Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK0297

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
180855
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is ontslagen nadat gedaagde sub 2, vestigingsmanager bij gedaagde sub 1, in een brief aan eisers werkgever had meegedeeld dat eiser onbetamelijk gedrag vertoonde jegens een medewerkster van gedaagde sub 1.

Eiser verwijt gedaagde sub 2 onrechtmatig te hebben gehandeld tegenover hem, waardoor deze aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW en gedaagde sub 1 als diens werkgever op grond van art. 6:170 lid 1 BW. Volgens eiser zijn de uitlatingen van gedaagde sub 2 in diens brief onjuist en diffamerend tegenover hem.

Eiser stelt dat hij schade heeft geleden die bestaat in een aantasting van de eer en goede naam en in de proceskosten die hij in de verschillende procedures heeft moeten maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 512
AR-Updates.nl 2009-0815
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 180855 / HA ZA 09-232

Vonnis van 23 september 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. S.A. van Snippenburg,

tegen

1. [ged.1],

tot in 31 maart 2008 handelende onder de naam [handelsnaam]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. K.F.J. Machielsen,

2. [ged.2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.P. Verheyen.

Partijen zullen hierna [eiser], [ged.1] en [ged.2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 juni 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 12 augustus 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] was sinds 1 mei 1987 in dienst van (de rechtsvoorgangers van) het Centrum voor Werk en Inkomen - hierna: CWI. Zijn functie was adviseur werk en inkomen. Hij was werkzaam op de vestiging Nijmegen. Na een periode van arbeidsongeschiktheid is hij vanaf oktober 2007 in het kader van een re-integratietraject geplaatst op de vestiging van het CWI in het bedrijfsverzamelgebouw Beursplein Rivierenland aan de Tielseweg 112a te Tiel - hierna: Beursplein.

2.2. [ged.1] dreef in Beursplein als eenmanszaak een uitzendbureau onder de naam [handelsnaam] - hierna: [naam bedrijf]. [ged.2] was de vestigingsmanager van de vestiging in [woonplaats] en dus bij haar in dienst.

2.3. Beursplein had een ruimte die de receptie werd genoemd. In de receptie ontvingen de medewerkers van de verschillende in het gebouw gehuisveste bedrijven hun klanten. In die ruimte waren de werknemers van [naam bedrijf] werkzaam en ook enkele medewerkers van het CWI, waaronder [eiser]. De werkplek van [eiser] was bij een van de koffieautomaten en de wc’s. [eiser] was ook regelmatig werkzaam in de kantoorruimtes elders in het gebouw.

2.4. Beursplein kent een agressieprotocol, waarin het voorkómen en beheersen van agressie is geregeld. In § 6.2 is vermeld dat ieder een incident door middel van een registratieformulier wordt geregistreerd.

2.5. Vanaf 3 december 2007 is mevrouw [getrokkene1] als intercedente in dienst getreden bij [ged.1]. [betrokkene1] heeft bij [ged.2] geklaagd over ongewenst gedrag van [eiser]. [eiser] heeft daarop contact opgenomen met mevrouw [betrokkene2] van het CWI die in het agressieprotocol vermeld stond als contactpersoon van CWI voor incidenten. [ged.2], Timmer en [betrokkene1] hebben vervolgens een gesprek hierover gehad. [ged.2] heeft op verzoek van Timmer aan de heer J. van Vessem van CWI Oost te Deventer bij brief, gedateerd 15 januari 2007 (= 2008) het volgende geschreven:

“Langs deze weg wil ik bij u e.e.a. bij u onder de aandacht brengen.

Een van uw collega’s te weten Dhr. [eiser] op het CWI in [woonplaats] een van mijn medewerksters onbetamelijk heeft benadert.

Herhaaldelijk heeft hij toenadering gezocht met amoureuze bedoelingen. Mijn medewerkster was hier niet tegen opgewassen en heeft mij gevraagd hoe hiermee om te gaan. Ik heb haar geadviseerd om geen contact aan te gaan en heb dit vervolgens neergelegd bij uw Team Coordinator Mevr. [betrokkene2], CWI [woonplaats].

