Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BK0288

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
160015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omdat het tekort dus in elk geval aanzienlijk groter is dan het door de curator gevorderde voorschot, is de daarop betrekking hebbende vordering toewijsbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 160015 / HA ZA 07-1424

Vonnis van 23 september 2009

in de zaak van

[eiser]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gefailleerde].,

kantoorhoudende te Arnhem,

eiser q.q.,

advocaat mr. P.M. Gunning te Arnhem,

tegen

1. [ged. 1],

wonende te [woonplaats],

2. [ged.2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem.

Partijen zullen hierna de curator, [ged.1] en [ged.2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 maart 2009

- de akte houdende uitlating van de curator

- de antwoordakte van [ged.1] en [ged.2]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank verwijst naar wat in het tussenvonnis van 25 maart 2009 is overwogen en beslist.

2.2. De rechtbank heeft de curator onder meer in verband met het door hem gevorderde voorschot in de gelegenheid gesteld om nadere inlichtingen te verstrekken over de omvang van het tekort in het faillissement.

2.3. De curator stelt onder overlegging van diverse producties dat de schuldenlast uitkomt op een bedrag van € 2.542.772,32, dat het saldo op de boedelrekening € 16.498,37 bedraagt en dat van dit boedelactief in verband met de resterende boedelschulden niet veel zal resteren ter dekking van het tekort.

2.4. [ged.1] en [ged.2] hebben in de antwoordakte uitvoerig gereageerd op de door de curator genoemde bedragen, maar zij berekenen het totale tekort desondanks op

€ 1.744.458,50. Omdat dit bedrag het door de curator gevorderde voorschot van

€ 1.000.000,00 ruim overschrijdt, gaat de rechtbank niet verder in op de inhoudelijke standpunten van [ged.1] en [ged.2] ten aanzien van de diverse schulden van de vennootschap.

2.5. Omdat het tekort dus in elk geval aanzienlijk groter is dan het door de curator gevorderde voorschot, is de daarop betrekking hebbende vordering toewijsbaar.

2.6. [ged.1] en [ged.2] beroepen zich op matiging op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 4 BW. Zij voeren daartoe aan dat [ged.2] niet wist dat in de administratie van [betrokken vennootschap] valse facturen waren opgenomen en dat hij een blanco strafblad heeft.

Ten aanzien van [ged.1] voeren zij aan dat deze de valse facturen in de administratie van [betrokken vennootschap] heeft opgenomen om de beschikking te krijgen over contant geld om afpersers en chauffeurs contant te kunnen betalen en dat hij de valse facturen niet met het oogmerk van zelfverrijking in de administratie van [betrokken vennootschap] heeft opgenomen. Verder voeren [ged.1] en [ged.2] aan dat [ged.1] een lange staat van dienst heeft en dat hij via zijn vennootschap de grootste schuldeiser van [betrokken vennootschap] zou zijn in het geval die vennootschap haar vordering ter verificatie zou indienen bij de curator.

Tot slot voeren [ged.1] en [ged.2] aan dat de executie van de namens de curator gelegde conservatoire beslagen in het huidige tijdsgewricht een onevenredig groot nadeel teweeg zal brengen.

2.7. In artikel 2:248 lid 4 BW is bepaald dat de rechter het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn, kan verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond.

In de eerste zin van het bedoelde artikel gaat het om matiging van de aansprakelijkheid van bestuurders als collectief en in de tweede zin om de matiging van de aansprakelijkheid van een individuele bestuurder.

2.8. De rechtbank stelt vast dat de hiervoor in rov. 2.5 opgesomde argumenten die [ged.1] en [ged.2] aanvoeren voor het beroep op matiging geen betrekking hebben op de gronden die in de eerste zin van artikel 2:248 lid 4 BW staan genoemd voor een eventuele matiging van de collectieve aansprakelijkheid, zodat het beroep op matiging in zoverre faalt.

