het beter zou zijn geweest als ze zouden zijn weggelopen en beaamt hij de suggestie van de ondervrager dat hij zelf het gevaar heeft opgezocht.

Pas bij zijn verhoor tenoverstaande van de rechter-commissaris op 12 februari 2009 verklaart verdachte dat [slachtoffer] op hém af kwam lopen en dat hij daarom genoodzaakt was het glas uit diens handen te trappen. Gelet op zijn eerdere, herhaalde en op dit punt consistente verklaringen dat hij juist op [slachtoffer] is afgerend acht de militaire kamer deze verklaring niet geloofwaardig en zijn verklaring ter terechtzitting van dezelfde strekking evenmin. Dat hij tot dit afrennen op en vervolgens aanvallen van [slachtoffer] werd bewogen omdat hij genoodzaakt was om zijn collega’s te behoeden van een onmiddellijke wederrechtelijke aanval blijkt noch uit voornoemde ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee afgelegde verklaringen, noch uit de overige zich in het dossier bevindende stukken. De aangevoerde omstandigheden dat verdachte als militair opgeleid zou zijn om een einde te maken aan een bedreigende situatie in plaats van er van weg te lopen en dat je als militair als groep optreedt en opkomt voor je kameraden doen aan het vorenstaande niet af. Een en ander brengt met zich dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding die tot het gepleegde geweld noopte zodat het noodweerverweer wordt verworpen.

Voorzover nog betoogd is dat sprake is van noodweer-exces dan verwerpt de militaire kamer dat verweer. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie gaat ook een beroep op noodweerexces niet op.

Gezien het voorgaande is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 01 september 2009 en

• een voorlichtingsrapport van de reclassering betreffende verdachte, gedateerd 17 juli 2007.

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf van 15 maanden op te leggen, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en onder aftrek van de tijd die verdachte al in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft haar eis gebaseerd op de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Zij benadrukt dat sprake is geweest van een ernstig geweldsdelict, een poging tot doodslag, waarbij verdachte een hoofdrol heeft gespeeld. Er is grof fysiek geweld gebruikt. Dat het fysieke letsel van het slachtoffer achteraf bleek mee te vallen, doet niet af aan de ernst van het feit, nog daargelaten dat sprake is van mentaal ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer. Zij heeft verder gewezen op de voorbeeldfunctie die verdachte, als militair, heeft.

6.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op het door hem ingenomen standpunt vrijspraak bepleit.

6.3 Beoordeling en conclusie

Verdachte wordt schuldig bevonden aan het doen van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer]. De oorzaak van het geweld dat is gepleegd door verdachte en zijn medeverdachten was een discussie over een blikje drank. Deze discussie is geëscaleerd waarop het slachtoffer heeft geprobeerd te ontkomen. Hij werd echter tegengehouden door een medeverdachte, waarna tegen het slachtoffer door meerdere mensen geweld is gebruikt. Dit geweld moet als fors worden gekwalificeerd. Verdachte, van wie vaststaat dat hij voorafgaand aan het incident een behoorlijke hoeveelheid alcohol had gedronken, heeft naar het oordeel van de militaire kamer – samen met zijn medeverdachte [medeverdachte2] – het grootste aandeel gehad in deze geweldpleging. Hij heeft, ook toen het slachtoffer al op de grond lag, nog geschopt en geslagen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben door hun handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Dergelijk gewelddadig gedrag in groepsverband is zeer bedreigend en het versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dit geldt in het bijzonder nu het geweld heeft plaatsgevonden op een openbare plaats (stationsplein) waar op dat moment meerdere mensen aanwezig waren. Bovendien is het geweld gepleegd door militairen, die bij uitstek geacht worden op een verantwoorde wijze met geweld om te gaan en mede uit dien hoofde worden geacht een zekere voorbeeldfunctie in de maatschappij te vervullen.

De militaire kamer weegt bij de strafoplegging verder mee dat het slachtoffer een kwetsbare persoon was. Met name de psychische gevolgen voor het slachtoffer zijn ernstig. Gebleken is dat het slachtoffer reeds vóór het voorval leed aan posttraumatische stressstoornis en dat de klachten door het tegen hem gepleegde geweld opnieuw de kop op hebben gestoken dan wel zijn verergerd. Het slachtoffer heeft na de geweldpleging last van angst- en paniekaanvallen en nachtmerries.

Gelet op het voorgaande acht de militaire kamer de hierna te noemen strafoplegging gepast en geboden. De strafoplegging is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, nu het primair ten laste gelegde feit niet bewezen wordt geacht. Bovendien heeft het incident voor verdachte in bestuursrechtelijke zin al consequenties gehad, in die zin dat hij door Defensie meerdere maanden geschorst is geweest. Van belang bij de strafoplegging is verder dat verdachte in het recente verleden niet met Justitie in aanraking is geweest.

Een deel van de straf zal voorwaardelijk worden opgelet. In het voorlichtingsrapport dat op 17

juli 2007 over verdachte is opgemaakt door de reclassering, leest de militaire kamer dat de kans

op recidive volgens de reclassering klein is maar aanwezig blijft in gevallen waar alcohol in het

spel is. Bovendien noopt de ernst van het feit tot het opleggen van een voorwaardelijke straf.