Wat ik heb kunnen inventariseren is dat Dhr. [eiser] herhaaldelijk pogingen heeft ondernomen om met mijn medewerkster een privé afspraak te willen organiseren. Dit ging zelfs zo ver dat hij op enig moment zijn mobilenummer ging verstrekken. En zichzelf begon uit te nodigen om bij haar thuis wat te komen drinken. Zelfs onder werktijd aan het bureau verschijnen met dubbelzinnige intimiderende opmerkingen.

U begrijpt dat zij hierdoor, de hele situatie dermate vervelend begon te vinden, zij zelfs niet meer naar het toilet durfde of om b.v. koffie te gaan halen. Hierdoor zou zij op zichtafstand van dhr. [eiser] zijn werkplek bevinden. Zelfs vanaf haar eigen werkplek bekroop haar de angst om met hem geconfronteerd te worden.

Ware het niet dat mijn collega in een normale situatie zelf wel haar mannetje had zullen staan, dan had zij dit zelf wel kunnen mededelen aan de leidinggevende van dhr. [eiser] ofwel aan dhr [eiser] zelf. Echter doordat zij recentelijk bij ons bureau werkzaam is en niet alle collega’s van de ketenpartners kent en niet weet wat zij wel of niet mag / kan zeggen heb ik dit op me genomen.

Ik vertrouw erop u voldoende te hebben ingelicht en reken op uw medewerking om dit gedrag en zijn houding naar mijn collega’s te elimineren.”

2.6. Het CWI heeft [eiser] met ingang van 23 januari 2008 geschorst. Als reden heeft het CWI opgegeven dat er wederom een klacht over [eiser] was binnengekomen over grensoverschrijdend gedrag.

2.7. [naam bedrijf] was niet bereid de NAW-gegevens van [betrokkene1] aan [eiser] te geven. [eiser] heeft onder meer bekendmaking van de NAW-gegevens van [betrokkene1] en [ged.2] in kort geding gevorderd, welke vordering bij vonnis van de voorzieningenrechter te Arnhem van 28 maart 2008, LJN BC9426, is toegewezen. [naam bedrijf] heeft de NAW-gegevens van [betrokkene1] en [ged.2] vervolgens aan [eiser] gegeven.

2.8. [ged.1] heeft haar eenmanszaak [naam bedrijf] op 31 maart 2008 ingebracht in de besloten vennootschap [naam bedrijf] Uitzendbureau B.V. - hierna: [naam bedrijf] B.V..

2.9. Het CWI heeft een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser] ingediend bij de rechtbank, sector kanton, locatie Nijmegen. In het kader van deze procedure zijn [betrokkene1] en [ged.2] als getuige gehoord. [betrokkene1] heeft onder meer het volgende verklaard:

“In december 2007 heb ik [eiser] leren kennen. Eerst via een praatje, hallo en goedemorgen. Op een gegeven moment ging [eiser] ook persoonlijke dingen vragen. Hij vroeg bijvoorbeeld naar mijn leeftijd en naar mijn man. Op een gegeven moment kwam hij met een kaartje van zijn website, zijn 06-nummer stond erop. Dat zei hij erbij. Ik heb alleen gezegd: dankjewel. Ik heb het mijn collega’s laten zien en vervolgens heb ik het weggegooid. Op oudejaarsdag stond ik bij de koffie-automaat. Er was toen verder niemand. [eiser] kwam erbij staan. Hij vroeg aan mij of ik ’s avonds naar een disco ging en of er vrienden op bezoek kwamen en hoe ik oudjaar zou afsluiten. Ik werkte pas bij [naam bedrijf]. Ik zat nog in opleiding. Ik heb hem niet duidelijk gemaakt dat ik niets met hem te maken wilde hebben. Ik heb het wel tegen mijn collega’s gezegd. [ged.2] zei dat hij daar melding van ging maken bij het CWI en dat het daarmee opgelost zou zijn. Ik was er niet op uit om [eiser] zijn baan te ontzeggen. Ik wilde wel dat zijn toenaderingen stopte. U vraagt mij waarom ik zijn gedrag intimiderend vond. Het was zijn manier van zeggen en zijn houding. Ik kan dat niet precies uitleggen. Ik voelde dat zo. (…)