2.9. De individuele matigingsmogelijkheid van de tweede zin van de genoemde bepaling is opgenomen ten behoeve van bestuurders die toetreden tot het bestuur van de vennootschap nadat het onbehoorlijk bestuur al een aanvang heeft genomen.

2.10. [ged.2] was van 28 juli 2003 tot 3 oktober 2005 middellijk en enig bestuurder van [betrokken vennootschap]. Op basis van de bewezenverklaring in het in rov. 2.8 van het tussenvonnis vermelde strafvonnis kan worden aangenomen dat gedurende de volledige bestuurstermijn van [ged.2] valse facturen in de administratie van [betrokken vennootschap] zijn opgenomen. Het strafvonnis is weliswaar niet in kracht van gewijsde en levert daarom geen dwingend bewijs op, maar de in het strafvonnis bewezen verklaarde periode waarin de fraude heeft plaatsgevonden, is in deze zaak niet betwist, zodat die als vaststaand wordt aangenomen. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor matiging van de aansprakelijkheid. Dat [ged.2] niet wist van de fraude met de facturen en dat hij een blanco strafblad heeft is daarvoor onvoldoende.

2.11. Voor individuele matiging van de aansprakelijkheid van [ged.1] bestaat ook geen grond omdat de valse facturen door zijn toedoen in de administratie van [betrokken vennootschap] zijn opgenomen. Alle door [ged.1] aangevoerde feiten en omstandigheden bieden geen grond voor matiging.

2.12. Het vorenstaande betekent dat het door de curator gevorderde voorschot zal worden toegewezen.

2.13. De curator vordert [ged.1] en [ged.2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten.

De curator heeft ten laste van [ged.1] conservatoir beslag doen leggen op diverse onroerende zaken. Die beslagen zijn met inachtneming van de wettelijke termijnen en formaliteiten gelegd.

De vordering van de curator is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar.

De beslagkosten ten laste van [ged.1] worden begroot op € 508,32 voor verschotten,

€ 98,00 voor vastrecht (rechtbank Rotterdam) en € 6.422,00 voor salaris advocaat (2 rekesten x € 3.211,00). Het vastrecht voor het beslagrekest dat is ingediend bij deze rechtbank is begrepen in het vastrecht van deze bodemprocedure.

2.14. De curator heeft verder ten laste van [ged.2] beslag doen leggen op een onroerende zaak. Daarbij zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen. De vordering van de curator met betrekking tot deze beslagkosten is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv. toewijsbaar. De beslagkosten ten laste van [ged.2] worden begroot op

€ 261,77 voor verschotten en € 3.211,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 3.211,00).

Het vastrecht voor het beslagrekest dat is ingediend bij deze rechtbank is begrepen in het vastrecht van deze bodemprocedure.

2.15. [ged.1] en [ged.2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding € 92,66

- vast recht 4.732,00

- salaris advocaat 11.238,50 (3,5 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 16.063,16

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart voor recht dat [ged.1] en [ged.2] hun taak als bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler van [betrokken vennootschap] [betrokken vennootschap] in de periode gedurende drie jaar voorafgaande aan het faillissement onbehoorlijk hebben vervuld en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van deze vennootschap,

3.2. veroordeelt [ged.1] en [ged.2] om aan de curator te voldoen het bedrag van het tekort in het faillissement zoals bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW, nader op te maken bij staat op de voet van artikel 2:248 lid 5 BW juncto artikel 612 Rv,

3.3. veroordeelt [ged.1] en [ged.2] om als voorschot op het hiervoor bedoelde tekort aan de curator te voldoen een bedrag van € 1.000.000,00 (één miljoen euro) te vermeerderen met de wettelijke rente over het niet betaalde gedeelte van dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding, 2 augustus 2007, tot aan de volledige voldoening,

3.4. veroordeelt [ged.1] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 7.028,32,

3.5. veroordeelt [ged.2] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.472,77,

3.6. veroordeelt [ged.1] en [ged.2] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 16.063,16,

3.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis, mr. M.M. Vanhommerig en mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2009.

Coll:MV