De militaire kamer ziet aanleiding een militaire detentie op te leggen nu te verwachten is dat

verdachte na zijn detentie opnieuw als militair zal dienen en aldus de straftijd van verdachte aan

diens militaire opleiding dienstbaar kan worden gemaakt.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij A.A. [slachtoffer] vordert een bedrag van € 2.610,00, verdeeld in:

• € 110,00 aan materiële schade

• € 2.500,00 aan immateriële schade

vermeerderd met de wettelijke rente van de datum van het voorval tot de dag der algehele voldoening.

6a.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het aannemelijk is dat de gevorderde materiële schade, hoewel niet nader onderbouwd, is geleden. Voorts is zij van oordeel dat de gevorderde immateriële schade voldoende onderbouwd is met de stukken van de psychiater van de benadeelde. Weliswaar heeft de benadeelde in zijn jeugd een trauma opgelopen, maar wat er op 16 mei 2007 is gebeurd is op zichzelf al buitengewoon traumatiserend geweest. Hij is door vijf mannen te lijf gegaan en heeft twee keer weg kunnen komen. Het gevorderde bedrag is volledig aannemelijk en toewijsbaar.

6a.2 Standpunt van de verdediging

Primair dient de vordering te worden afgewezen, gezien de bepleite vrijspraak, subsidiair het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat het in de medische verklaring vastgestelde letsel niet overeenkomt met de onderbouwing van de vordering. De materiële schade is niet onderbouwd en bovendien blijkt nergens uit dat de kleren van de benadeelde kapot zijn gegaan bij de behandeling in het ziekenhuis. Derhalve dient dat deel van de vordering afgewezen te worden.

Voor het immateriële deel van de vordering dient aangever niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering. Het is immers niet eenvoudig vast te stellen wanneer de problematiek van benadeelde is ontstaan. Gezien de brief van de psychiater is dat reeds in de jeugd van benadeelde gebeurd, wellicht is het door het tenlastegelegde verergerd, maar dat is niet eenvoudig vast te stellen. Voorts is de wettelijke rente pas verschuldigd vanaf het moment dat deze opeisbaar is geworden en derhalve niet vanaf 16 mei 2007, de datum waarop de feiten gepleegd zijn.

6a.3 Beoordeling en conclusie

Ten aanzien van de materiële schade

De militaire kamer acht het aannemelijk dat de kleren van de benadeelde ten gevolge van het op hem uitgeoefende geweld en de daarop volgende ziekenhuisbehandeling kapot dan wel verloren zijn gegaan. Het gevorderde bedrag à € 110,00 komt de militaire kamer aannemelijk voor en zij zal het bedrag dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2007.

Ten aanzien van de immateriële schade

De militaire kamer is van oordeel dat [slachtoffer] als slachtoffer van een poging tot zware mishandeling in vereniging gepleegd, waaraan verdachte medeschuldig is bevonden, immateriële schade heeft geleden. Het is aannemelijk dat de benadeelde pijn heeft geleden en angstige momenten heeft gekend en nadien nog nare herinneringen heeft gehad aan het geweld dat op hem is uitgeoefend. Voorts acht de militaire kamer het aannemelijk, mede gezien de onderbouwing aan de hand van de verklaring van de psychiater van de benadeelde, dat deze feiten psychische schade voor hem hebben opgeleverd. Het moge zo zijn dat hij reeds aan PTSS leed, maar het is meer dan aannemelijk dat het forse geweld dat door meerdere personen op benadeelde is uitgeoefend hem psychische schade heeft berokkend. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De militaire kamer acht aannemelijk gemaakt dat de immateriële schade van de benadeelde voor dit moment naar maatstaven van billijkheid in ieder geval moet worden geschat op € 2.500,00.

De militaire kamer zal derhalve de totale vordering toewijzen inclusief de wettelijke rente vanaf 16 mei 2007. De wettelijke rente is immers toewijsbaar vanaf het moment dat het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan en de schade opeisbaar is, en dat is op voornoemde datum. De militaire kamer verwerpt aldus het daarop ziende verweer van de raadsvrouw.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voorzover het gevor¬derde door zijn mededaders is of wordt voldaan.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

• 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht

• 6, 11 en 14 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een militaire detentie voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat van deze militaire detentie 3 (drie) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De militaire kamer stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van veroordeelde voornoemd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij A.A. [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting - met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededaders betalen ook veroordeelde daardoor zal zijn gekweten - aan A.A. [slachtoffer], wonende te [adres] te betalen € 2.610,00 (zegge zesentwintighonderdtien euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2007.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 2.610,00 subsidiair 36 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover de mededaders betalen ook veroordeelde daardoor tegenover A.A. [slachtoffer] zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer A.A. [slachtoffer], wonende te [adres] te betalen € 2.610,00 (zegge zesentwintighonderdtien euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2007, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 36 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen ( voorzitter), mr. E. de Boer en kapitein ter zee van administratie mr. H.T. Wagenaar (militair lid) in tegenwoordigheid van S.P. Visser (griffier),

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 05 oktober 2009.