(Het viel op) volgens mijn collega’s dat hij vaak in de buurt was en dat het vervelend was voor mij. Ik zat achter mijn bureau de keer dat hij het kaartje kwam brengen. [eiser] ging aan het andere bureau zitten dat daartegen aan geplaatst is met 1 been over het andere been. Toen ik bij het koffiezetapparaat stond op oudejaarsdag zag ik dat er iemand bij [eiser] aan het bureau zat. Ik hoorde hem zeggen: ik ga even water halen. (…)

Toen [eiser] het kaartje kwam brengen was er ook niemand aanwezig.”

2.10. De kantonrechter heeft bij beschikking van 16 juni 2008, zaaknr. [zaakgegevens] de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 juli 2008 met toekenning aan [eiser] van een vergoeding van € 73.409,29 bruto. Zij heeft onder meer het volgende overwogen:

“Gewichtige redenen

Met betrekking tot de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan het ontbindingsverzoek staat alleen met betrekking tot de klacht van mevrouw [betrokkene3] vast dat het gedrag van [eiser] tegenover haar onprofessioneel en grensoverschrijdend is geweest. Het betreft hier echter een incident uit 2003 dat hoogstens vanwege herhaald grensoverschrijdend en onprofessioneel gedrag van [eiser] grond voor ontbinding wegens een dringende zou kunnen opleveren.

Met betrekking tot de melding, geen klacht, die ten grondslag ligt aan het onderzoek van Bezemer & Kuiper, past zonder meer terughoudendheid nu het gaat om een anonieme melding. Op grond van die melding is ook niet komen vast te staan dat [eiser] zich schuldig zou hebben gemaakt aan onoorbaar gedrag tegenover een cliënte van CWI. Ook Bezemer & Kuiper komt tot die conclusie. Wel is aannemelijk geworden dat [eiser] zich tijdens de banenmarkt tegen over de desbetreffende mevrouw een ongepaste opmerking heeft gemaakt en dat zijn gedrag onprofessioneel is te noemen.

Het rapport is in ieder geval voor CWI aanleiding geweest [eiser] bij brief van 17 januari 2008 een laatste waarschuwing te geven.

De klacht van [naam bedrijf] is vervolgens de aanleiding voor CWI geweest de arbeidsovereenkomst met [eiser] te willen beëindigen. De vraag is of dat terecht is geweest. CWI heeft klakkeloos en zonder nader onderzoek te doen voor waar aangenomen dat [eiser] zich tegenover een medewerkster van [naam bedrijf] onbetamelijk heeft gedragen. Zij heeft naar aanleiding daarvan vergaande maatregelen tegen [eiser] genomen. Door [eiser] niet in de gelegenheid te stellen weerwoord te geven op de beschuldiging en naar aanleiding daarvan zonodig nader onderzoek te doen, is CWI als werkgever jegens De Bruin te kort geschoten. Dat weegt in deze zaak extra zwaar nu uit de afgelegde getuigenverklaringen niet kan worden opgemaakt dat het gedrag van [eiser] grensoverschrijdend is geweest. Opmerkingen uit de brief van de heer [ged.2] zoals "zichzelf begon uit te nodigen om bij haar thuis wat te komen drinken ... onder werktijd aan het bureau verschijnen met dubbelzinnige intimiderende opmerkingen" zijn immers tijdens het verhoor van getuige [betrokkene1] niet bevestigd. [betrokkene1] vond de belangstelling van [eiser] niet prettig. Zij voelde zich volgens haar verklaring door hem geïntimideerd. Uit de gebleken feiten kan dat niet worden opgemaakt.

De klacht van [naam bedrijf] in samenhang met de andere door CWI aangevoerde incidenten kunnen geen dringende reden opleveren voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De klacht van mevrouw [betrokkene3] is te lang geleden, de anonieme melding biedt onvoldoende feitelijke grondslag en de opmerking tijdens de banenmarkt evenals het e-mail verkeer zijn van onvoldoende gewicht evenals de klacht van [naam bedrijf].

Wel is duidelijk dat de relatie tussen partijen grondig en onherstelbaar is verstoord. Beide partijen verzoeken ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat verzoek zal worden toegewezen op grond van gewijzigde omstandigheden.

De vergoeding

Uit het dossier komt [eiser] naar voren als een man die niet altijd inzicht heeft in wat zijn gedrag bij anderen te weeg brengt. Het is mogelijk dat zijn manier van communiceren, zoals blijkend uit het rapport van Bezemer & Kuiper, regelmatig op de rand is, en door een ander misschien anders wordt begrepen dan door [eiser] bedoeld. Het kan ook geen toeval zijn dat er toch met een zekere regelmaat klachten van vrouwen over [eiser] komen met een gelijksoortig verwijt. Hij zoekt die contacten, waar professioneel geen aanleiding voor bestaat, kennelijk op en roept daardoor de problemen over zich af. Zijn optreden tegenover mevrouw [betrokkene1] illustreert wat dat betreft dat [eiser] toch niet goed door heeft wanneer er meer afstand wordt gewenst. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat de oorzaak van de problemen overwegend voorkomen uit de houding van Bruijn. Zoals hiervoor echter uitvoerig overwogen heeft de werkgever niet altijd even zorgvuldig gehandeld ten opzichte van [eiser].

Het voorgaande overziende en rekening houdend met de omstandigheid dat [eiser] al sinds 1987 bij CWI in dienst is en tot 2003 kennelijk probleemloos heeft gefunctioneerd, is het redelijk en billijk [eiser] een vergoeding toe te kennen. De factor C wordt daarbij bepaald op 0.75. De kantonrechter ziet geen aanleiding daarnaast nog een vergoeding toe te kennen op grond van immateriële schade. In de ontbindingsvergoeding is met alle omstandigheden rekening gehouden.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - een verklaring voor recht dat [ged.1] en/of [ged.2] onrechtmatig hebben gehandeld met het uiten en/of handhaven van de klacht, zoals neergelegd in de brief van 15 januari 2008 en met het weigeren de NAW-gegevens van [betrokkene1] aan hem kenbaar te maken en verder veroordeling van [ged.1] en [ged.2] tot betaling van EUR 35.738,35, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [ged.1] en [ged.2] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] verwijt [ged.2] onrechtmatig te hebben gehandeld tegenover hem, waardoor deze aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW en [ged.1] als diens werkgever op grond van art. 6:170 lid 1 BW. Volgens [eiser] zijn de uitlatingen van [ged.2] in diens brief van 15 januari 2008 onjuist en diffamerend tegenover hem. Het gaat om de passages dat [eiser] onbetamelijk zou hebben gehandeld, dat [eiser] toenadering tot [betrokkene1] zocht met amoureuze bedoelingen en dat hij tegenover haar dubbelzinnige intimiderende opmerkingen zou hebben gemaakt. De brief is voor het CWI de directe aanleiding geweest om [eiser] te ontslaan. [eiser] stelt dat hij schade heeft geleden die bestaat in een aantasting van de eer en goede naam en in de proceskosten die hij in de verschillende procedures heeft moeten maken.

4.2. [ged.1] voert als eerste verweer dat [eiser] niet-ontvankelijk is, omdat zij haar onderneming op 31 maart 2008 heeft ingebracht in [naam bedrijf] B.V.. Dit verweer wordt verworpen, omdat door de inbreng van de onderneming in een rechtspersoon de schulden van de inbrenger alleen overgaan als de schuldeiser daarin heeft toegestemd (art. 6:155 BW). Het is niet gebleken dat [eiser] heeft toegestemd in overneming van de - hier ter beoordeling staande - schuld door [naam bedrijf] B.V..

4.3. Uit de in 2.9 weergegeven getuigenverklaring van [betrokkene1] blijkt niet dat [eiser] zich tegenover [betrokkene1] onbetamelijk, opdringerig met amoureuze bedoelingen of intimiderend heeft gedragen. [betrokkene1] ervoer de toenaderingen van [eiser] als onaangenaam, maar heeft geen feiten kunnen noemen, die tot de slotsom zouden kunnen leiden dat [eiser] zich onbetamelijk, opdringerig of intimiderend heeft gedragen. Omdat [ged.1] en [ged.2] niet hebben gesteld dat de getuigenverklaring van [betrokkene1] onjuist of onvolledig is, moet de conclusie zijn dat de beschuldigingen van [ged.2] in de brief van 15 januari 2008 onjuist zijn.

4.4. [ged.2] heeft ter comparitie verklaard dat hij is afgegaan op wat [betrokkene1] hem heeft verteld: de brief bevat de beschuldigingen zoals [betrokkene1] die aan hem heeft opgegeven. Omdat de beschuldigingen ernstig zijn, had het op de weg van [ged.2] gelegen om deze te verifiëren. Op z’n minst had [ged.2] aan [betrokkene1] moeten vragen om de algemene, ernstige beschuldigingen te concretiseren met voorbeelden. Gesteld noch gebleken is dat [ged.2] dat heeft gedaan. Door zonder onderzoek de ernstige beschuldigingen van [betrokkene1] over te nemen en over te brengen aan de werkgever van [eiser] heeft [ged.2] niet de zorgvuldigheid betracht die in het maatschappelijk verkeer betaamt en daarom tegenover [eiser] onrechtmatig gehandeld. Omdat de onrechtmatige daad plaatsvond in de uitoefening van de werkzaamheden van [ged.2] is [ged.1] als werkgever ook aansprakelijk.

4.5. [ged.1] en [ged.2] hebben zich ter rechtvaardiging van de brief beroepen op het agressieprotocol en art. 3 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet. Huisregels over het omgaan met agressie en de wettelijke verplichting te zorgen voor de veiligheid van de werknemer rechtvaardigen echter niet het uiten van ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van een derde. Dit verweer slaagt daarom niet.

4.6. [eiser] vordert vergoeding van immateriële schade van € 15.000,00 en de proceskosten die hij heeft moeten maken in de procedure voor het verkrijgen van de NAW-gegevens van [betrokkene1] en in de ontbindingsprocedure.

4.7. De onjuiste beschuldigingen zijn weliswaar niet in brede kring openbaar gemaakt, maar wel aan de werkgever van [eiser]. Ten opzichte van de werkgever is de eer en goede naam van [eiser] geschaad. Dit rechtvaardigt een vergoeding naar billijkheid, als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding moet met alle omstandigheden van het geval rekening worden gehouden. Als relevante omstandigheden komen in aanmerking (1) dat de beschuldigingen tamelijk ernstig zijn (“intimiderend”), (2) dat het CWI eerder klachten had ontvangen over [eiser]’s omgang met vrouwelijke klanten en collega’s, waaruit het CWI mocht afleiden dat [eiser] niet altijd de gepaste afstand in acht nam, (3) dat [eiser] ook in dit geval de door [betrokkene1] gewenste afstand niet in acht had genomen en (4) dat de brief de directe aanleiding voor het CWI is geweest om [eiser] te schorsen en de ontslagprocedure in gang te zetten. Rekening houdend met wat in vergelijkbare gevallen wordt toegewezen, zal een bedrag van € 750,00 worden toegewezen.

4.8. De door [eiser] gevorderde proceskosten van het kort geding zullen worden afgewezen, omdat de voorzieningenrechter reeds een proceskostenveroordeling ten laste van [ged.1] heeft uitgesproken. Als [eiser] van oordeel is dat de bijzondere verwijtbaarheid van [ged.1] een ruimere proceskostenveroordeling rechtvaardigde, had hij dat in die procedure moeten vorderen. De omstandigheid dat de grondslagen van de vorderingen in beide procedures verschillen, impliceert niet dat de proceskosten van het kort geding integraal in deze procedure zouden moeten worden vergoed. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

4.9. [eiser] vordert ook de proceskosten van de ontbindingsprocedure, door hem begroot op € 12.601,10 inclusief BTW. [ged.1] en [ged.2] hebben betwist dat er causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige daad en de schade. Dit verweer is echter niet steekhoudend. Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt dat de klacht van [naam bedrijf] de aanleiding voor CWI is geweest om de arbeidsovereenkomst met [eiser] te willen beëindigen. Er is daarom causaal verband in de zin van condicio-sine-qua-nonverband. Het redelijkerwijs voorzienbare gevolg van een brief met een inhoud als door [ged.2] geschreven, is dat de geadresseerde werkgever maatregelen zal nemen tegenover zijn werknemer, schorsing en ontslag daaronder begrepen. De schade is daarom aan [ged.1] en [ged.2] toe te rekenen in de zin van art. 6:98 BW.

4.10. [ged.1] en [ged.2] hebben zich verder op eigen schuld beroepen in de zin dat de eerdere klachten die over [eiser] zijn geuit mede redengevend zijn geweest voor het CWI om hem te ontslaan en dat die omstandigheden voor rekening van [eiser] komen. Dit verweer slaagt. Ook omstandigheden aan de zijde van [eiser] hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade (de proceskosten van de ontbindingsprocedure). Aan de zijde van [eiser] kunnen als omstandigheden worden genoemd dat zijn historie een aantal eerdere incidenten over ongewenste toenadering omvat, dat hij ook in dit geval voedsel heeft gegeven aan gevoelens van onbehagen bij [betrokkene1] en dat de arbeidsovereenkomst uiteindelijk niet wegens grensoverschrijdend gedrag is ontbonden maar wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Aan de zijde van [ged.1] en [ged.2] staat de omstandigheid dat [ged.2] een te sterke beschuldiging heeft geuit over [eiser]. In deze omstandigheden is er aanleiding de schade voor 25% voor rekening te brengen van [ged.1] en [ged.2]. Dit betekent dat [ged.1] en [ged.2] zullen worden veroordeeld om afgerond € 3.150,00 aan [eiser] te vergoeden.

4.11. Het voorgaande betekent dat [ged.1] en [ged.2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van € 3.900,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 750,00 vanaf 16 januari 2008, de dag waarop de brief van [ged.2] het CWI bereikte, en over € 3.150,00 vanaf 4 augustus 2008, de dag waarop [eiser] deze kosten heeft betaald aan zijn advocaat.

4.12. De gevorderde verklaringen voor recht [ged.1] en/of [ged.2] onrechtmatig hebben gehandeld met het uiten en/of handhaven van de klacht, zoals neergelegd in de brief van 15 januari 2008 en met het weigeren de NAW-gegevens van [betrokkene1] aan hem kenbaar te maken, zullen worden afgewezen. Bij de eerste verklaring voor recht heeft [eiser] geen belang naast de toegewezen schadevergoedingsvordering. Bij de tweede verklaring voor recht heeft [eiser] evenmin belang, omdat de daarmee samenhangende schadevergoedingsvordering zal worden afgewezen en niet aannemelijk is dat er nog andere schade is geleden.

4.13. Omdat beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten aldus worden gecompenseerd dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 790,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.643,98

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [ged.1] en [ged.2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 3.900,00 (drieduizendnegenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 750,00 vanaf 16 januari 2008 tot de dag van volledige betaling en met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 3.150,00 vanaf 4 augustus januari 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.2. bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt,

5.3. verklaart 5. 1 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2009.